In 1994 werd ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de bevrijding van Schinveld, door de ”Heemkundeverening de Veersjprunk” een jaarboek uitgeven met thema ”Schinveld in de jaren 1940-1945”.
De onderstaande geschiedenis is een gedeelte hieruit, zonder foto's (wegens gebrek aan kwaliteit).
Ze werd samengesteld door de werkgroep documentatie, die in deze vertegenwoordigd werd door de heren Jacobs en Roex.

Veertien Belgische Weerstanders in Schinveld



Inleiding

In de nadagen van de oorlog letterlijk enkele dagen voordat Schinveld op 19 september 1944 werd bevrijd, werden veertien door de Duitsers gevangen genomen Belgische verzetsstrijders (Weerstanders) Schinveld binnengevoerd. Nog voordat de bevrijding een feit werd, ondergingen zij een gruwelijk lot. Voor de meesten van hen zou er geen bevrijding meer komen.

In dit artikel worden deze gebeurtenissen, nu bijna 50 jaar geleden, zo volledig mogelijk gereconstrueerd en beschreven. Hierbij worden tevens enige in de loop der tijd ontstane mystifscaties en onduidelijkheden weerlegd en wordt vooral aandacht besteed aan datgene wat er na de oorlog in Schinveld gebeurde naar aanleiding van de fusillering te Mindergangelt van zeven van de veertien Belgische verzetstrijders.

Noodzakelijkerwijs zal dit artikel zich met name concentreren op datgene wat er in deze streek rondom dit gegeven gebeurde en andere zaken daarom wat minder belichten. Met name de vraag welke Duitsers en welke Belgische Rexisten bij het transport, de verhoren en de fusillering betrokken waren en wie eindverantwoordelijk voor deze daden was cq. de bevelen daartoe gaf wordt in dit artikel niet aan de orde gesteld. Evenmin als de processen en veroordelingen in 1947.

Het Belgische verzet trekt zich samen

Het Belgische verzet, het zogenaamde ”Geheim Leger”, raakte in de loop van de oorlogsjaren steeds beter georganiseerd en ontplooide steeds meer activiteiten. Zo werd ook in Belgisch Limburg het ”Geheim Leger, Zone II/Limburg”, ter grootte van een regiment. in 1944 geactiveerd naar aanleiding van de nadering van de Geallieerden en de nadering van het oorlogsfront. Het bataljon Maaseik, dat hiervan deel uitmaakte, stond ook bekend als de ”Witte Brigade van Maaseik en Rotem” en had een numerieke sterkte van ca. 1800 personen.

Enige tijd voor 5 september 1944 kreeg men een radio-oproep uit Engeland, om zich in het schuiloord ”Anatol” bij Rotem (ook wel schuiloord Rotem genoemd) te verzamelen. Het was de bedoeling dat er zich zo’n 1200 à 1800 personen zouden verzamelen, ter formering van 9 brigades van zo’n 200 personen elk.
Hoeveel personen er exact opkwamen en hoeveel er bleven, nadat in de eerste dagen weer een gedeelte van het Geheim Leger zich ontbond, onder andere door gebrek aan wapens en het uitblijven van wapendroppings, is niet meer met zekerheid te achterhalen. In bronnen en getuigenverklaringen lopen de schattingen van de aantallen fors uiteen. Het meest waarschijnlijk lijkt een opkomst van ca. 1200 personen, waarvan er minimaal 200 bleven tot aan de gevechten.
Doel van de oproep was om zich tijdens het naderen van de Geallieerde troepen schuil te houden, zich te groeperen en vervolgens samen met de Geallieerden aan het front mee op te rukken en aldus de Duitse troepen te verdrijven richting Oosten.

De provinciale leider van het verzet was Tony Lambregts uit Hasselt en de zône-overste (bevelhebber) van de troepenmacht was Gustaaf Beazar (voetnoot 2) uit Kessenich, in het dagelijkse leven wachtmeester hij de Rijkswacht. Ondanks dat, of juist omdat de Geallieerden op komst waren, traden de Duitse bezettingstroepen vanaf het begin bijzonder hard op tegen het zich groeperende verzet. Hierbij werd tevens opvolging gegeven van bevelen van het Duitse Opperbevel terzake. Reeds in de eerste dagen werden ontdekte en bewapende verzetsmensen hij verschillende gelegenheden dan ook zonder pardon of vorm van proces gefusilleerd.

