Luuj van Sjilvend



Sjanse Hoebaer (Hubert Gielen) * 1-9-1860    † 15-12-1936
en zijn echtgenote
Maria Sophia Reijnders * 30-11-1864     † 18-11-1920






In Schinveld had vrijwel iedereen vroeger een bijnaam. De oorzaak daarvan was dat de families groot waren en in iedere familie en in iedere generatie een voornaam vaker voorkwam met als gevolg dat er in het dorp een groot aantal mensen rondliepen met dezelfde voor- en achternaam. Omdat roddelen toen ook al een dagelijkse bezigheid was, moest er iets bedacht worden om de duidelijkheid des persoons aan te geven en dat was de ... bijnaam.
Zo'n bijnaam was vaak van een bijkomstigheid afgeleid, van iemand zijn beroep, afkomst of bakermat. Soms zelfs van een lichaamsgebrek of aangewoonte, men was niet altijd fijngevoelig in die goede oude tijd.
Het was het middel bij uitstek om iemand feilloos aan te geven. De gratis voorloper dus van de huidige dure, ID-kaart.
Bij de persoon Sjanse Hoebaer, zal ik eerst uitleggen wat een ”sjans” is. De beste vertaling lijkt me het woord ”takkenbos”, maar niet iedere takkenbos kon als sjans gebruikt worden. Sjansen waren nooit van grenenhout. Sjansen werden hoofdzakelijk gebruikt voor het op temperatuur brengen en houden van bakkersovens, met meteen de opmerking dat er toen weinig bakkers waren, maar wel meerdere boeren die een eigen ”sjansenoven” in hun tuin hadden staan.
Sjanse Hoebaer was dus handelaar in sjansen en had om aan zijn handelswaar te kunnen komen grote stukken bos- en heidegrond in pacht, waarop hij het hakhout kon kappen. Zijn werkgebied strekte zich uit van Sittard tot Heerlen met inbegrip van de hele Brunssummerhei en de gemeentelijke Schinveldse bossen.
De sjansenhandel bleek zeer rendabel te zijn want Sjanse Hoebaer werd een man met groot maatschappelijk aanzien in de gemeente en was vele jaren kerkmeester.
Een van zijn huizen was een vakwerkhuis en is nadat het werd afgbroken weer opgebouwd en doet tgenwoordig dienst als ”Nonkebuusjke” (Het bosje van mijn oom).
”Nonkebuusjke” was eigenlijk ook een gevleugelde uitdrukking in het oude Sjilvendse. Iedereen had wel een Nonkebuusjke, hoewel bijna niemand bos bezat.
Waarschijnlijk door de aktiviteiten van Sjanse Hoebaer, die immers alle gemeentebos in pacht had, kon niemand zonder kwalijke gevolgen hout kappen in die bossen. Toch moest 's morgens het fornuis aangemaakt worden en het huis verwarmd en omdat de mensen arm waren moest dat zo goedkoop mogelijk.
Natuurlijk waren er ook mensen die een bos(je) in eigendom hadden. Het dorp was klein en de families groot, dus ... Werd men aangehouden met takkenbossen of aanmaakhout en was men niet op heterdaad betrapt, dan was dat hout gewoon afkomstig uit ”Nonkebuusjke”.


bron: ”Alles in 't plat 4” van Lej Dohmen






email me
mailbus van Sjilvends
home
Begin van Sjilvends