Schinveld 1939 - 1945



In 1994 werd ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de bevrijding van Schinveld, door de ”Heemkundeverening de Veersjprunk” een jaarboek uitgeven met thema ”Schinveld in de jaren 1940-1945”.
De onderstaande geschiedenis is een gedeelte hieruit, indertijd geschreven door dhr. Theij Daemen (1931-2001).
Zijn echtgenote, Bertha Brauers, heeft me toestemming gegeven het op deze site te publiceren.
De foto's zijn door mevr. Zus Sajovec-Jacobs ter beschikking gesteld. Aan beide dames mijn dank.


Ik zag ze komen ...

... ik zag ze gaan



”In 't holst van de nacht, in 't vale maanlicht, gebruikmakend van de grijszwarte schaduw van de huizen, kwamen ze aangeslopen. Mannen in grauwe kleren. Gebukt en door de knieën gezakt. Het geweer in de vuisten. In koor, van zacht zoemend tot vreselijk schel, lieten zij hun sirene-achtig oorlogsgehuil horen. Nog eventjes en zij zouden de hoek van onze straat bereiken, nader sluipen en ... ”
Verstard van angst werd ik wakker. Donkere nacht. Twijfelende lichtplekjes op ‘t gordijn van mijn slaapkamerraam. Maar ‘t sirenegehuil was echt! De stilte van de Schinveidse nacht werd aan flarden gescheurd door metalen hooglaag gebrul. Mijn angst ging niet over en ik was blij dat de kamerdeur openging en mijn vader mij uit bed nam en naar beneden droeg. In huis heerste een geladen angstige stemming. 't Was toch waar. De Duitsers waren ons land binnengevallen en ‘t akelige geluid dat mij deed dromen en wekken was een werkelijke sirene en geen troep soldaten die zo probeerde de tegenstander angst aan te jagen.
Ik was 8 jaar in die nacht van 9 op 10 mei 1940 en woonde in Schinveld samen met mijn vader en moeder, kleine zus, opa en oma in een groot huis aan de Dorpstraat (nu Ter hallen). Al weken lang was het onrustig geweest. Op verschillende plaatsen in ons dorp waren reeds eerder of werden nu verdedigingswerken aangelegd door Nederlandse soldaten. Dwars over de Nieuwwijkstraat. net voorbij het kruispunt met de Pastoor Greijmansstraat, was een aantal rioolbuizen geplaatst, verticaal en gevuld met grind. Vanuit een schuttersput, over de toen nog open beek en pal voor huis Meis (nu friture Olympia), kon men deze rioolbuizenversperring in de gaten houden. En in die schuttersput bevond zich, o wonder van vernuft, een machinegeweer met ronde kogeltrommels. Dit werd gebruikt bij oefeningen, gewoon in de Nieuwwijkstraat, ter hoogte van het huidige gezondheidscentrum. Manhaftig lagen onze verdedigers dan op de grond en tuurden langs het machinegeweer in de richting van genoemde versperring. Met vele vriendjes gingen we kijken hij café Boesten nabij de grensovergang aan de Eindstraat, waar de landsverdediging bestond uit dwarsgeplaatste grote oogstwagens, gevuld met zakken zand. Voor ons jongetjes opende zich een ongedachte wereld vol avontuur.
In het café dat mijn ouders exploiteerden werden ernstige gesprekken gevoerd, fluisterend en soms luidruchtig. De radio stond constant aan op wisselende zenders met vreemde talen. Er werd gesproken over een man die Chamberlain heette en mijn vader had achter de tapkast een ”spannende” wandelstok staan. Als je daar de knop van losdraaide, met één slag, en eraan trok, dan zat er aan die knop een lang dun rapier.
's Avonds zat er wel eens een groep mannen in onze huiskamer en sprak over gewichtige zaken. Dat dacht ik tenminste, want ze noemden zich ”debatingdub” en ik wist toen niet eens wat dat woord betekende. Nog meer van die moeilijke woorden heb ik onthouden, want ze hadden het ook wel over het nationaal-socialisme, het fascisme en over de god Mammon. En nog erger, begreep ik, want ze lazen uit de bijbel en dat mocht niet van kapelaan Schrijnemakers.
Dit zijn zo van die herinneringen, van die dingen die me bijgebleven zijn. Herinneringen worden door latere ervaringen en persoonlijke inkleuringen wel eens aangepast, gekneed en geknecht. Is het niet zo dat verschillende mensen een gelijke gebeurtenis op een eigen, verschillende manier beschrijven?
Voor de volwassenen kwam de Duitse inval waarschijnlijk niet helemaal onverwacht. De geladen en angstige stemming was desondanks duidelijk merkbaar. In een klein dorp gaan berichten snel van deur tot deur, en toen bleek dat Duitse troepen via de Duikerweg naar Brunssum marcheerden, mocht ik - na veel gesmeek van mij en ge-nee van mijn moeder - met mijn vader gaan kijken. We waadden met andere mensen door de kille ochtendnevel naar de Brunssummerstraat. Hoog boven ons, onzichtbaar, bromden vele vliegtuigen. Voor ons, hij de Duikerweg, hoorden we motorgeluiden, voetstappen, zoiets als van een rivier van geluid die zich vanuit de stilte links naar de rust rechts van ons verplaatste. Voor de boerderij, thans Laeven, stond reeds een groepje mensen akelig stil en zwijgend te kijken. In 't weiland aan dc overkant dreven vette koeienlijven op de mist. De stroom vreemd groengeklede mannen, motorfietsen met geweren erop, knersende tanks en vreemde hoekige auto’s ging onverminderd door. Toen we in drukkende stilte naar huis gingen, droop het kale licht van de eerste zon langs de gevels van het Wilhelminaplein. Korte rijd later verplaatsten zich ook Duitse troepen in laarzenmars vanaf de Eindstraat over dat Wilhelminaplein richting Brunssum. Wij kinderen mochten de deur niet meer uit. Gelegen naast oma, met de armen steunend op een kussen, mochten we uit het raam van de bovenverdieping kijken. En toen gebeurde het dat een feldgraue soldaat naar boven keek en aan oma vroeg: ”Mutter, haben Sie den Kaffee schon fertig?” Waarop mijn moeder verontwaardigd het raam dichtsloeg en zei: ”Nutte Pruus!”
Tegen het middaguur was 't al een tijdje stil. Op het trottoir voor het huis van de familie Theunissen, nu Ter Hallen 1, stond een groepje Nederlandse soldaten met het geweer omgekeerd aan de schouder en hun handen in de nek. Vóór hen stond op de straat, dus lager, een Duitser, met zijn geweer gewoon aan de schouder (zoals ‘t moest). Volgens mijn nauwelijks ontkiemd patriotisch gevoel kon dit niet. ”Waarom,” vroeg ik me af, ”pakken deze laffe Nederlanders die ene rotmof niet?”