Gevecht en gevangenneming

Op 5 september 1944 voegden de verzetsstrijders zich, door de bossen wegsluipend, bijeen in het schuiloord, in de buurt van Rotem. In de bossen tussen Rotem, Opoeteren en Neeroeteren werden hutten gebouwd. Het hoofdkwartier bevond zich achter het kanaal, de Zuid-Willemsvaart, in de winkel ”De Welvaart” van de familie Cops-Gorissen. Dit was ca. 5 km. ten noorden van Dilsen. Hoewel men voorraden had aangelegd, zoals wapens, uitrusting en ”salopetten” (zelfgemaakte overalls), was de ravittaillering moeilijk voor zo'n grote groep mensen. Daarom werden er o.a. koeien in de omgeving gevorderd, waarvan in ketels van de ”Winterhulp” vleessoep werd gekookt. Dit gebeurde in het buis van de Familie Leo Dreessen, waar ook aanvoerder Beazar zich bevond.

Er waren bij de opkomst en formering van de troepen 27 Duitsers gevangengenome, die in de nabijgelegen zinkfabriek gevangen werden gezet. Het zijn met name deze soldaten geweest die naderhand gebruikt werden om de gevangengenomen verzetsmensen te identificeren. Haast anecdotisch klinkt het verhaal dat een van de Duitsers door een omwonende in een tuin met een pijp in de rug werd geprikt en op deze manier werd gevangengenomen. Maar toen deze verzetsman enige dagen later na zijn eigen gevangenneming werd herkend, moest hij deze dappere daad met de dood bekopen.
Waarschijnlijk door verraad kwamen de Duitsers op de hoogte van de aanwezigheid van deze concentratie van het verzet, en men werd daarop dan ook op zaterdag 9 september 1944 vanaf de andere kant van het kanaal aangevallen. Een wachtpost van het verzet op de spoorbrug over het kanaal, de Nederlander Henri Hermans (wellicht een schuilnaam, zijn werkelijke identiteit werd nooit meer vastgesteld), werd hierbij op slag gedood. Door de strategische positie en het heftige verzet van het Geheim Leger, moesten de Duitse troepen deze eerste aanval echter afbreken en zich terugtrekken.

Twee leden van het verzet, Alphonsine Vliexs en Mieke Cops, gingen samen naar Dilsen naar een ondergrondse contactman, Jef Beunen van hotel Beunen, om meer te weten te komen over de positie en het aantal van de Duitse aanvallers. Zij bleken o.a. in de school te Dilsen-Lanklaar gelegerd te zijn. Volgens Beunen ging het om veel troepen met zware bewapening. Met dit weinig bemoedigende bericht keerde men terug naar het schuiloord. Ondanks dit gegeven besloot men om de positie aan het kanaal verder te verdedigen.

Zondag 10 september 1944, even voor de zondagsmis van 12.00 uur, vielen de Duitsers opnieuw massaal aan. Zij hadden 10 vrachtwagens bij zich. Zij trokken op over beide bruggen (een houten loopbrug en een spoorbrug, waarbij de weerstand van het verzet ditmaal wel werd gebroken. De omwonenden vluchtten als eersten de bossen in, later gevolgd door de verzetsmensen. Niet alle verzetsmensen en omwonenden van het kanaal wisten echter te ontkomen en een 40-tal van hen werd gevangengenomen.

Op transport naar dood en concentratiekamp

De aangehoudenen werden in 2 vrachtwagens afgevoerd naar As. Daar bleek dat er ook op andere plaatsen in de omgeving mensen gevangen waren genomen. Hier werden namelijk nog andere gevangenen aan de groep toegevoegd. ln As werd men eerst door de Feldgendarmerie in kelders gevangen gehouden. Maandag 11 september werd men te voet ovetgebracht naar hotel Mardaga in As, waarna ook leden van de SD en de Gestapo zich bij de bewakers voegden. De verzetsmensen die als zodanig waren herkend, werden hier gescheiden van de ”omwonenden”, en van hen die niet als verzetslieden waren herkend. Deze laatsten werden iets later vrij gelaten.

Hierna bleven er 26 gevangenen over: 21 die bij de aanval op het schuiloord waren gevangen genomen en vijf uit Maaseik die met de wapens nog in de hand in de bossen waren aangetroffen. Dat men niet bepaald zachtzinnig met de gevangenen omsprong, blijkt wel uit het feit dat de leider Gustaaf Beazar, die bij zijn gevangenneming reeds gewond was geraakt, deze dag nogmaals driemaal met bajonetsteken werd verwond.

Te Heer

Dinsdag 12 september werd de groep van 26 personen, weer met vrachtwagens, naar de Akersteenweg te Heer in Nederlands-Limburg gevoerd. Daar werd men ”op naam” uit de vrachtwagens geroepen. Twaalf personen, waaronder Beazar en een onbekend gebleven Rus, werden hierna weggevoerd. Later bleek dat zij in de nabijheid in een mergelgroeve waren gefusilleerd. Hoewel later werd verondersteld dat hij de fusillering twaalf Belgen en de Rus werden gedood, is er geen enkel bewijs te vinden dat er ook nog een mogelijke twaalfde Belg is gefusilleerd.
De twaalf gevallenen werden begraven op het kerkhof in het park van het St. Josephgesticht te Heer, tegenwoordig behorende hij Cadier en Keer, gemeente Margraten. In 1947 werd aldaar door de Stichting ”Belgisch verzetsmonument Heer” een herdenkingsmonument voor de elf gevallen Belgen onthuld.

Te Schinveld

De resterende veertien personen werden vervolgens dezelfde dag nog, geknield en met het gezicht naar beneden in open vrachtwagens door de ”Zwarte Brigade” naar Schinveld gevoerd en in het Klein Patronaat in de Kannunik van Nuysstraat gevangen gezet. Zij werden hier bewaakt door een gemengde groep van Rexisten, SD en Gestapo. Enkele hooggeplaatste Duitse officieren voegden zich hier nog bij hen, waaronder ook de beruchte Max Günther (zie voetnoot 1). Men verbleef twee dagen in Schinveld, waarbij de gevangenen nauwelijks te eten of te drinken kregen. Men kreeg slechts hompen brood en het vet van opgeëiste hammen toegegooid. Men lag er op vuil stro.

In het Klein Patronaat werd men woensdag 13 september één voor één naar boven geroepen. De Gestapo bleek persoonslijsten te hebben, waarschijnlijk afschriften van de lijsten van Beazar, die kennelijk in het schuiloord door de Duitsers waren buitgemaakt. De Duitsers hielden zich gedurende deze twee dagen voornamelijk bezig met ondervragingen en verhoren. Zo werd Alphonsine Vliexs onder andere geconfronteerd met een aantal valse paspoorten van Beazar, waarop hij in een aantal vermommingen (valse baard en snor, etc.) op de foto stond. Zij ontkende hem te kennen of te herkennen.

Ondanks het terugwijkende front en het feit dat het voor iedereen overduidelijk was dat de oorlog door de Duitsers op niet al te lange termijn verloren ging worden, waren de Duitsers er kennelijk kost wat kost op uit om informatie van de gevangenen te verkrijgen en om hun moedige verzetsstrijd hard af te straffen. De groep gevangenen werd verder ook nog mishandeld en getreiterd door hen bijvoorbeeld met tandenborstels de straten van Schinveld te laten ”vegen” zoals blijkt uit ooggetuigenverslagen.
De Schinveldse bevolking moest -noodgedwongen- bij dit alles machteloos toezien. Berichten als zou het Nederlandse verzet nog geprobeerd hebben om hen te bevrijden, lijken dan ook uit de lucht gegrepen te zijn en kunnen in ieder geval op geen enkele manier worden geverifieerd, buiten een enkel krantenbericht. Alphonsine Vliexs moest ook in de boerderij van de familie Brandts, tegenover het Klein Patronaat, toiletten schoonmaken. Zij slaagde er hierbij nog in om belastend materiaal te laten verdwijnen.