... ik zag te gaan.

Het ritmische geronk van zware bommenwerpers, die regelmatig overvlogen van west naar oost; nieuws via de klandestiene radio (Germany calling); Duitse mededelingen over de planmatige Rückzüge; de geruchten over de invasie van geallieerde troepen in Frankrijk; dit alles veroorzaakte een opgewonden stemming onder de bevolking. En vage hoop op spoedige bevrijding.
In een overval op het gemeentehuis wisten leden van het verzet het bevolkingsregister te pakken te krijgen. Dit om te voorkomen dat de Duitsers achter de namen en adressen konden komen van jonge mannen die te gebruiken waren bij de zogenaamde Arbeitseinsatz. Dat betekende onder andere dat zij in Duitsland moesten meehelpen bij de aanleg van verdedigingswerken. De aanzet tot die overval heb ik meegemaakt. zonder toen te beseffen wat er gebeurde. Gezeten op het stoepje voor ons buis had ik wel enkele ”vreemde” mannen gezien die stonden te praten nabij de Jabeekerstraat, waar nu de ANWB-wegwijzer staat. Dan moet ik naar binnen zijn gegaan, want van het vervolg heb ik niets meegekregen totdat de Platz overspoeld werd door gewapende Duitse soldaten. Ze waren echter lekker te laat om nog iets van het bevolkingsregister te pakken te kunnen krijgen.
Desondanks sliepen, bang om van bed gelicht te worden, vele jonge mannen 's nachts buitenshuis, in schuur, bos of veld. Herinneren doe ik me de oudere jongens uit onze buurt die sliepen achter 't ”paekhuuske”, een klein gebouwtje buiten de bebouwde kom langs de weg naar Jabeek, ongeveer waar nu de constructiewerkplaars ligt. Angst en plezier hadden ze daar. De laatste maanden, weken, was er een duidelijke toename van Duits verkeer, temeer opvallend omdat we in de oorlogsjaren nauwelijks Duitsers hadden gezien. Onze (jongetjes)aandacht ging vooral uit naar een aantal SS’ers, die samen met Belgische ”medewerkers” een aantal gevangen gemaakte Belgen vasthielden in het Klein Patronaat in de Kan. van Nuysstraat. We permitteerden ons wel eens onder de gordijnen door te loeren, maar we werden te snel weggejaagd om iets te zien. Interessanter waren de SS’ers die zich ophielden vöór en in een huis in de buurt. Ze hadden, naast enkele vrachtwagens, waarvan eentje vol met flessen wijn, ook een snelle flitsende vierpersoons legerwagen in camouflagekleuren, die volgens de ”grote jongens” (enkele jaren ouder dan wij ”kleine” bijna op de plaats kon keren en dan snel de andere kant uit rijden. Vooral trok deze open wagen belangstelling toen er op zekere dag een verrekijker, met een riempje eraan, op een zitting lag. Een grote jongen, niet direct uit onze buurt, werd door de anderen gejend, totdat hij deze verrekijker snel weggriste en onder zijn trui stopte. Omringd door ons allemaal ging hij met de buit in de richting van het Wilhelminaplein, maar o pech! Net vandaar kwam een Duitse officier de Kan. van Nuysstraat in gestapt. Mechanisch hielden wij, lafaards, de pas in of vergrootten de afstand tussen de verrekijkerjongen en ons. Zo werd hij oog in oog geconfronteerd met de Duitser. Deze hield hem staande, snauwde wat, en trok de verrekijker onder zijn trui vandaan (niemand van ons had tot dan namelijk gezien dat het riempje nog buiten de trui bungelde. De roodaangelopen en stotterende jongen kreeg een flinke draai om zijn oren en met hem samen verdwenen we schielijk uit het zicht van de Duitser.