Na twee dagen werd de groep van veertien personen - op donderdag 14 september - plotseling gesplitst in twee groepen van elk zeven personen. Dit scheen vrij willekeurig te gebeuren. Of de Duitsers hierbij toch nog bepaalde maatstaven hebben gehanteerd is niet meer gebleken. Ook in de procesverslagen van na de oorlog wordt dit door niemand genoemd. Wellicht dat de twee vrouwen bewust werden gespaard voor een fusillering ?
Nadat de eerste groep met een vrachtwagen via de Eindstraat in Schinveld richting Mindergangelt werd gevoerd, werd de tweede groep al vrij snel daarna ook op transport gesteld. Dat men vrij abrupt van elkaar gescheiden was, bleek bijvoorbeeld uit het feit dat de tweede groep de overjas van Jaak Langers (een van de gefusilleerden), met een pakje boter erin bij zich had. Deze groep werd naar Duitsland afgevoerd, in eerste instantie naar Düsseldorf en vandaaruit naar verschillende concentratiekampen. De twee vrouwen, Alphonsine Vliexs en Hélène Vanlaer kwamen achtereenvolgens in een kamp in Ratingen aan de smeltovens te staan, moesten in Ravensbrück boomstronken rooien en in Sachsenhausen-Wittenberg bomluiken maken. Tussendoor beleefden zij nog een mislukte ontsnappingspoging, die twee dagen duurde. Gaspar Caris verbleef in Sachsenhausen (kampnr. 482973) en Buchenwald (kampnr. 11684). Panis en Reners verdronken tijdens het lossen van een schip met stenen te Hannover. Er werd geen enkele poging gedaan om hen te redden. Surix is waarschijnlijk op het einde van de oorlog in het concentratiekamp Buchenwald gestorven. Bongers was daar toen al op 10 maart 1945 gestorven.

Van deze zeven personen overleefden er uiteindelijk slechts drie de oorlog, namelijk Gaspar Caris, Hélène Vanlaer (beiden uit Molenbeersel) en Alphonsine Vliexs (uit Maaseik). Alphonsine Vliexs werd na haar bevrijding een aantal jaren in Zwitserland verpleegd voor herstel. Hoe zwaar de Belgische verzetsmensen getroffen waren blijkt ook uit het feit dat onder andere twee zussen van Alphonsine Vliexs, Pia en Bertha, bij een andere Duitse actie op 11 september 1944 waren gefusilleerd Deze drie overlevenden ondervinden nu nog vrijwel dagelijks de naweeën van hun verblijf in de concentratiekampen.

De fusillering te Mindergangelt

De groep van de overige 7 personen werd met een vrachtwagen weggebracht uit Schinveld. Onder het voorwendsel dat zij bussen benzine moesten gaan begraven, werden zij naar de bossen van Mindergangelt gebracht, niet ver van de Etzenrader molen. Dit gebeurde via de Eindstraat in Schinveld. Verschillende omwonenden hebben de vrachtwagen zien gaan en weer zonder de gevangenen zien terugkomen, niet wetende wat zich afspeelde.

In een laagte, omgeven door enige heuveltjes, moesten de gevangenen een gat beginnen te graven. De Belgische ”Zwarten” (Rexisten) gingen als wachtposten op de hoogtes staan. De gevangenen kregen toen in de gaten dat hun een executie te wachten stond en dat zij bezig waren om hun eigen graf te graven.
Een hunner, Jaak Langers, al wat ouder dan de rest van hen en getrouwd en vader van twee jonge kinderen, sprong daarop op en smeekte om bij de bevelvoerend officier gebracht te worden. Dit gebeurde. Terwijl hij hem vroeg om hun aller leven te sparen werd echter op hetzelfde moment aan de andere zes gezegd dat zij moesten knielen om te bidden. Meteen daaropvolgend werden zij dan doodgeschoten en vielen zij tesamen dood neer in geknielde houding. Het door henzelf gegraven ondiepe gat werd hun massagraf.
Daarna werd ook Jaak Langers, aan wie de officier uitstel van executie (of zelf gratie, dat is niet helemaal duidelijk) had willen verlenen, als lastige getuige door Max Günther gefusilleerd op een tachtigtal meters van de overige zes verwijderd. Dit was de reden waarom Langers apart van de andere zes werd begraven.

Meldingen van het gebeurde

De schoten van de fusillering werden door verscheidene personen - op afstand - gehoord, waaronder de bewoners van de Etzenrader molen, de familie Paul Piepers. De Etzenrader molen ligt aan de zuidrand van het bos en behoort hij Mindergangelt. Een van de dochters uit het gezin, nu mevrouw Paula Laven-Piepers en wonende te Gangelt, destijds veertien jaar oud, weet zich een en ander nog goed te herinnneren.
In de namiddag van de 14e was hij hen reeds een niet-dienstdoende Duitse douanebeambte voorbijgekomen die had gezegd dat er ”Belgische terroristen” zouden worden doodgeschoten. De begeleiders van de gevangenen hadden de douaneman weggestuurd omdat hij anders mogelijk getuige was geworden van de moordpartij.
Ze gingen daarop buiten staan en toen ze kort daarop de schoten hoorden, begrepen ze dat het waarschijnlijk inderdaad om een executie ging. De heer Paul Piepens, zijn broer Frans Piepers, dochter Paula en zoon Frans, alsmede de heer Jozef Leunissen uit Etzenrade die op dat moment op bezoek was, gingen daarop in de bossen op onderzoek uit en ontdekten een geblinddoekt lijk -van Jaak Langers zoals achteraf bleek- dat provisorisch was toegedekt met losse aarde, dennenaalden en takken. Frans Piepers junior wist niets anders uit te brengen dan: ”Wat moet die arme man toch hebben meegemaakt.” Na hun gruwelijke vondst dekten ze het lijk weer toe op dezelfde manier als ze het gevonden hadden. Paula Piepers had niet de moed gehad om zelf het lijk te bekijken.
De heer Paul Piepers is de vondst van het lijk dezelfde dag nog gaan melden op het gemeentehuis van Gangelt. Daar zei men, omdat het hier stellig om een Belg ging, om het ook in Nederland of België te gaan melden. De dag na de bevrijding van Schinveld deed de heer Piepers dit dan ook op het gemeentehuis van Schinveld. Dit was op woensdag 20 september. De dag daarna kwam ook een zekere slager Frenken uit Heerlen in Schinveld melden dat hij schoten had gehoord. Men deelde hem mede dat daar reeds melding van was gemaakt.
De heer Frenken was toevallig in een weiland niet ver van de Etzenrader molen bezig geweest om een slachtpaard te kopen van de landbouwer Frijns uit Jabeek Hij en een zoon van Frijns werden allebei onder dreiging van een mitrailleur door de Rexisten en Duitsers weggejaagd. Ook zij hoorden kort daarna de schoten vallen.

Actie vanuit Schinveld

Al direct na de eerste melding ondernam de heer Wim Nelissen, gemeente-secretaris en op dat moment tevens lid van de Nederlandse Ordedienst (OD) meteen actie. Samen met postcommmandanr Tobben ondernam hij een zoekactie in de bossen van Mindergangelt op woensdag 20 september 1944.
Nelissen en Tobben vonden na enig zoeken het door Paul Piepers gemelde lijk terug. Meteen daarna werden zij ontdekt door Amerikaanse troepen die zich in de omgeving bevonden. Van de Amerikanen -die de situatie maar half begrepen en bovendien bang waren dat er nog Duitse soldaten in de bossen zaten-, moesten zij zich direct verwijderen. Nelissen en Tobben zagen echter nog kans om een Duitse burger in te schakelen. Via diens tussenkomst werd geregeld dat het op dat moment nog onbekende lijk begraven werd op het kerkhof van Gangelt op donderdag 21 september 1944.