In het gezelschap van de SS’ers bevond zich ook een sjieke jongedame. Op 'n middag zaten enkele van deze soldaten, samen met dat meisje, in ons café en tot mijn verbazing zag ik dat zij met haar knalrode lippen een vloeitje bevochtigde, er tabak op legde en hiervan vervolgens, met een snelle beweging, tussen handpalm en dijbeen een sigaret rolde. En roken deed ze ook al!
In de eerste schoolweek op mijn nieuwe school in Heerlen, Akerstraat, ging regelmatig het luchtalarm en moesten we oefenen in het snel onder de bankjes kruipen. 0f, ineengekrompen, liggen tegen de muren van het schoolgebouw. Op de zesde of zevende dag school kregen we van de directeur te horen dat dat voorlopig de laatste schooldag was, want het front kwam dichterbij. We mochten naar huis, maar net op dat moment ging het luchtalarm. Ondanks het verbod van de directeur om ons op weg te begeven wisten we met een klein groepje leerlingen ”te ontsnappen”. Vrij is vrij ! Al rennend langs de gevels van de Akerstraat spoedden we ons voort naar de tramhalte op het Emmaplein. Zover kwamen we echter niet, want de lucht zat vol met snorrend vliegtuiglawaai en vlakbij vielen enkele zware schoten. In onze buurt kletterde iets op de grond. We doken in het portiek van een oud huis en ik zal niet vergeten dat op een koperkleurig bordje op dat buis stond: 'Handel in ferro en nonferro metalen'. Eventjes later reed een Duitse vrachtauto langs met er bovenop een langlopig kanon gemonteerd. Of met dit kanon op vliegtuigen werd geschoten weer ik niet, maar het was wel superspannend om dat te geloven.
Enkele dagen voor de bevrijding waren we al eens gaan kijken naar een door de Duitsers achter een boerderij in de Merkelbeekerstraat opgesteld geschut, bestaande uit een grote ijzeren plaat waar doorheen vier lopen van machinegeweren staken. Het geheel was draaibaar en wees in de richting van Merkelbeek. Ook bij het huis van mijn opa en oma aan de Jabeekerstraat, net waar nu de entree is van De Kievit, hadden de Duitsers een aantal schuttersputjes gegraven.
Een onbestemde koorts maakte zich meester van ons en de meest wilde geruchten over heldendaden van de Amerikanen deden vooral onder ons jongetjes de ronde. De wilde verhalen stegen boven onze fantasie uit. Nog fantastischer was echter de terugtocht van de Duitsers die ik als twaalfjarige meemaakte de dag voor de bevrijding. Het was een beetje frisse en sombere dag en 't regende niet. Van 's morgens vroeg ging er een stroom van gerucht en gepraat, gekners en gebrom door onze straat. Een totaal ontredderd leger trok zich terug. Geen gevraag nu naar 'Kaffee'. Integendeel, uitgehongerde Wehrmachtleden bedelden om brood en boden zakjes goede tabak aan. ”Trinken Wasser ... bitte.” Nu nog doet het me pijn als ik eraan denk. Ook al was het de vijand.
Van wie? Waarom? Wie had of heeft eigenlijk voordeel van die oorlog of van de vorige of van de nog komende? Grote mensen weten dat allemaal. Maar kleine. twaaljarige jongetjes snappen daar niks van.
In de stroom van terugtrekkende soldaten, waarvan eentje riep: ”Die Amerikaner sind schon in Herle,” viel op dat velen in lompen gekleed waren. Lappen om voeten en benen. De hoofden ingepakt in sjaals en doeken. Handen bedekt met handschoenen of wat dan ook. Voetvolk dat vertwijfeld probeerde een plaatsje te krijgen op langstrekkend materieel. Zoals een platte wagen getrokken door een paard. Een trekker met een kanon en zelfs de loop was bezet met zo te zien dodelijk vermoeide soldaten. Een nog intacte rieten wagen met een rood kruis