De identiteit van de ”onbekende” die men in Gangelt had begraven kwam als volgt aan het licht. De familie Langers uit Maaseik had na het einde van de oorlog, vermoedelijk in mei 1945, een brief gezonden aan de pastoor van Schinveld, waarin men vertelde dat de heer Langers en zes anderen op 14 september 1944 waren weggevoerd uit Schinveld, waarna niets meer van hen vernomen was. Dit laatste wist de familie Langers van Alphonsine Vliexs, die 29 april 1945 uit het concentratiekamp Sachsenhausen-Wittenberg was bevrijd. De pastoor speelde de brief door naar de gemeente. Op verzoek stuurde men vervolgens een foto van Jaak Langers naar de gemeentesecretaris de heer Wim Nelissen. Deze herkende Langers onmiddellijk. Zo kwam men achter de identiteit van Jaak Langers en besefte men dat er waarschijnlijk nog zes anderen begraven moesten liggen in de bossen van Mindergangelt.
Vanaf dat moment werd er intensief gezocht in de bossen, een heel jaar lang, echter zonder succes. Het zoeken werd sterk bemoeilijkt doordat ter plaatse de omgeving grondig was veranderd. Canadese soldaten hadden er namelijk de dennen gekapt en hun tenten opgeslagen gehad. Bovendien hadden ze er veelvuldig met tanks rondgereden.
Vanaf dinsdag 21 mei 1946 vond er een gezamenlijke inspannning plaats van het gemeentebestuur van Schinveld, de Nederlandse Rijkspolitie en van het Krijgsgerecht van Tongeren. Ook Nelissen en Tobben waren hierbij betrokken.
Hierbij werd een reconstructie ter plaatse gehouden met leden van ”de Zwarte Brigade” (Rexisten), die hij de fusillering aanwezig waren geweest. Dit gebeurde om zo de exacte plaats van het massagraf vast te stellen en de lijken te vinden en ook om de exacte gebeurtenissen vast te leggen en waarschijnlijk de rol en de schuldvraag van de Rexisten te bepalen.
Zo werd op woensdag 22 mei 1946, nadat eerst een aantal hulzen was gevonden, het massagraf met de zes lijken eindelijk gevonden. Na hun ontdekking en opgraving werden de gevallenen, totdat er toestemming kwam om hen over te brengen naar België, voorlopig in het bijzijn van een katholiek priester begraven op het kerkhof te Gangelt op 22 mei 1946. Dit gebeurde aldaar omdat Mindergangelt geen eigen kerkhof heeft.
Voorwerpen die op en bij de lijken waren gevonden werden naar Tongeren gestuurd om aldaar (een voorlopige?) identificatie door familieleden mogelijk te maken. Op 8 juni 1946 werden de lijken weer opgegraven. Bij deze opgraving waren volgens berichten diverse familieleden aanwezig ter identificatie van de lijken. Andere bronnen zeggen dat dit pas in Maaseik gebeurde.
Na de opgraving werden de lichamen overgebracht naar Maaseik in Belgisch-Limburg, waar een aantal herdenkingen plaatsvond. Hierbij was ook een aanzienlijke delegatie uit Schinveld aanwezig. Een van de overlevenden, Hélène Vanlaer, hield een ontroerende toespraak voor haar gesneuvelde kameraden.
In de week na Pinksteren werd iedere gevallene in zijn eigen woonplaats definitief en met veel eerbetoon ter aarde besteld. In het najaar van 1946 vond er ook nog een ”verbroedering” plaats tussen bewoners van Schinveld en Brunssum en van Belgisch-Limburg te Neeroeteren.

Herdenkingen na de oorlog

Hoewel de veertien gevangenen slechts twee dagen in Schinveld verbleven hadden en de fusillering in Mindergangelt had plaatsgevonden, had het gebeurde grote indruk gemaakt op de Schinveldse bevolking. Terecht beschouwde men de Belgische verzetsstrijders als helden die zich hadden opgeofferd in de vrijheidsstrijd. Niet voor niets ontvingen deze allen hoge Belgische Koninklijke en militaire onderscheidingen. Voor de overledenen gebeurde dit posthuum. Hélène Vanlaer werd daarnaast door de Amerikanen nog gedecoreerd met de Medal of Freedom met Palmen en Sabels.
Op de plaats van het gevonden massagraf (de plaats van de fusillering) in de bossen van Mindergangelt werd in eerste instantie in 1946 een eenvoudig berkenhouten kruis als gedenkteken geplaatst.

In 1946 vond ook de eerste officiële herdenking plaats. Een plechtige Heilige Mis werd opgedragen aan het Mariabeeld te Schinveld, waarbij muziek- en zangverenigingen, verzetsstrijders uit Belgisch- en Nederlands-Limburg en familieleden en kennissen van de zeven gevallenen alsmede inwoners van Schinveld aanwezig waren. Hier werd een herdenking gehouden met een aantal toespraken. Ook in 1947 en 1948 werden soortgelijke herdenkingen gehouden.

In 1949 werd in café Boesten een ”Stichting herdenking Belgische gevallenen Mindergangelt 1940-1945 Schinveld” opgericht, om herdenkingen en eerbetoon verder vorm te gaan geven. In dit comité hadden zitting: Fons Jansen (voorzitter), tijdelijk voorafgegaan door mevrouw Truus Jansen-Scholten uit Schaesberg, Wim Nelissen (secretaris), Ad Verhooren (penningmeester), Jo Berkers, Arnold Boesten, Willem Jacobs en Aad Theunissen, allen uit Schinveld. Wim Nelissen was de grote stimulator achter de stichting. Na het overlijden van Fons Jansen werd de heer J. Pagen voor lange tijd voorzitter.
Tevens kwam er in 1949, toen het Duitse Selfkantgebied waarin Mindergangelt ligt tijdelijk (tot 1963) Nederlands gebied werd, een stenen monument tot stand in plaats van het berkenhouten kruis. Dit monument werd door Aad Theunissen en Leo Jacobs gemetseld. Vanaf toen werden de herdenkingen steeds te Mindergangelt gehouden. Ook werd de plek, die eerst moeilijk toegankelijk was, beter ontsloten. Na afloop van het officiële gedeelte kwamen de deelnemers steeds bij elkaar in café Boesten en in later jaren ook in andere café's in Schinveld.
Mevrouw Anna-Maria Boesten-Gielen (in Schinveld bekend als ”Marie van de Boos”) verzorgde vanaf het begin, meer dan twintig jaren lang het monument, waarvoor zij een Belgische onderscheiding ontving. Na haar overlijden werd dit tot op de dag van vandaag overgenomen door haar dochter. mevrouw Tr. Theunissen-Boesten. Evenals een aantal andere Schinveldenaren ontving zij in de loop der jaren een Belgische onderscheiding en dankbetuiging voor haar inzet.

In september 1959 werd een nieuw stenen monument, het ”Memoriaal”, onthuld op de plaats van de eerdere monumenten. Dit monument werd eveneens gemetseld door Aad Theunissen en er werd siersmeedwerk van de hand van Jacq. Driessen op aangebracht. Vanaf 1969 verzond het comité geen officiële uitnodigingen meer en werd de herdenking gevormd door een gestichte heilige mis op de laatste zondag van september en een stille tocht naar het monument in Mindergangelt. De laaste jaren gaat de herdenking vooraf aan de heilige mis, die plaatsvindt in de St. Eligiuskerk te Schinveld.
De huidige samenstelling van het herdenkingscomité is als volgt:
Jo Nelissen (voorzitter), Bert Verhooren (secretaris/penningmeester), Truida Theunissen-Boesten, Frieda van Nuys-Boesten en Math. Theunissen

Tenslotte

Hoewel de herdenkingen tegenwoordig soberder verlopen en ook de contacten tussen de Belgen en de Nederlanders minder intensief zijn geworden, hopen wij met het bovenstaande relaas een bijdrage geleverd te hebben aan het levendig houden van de herinnering aan de gruwelijke gebeurtenissen die in de directe omgeving van Schinveld plaatsvonden, waarbij zeven jonge Belgen het leven lieten voor een vrijheid die zij ook ons hadden willen brengen, doch die zij zelf niet meer mochten meemaken.