erop die tot aan de open achterdeur vol zat met manschappen. Een uitpuilende witte koets, voortgetrokken door een sjokkend boerenpaard. Een door een snelle draver getrokken as met twee wielen en op die as zat een soldaat. (Waarschijnlijk een sulky, maar dat achteraf). En dan die telkens weer opduikende wanordelijke groepjes verfomfaaide manschappen. Op het Wilhelminaplein, nabij het toenmalige gemeentehuis, stond een jongen met een 'keutelen karretje’. In tijd van niks hadden enkele soldaten het karretje te pakken, de reeds vergaarde keutels eruit gekieperd, hun bagage erin en erop gelegd en de aftocht geblazen.
Aan het begin van de Eindstraat, voor de bakkerij met de mooie trapgevel die er toen nog stond, bekeek een man met 'n fiets deze wanordelijke bende. Dat had hij beter niet kunnen doen, want voor hij 't wist ging zijn fiets reeds richting Gangelt. Je moest soms lachen met de ellende.
De dag van de bevrijding begon in stilte. We hadden de nacht doorgebracht in de kelder waar oma, die hulpbehoevend was, reeds enkele dagen bed hield. In de stilte van de ochtend hoorden we soms in de verte een zwaar gerommel. Maar we moesten ons snel van straat terugtrekken toen aan de 'overkant', op de reeds eerder genoemde stoep van huis Theunissen een aantal goed geordende Duitse soldaten verscheen. Voor hen op straat stond een Duitse officier die hen met gebeten woorden toesprak. Volgens mijn ouders riep hij zijn manschappen op om het Vaterland met hand en tand te verdedigen tegen de aanstormende veroveraars. Zij marcheerden weg in de richting van de Brunssummerstraat. De stilte die hierop volgde werd onderbroken door motorgeluid dat naderbij kwam, stilviel en zich even later weer verwijderde. Dan werd het akelig, angstig stil. Omstreeks twaalf uur sloeg een salvo kogels tegen de gevel van café Plasier (nu disco Starlight). Een van de kogels, zo hoorde ik later, doorboorde de naaimachine van mevrouw Pieper, die toen man man en kinderen boven café Plasier woonde.
Absolute stilte heerste een tijdje. Ze werd onderbroken door een onbestemd gebrom dat aanzwelde en plotseling afstierf. We konden het niet uithouden. Even kijken uit het keldergat. Ver op de Jabeekerstraat zag ik soldaten lopen in opvallend lichter gekleurde kleding dan ik gewend was, ”Dat zijn de Amerikanen,” dacht ik, hoopte ik, riep ik.
Toen gebeurde er eigenlijk van alles. We renden de kelder uit. Van alle kanten kwamen mensen. En allen liepen we naar de Jabeekerstraar, waar Amerikaanse infanteristen net klaar waren met het afspeuren van de kennelijk niet gebruikte loopgraven. En toen ik daar aankwam, op de hoek van de boomgaard van de fanulie Thissen, zag ik, o overrompelende indruk, in 't veld vele tanks staan tot over de heuvelruggen bij Merkelbeek. En voorbij het buis van mijn grootouders klommen reeds dorpelingen op zo’n tank, die tot aan de Jabeekerstraat gevorderd was. Gejuich, gefeest, blijheid, zonneschijn. Op de tank, naast mij, sprak een Schinveldenaar (Harry Baggen?) een beetje Engels met een van de soldaten. Ik verstond er niets van maar zag wel aan zijn gebaren dat hij de soldaat uitlegde dat daarginds bij dat kleine torentje Duitsland was. Toen werden plotseling alle burgers van de tanks gezet en een eind teruggedreven richting dorp. Een van de tanks loste een schot richting Gangelt en zo waar, even later, door een verrekijker echt duidelijk te zien, werd uit de kerktoren van Gangelt een witte vlag gestoken.

Theij Daemen




daem

Dit was geen zootje ongeregeld, maar de mannen van de Grenswacht die omstreeks 1939 in Schinveld op de Eindstraat, in de nabijheid van café Boesten, de grens bewaakten. De 4de man van links op de achterste rij is Nol Rademakers.
De man links op de voorste rij is Harry Kraaij, indertijd douaneambtenaar. Hij is naderhand getrouwd met M.J. Boesten, de vrouw links.
De koffie die door het café geschonken werd scheen bijzonder goed te smaken.



daem daem

Onverschrokken lieten de mannen van de Grenswacht zich bij
kapper Sjir Keijmes knippen en kieken.



daem

Deze platte wagens had men dwars over de Eindstraat geplaatst in de overtuiging dat de moffen er niet langs kwamen.
De personen op de wagen tonen in ieder geval nog ... geen angst. Uiterst rechts staat dhr. Boesten.



daem

Zoals bekend, trokken de Pruussen zich weinig aan van de Grenswacht en de versperring en gingen bij café Boesten ook op de koffie en ook nog eens trots op de foto.
De dames zijn vlnr: Nelly Marx, Paula Sajovec, Truda en Kit Boesten.



daem daem

Echter, op 19 sept. 1944 kwamen de Amerikanen.
Een tank en een jeep op het kruispunt Broekstraat-Beekstraat.
Een jeep met Yanks in de Broekstraat.
Het jongentje op de voorgrond is waarschijnlijk Ton Geraets.



daem daem

Helaas was de koffie op ...
Joseph Zillen en Lies Joosten bewonderden het wagenpark



daem daem

Men ging samen op de foto.
Billa Geraets, Dina Meijs en Sjeng Geraets.
En wederzijds op bezoek



daem daem

Op 11 mei 1945 herdacht men de in Rothem gesneuvelde Jan Mevis



daem

En de op de Kloosterlaan, tijdelijk, begraven Britse militairen.



daem daem

's Middags was er een grote bevrijdingsoptocht
Natuurlijk met vele Sjilvendse maedjes



daem daem

Bij gebrek aan pk's werd zelfs een oude koe van stal gehaald.
De wagen van Frans Reijnders (rechts op de bok).



daem

Gelukkig werd enige jaren later het contact met de andere kant weer hersteld.






email me
mailbus van Sjilvends
home
Begin van Sjilvends