Het gezamenlijk bidprentje met de foto's van de in Mindergangelt vermoorde verzetsstrijders vind je op de site met bidprentjes van Sjilvese luuj, of klik hier



1)
... Max Günther was een dikke, zwaarlijvige man met een brutaal uiterlijk. Mede- en tegenstanders van hem erkenden dat hij er niet bepaald zachtzinnige methodes op nahield, maar ook dat hij zich onverschrokken in vuurgevechten wierp. In december ‘43, was hij in Leuven ingezet waar hij grootscheepse arrestaties in PA-rangen verrichtte.
Max Günther, of Hamburger Max, was wellicht geknipt voor zijn taak omdat hij al vele watertjes doorzwommen had. Hij was dan ook niet de eerste de beste. Bepaalde bronnen wijzen hem aan als een van de weinige echte Gestapo’s, die in bezet België aktief waren. Mede omdat hij na de oorlog spoorloos bleef (typisch?) is er niet zoveel bekend over zijn persoon. Toch schijnt het vast te staan dat Max Günther slechts een schuilnaam was, dat hij in feite Emiel Van Thielen heette en ... dat hij een Vlaming was. Van Thielen werd in Antwerpen geboren op 2 maart 1895.
Hij was 45 jaar toen hij in bezet België begon te opereren voor de SS-politiediensten. Op dat ogenblik had hij al een avontuurlijk leven achter de rug. Tijdens de Eerste Wereldoorlog had Van Thielen met de Duitsers samengewerkt, niet op politiek vlak want de aktivisten erkenden hem niet als een van de hunnen. Bij de wapenstilstand trok hij mee af naar Duitsland, waar hij zijn naam wijzigde in Max Günther en begon te militeren in de Kommunistische Partij. Na de machtsovername door Hitler stapte hij over naar de nazi’s en de SS, waar hij (wegens zijn kennis van de kommunisten?) een gewaardeerd medewerker werd. Intussen was Van Thielen in 1927 door het Assissenhof van Antwerpen bij verstek ter dood veroordeeld. Desondanks zou hij nog voor de oorlog in Antwerpen zijn geweest om aanslagen tegen Duitse schepen in de haven te helpen opsporen. Na mei ‘40 werd hij de vertrouwensman van Gestapo-leider, Straub, die hem inzette en gebruikte om de vuile en gevaarlijke werkjes op te knappen. Ook in Limburg zou Max Günther een kruciale rol spelen in de partizanenbestrijding ...

Passages uit het boek van Jos Bouveroux, Terreur in oorlogstijd. blz 82 en 83



2)
Even de familie Beazar voorstellen op hun boerderij te Aspelare.
Zittend de ouders met twee zonen en achter hen in het midden de dochter.
Linksboven Beazar Placide - °23.01.1906 - † 22.11.1977
Oudstrijder 1940-45 en rustend rijkswachter - Drager van verschillende eretekens.
Rechtboven Eerste Wachtmeester Beazar Gustaaf - °19.07.1908 - † 12.09.1944
Met 10 anderen laf doodgeschoten te Heer (NL) - Kreeg postuum de onderscheiding Ridder in de orde van Leopold II met palm en het oorlogskruis 1940 met palm. Gustaaf had de leiding van het geheim leger te Maaseik (Zone II. Antwerpen - Limburg). Al in het begin trad Gustaaf toe tot de groep Luc (Luc Leclercq).
Sinds de zomer van 1941 was hij ook actief voor de B.N.B (geheim leger).
Op 13.07.1943 deed de Feldgendarmerie een huiszoeking bij Gustaaf. Hij had zich verstopt achter de brigadegebouwen en was daarna verplicht onder te duiken. Op 14.07.1943 werd hij als vermist opgegeven. Hij bleef wel zeer actief onder de schuilnaam MODEST. Hij kreeg een gedenkplaat aan de ingang van de rijkswachtbrigade te Kessenich.
Te Heer (NL) is een beeld ingehuldigd alwaar hij en de 10 anderen zijn vermoord door de bezetter. De inhuldiging gebeurde door onze Koning Bouwdewijn en de Nederlandse Koninklijke Familie.





het monument in Mindergangelt


email me
mailbus van Sjilvends
home
Begin van Sjilvends