Een ongeluk ?






Dit is de familie van de Burgt uit Veghel omstreeks 1910. Deze familie vestigde zich later in de Mijnstreek.
achterste rij vlnr: Willem, Tinus (huzaar) en later ophaalmachinist op de Emma, daarnaast twee onbekende kinderen.
zittend o.a. de ouders en helemaal rechts staat Theo van de Burgt, over hem gaat deze geschiedenis.


foto en info Hein van de Burgt (nov. 2009)


De periode direct na de bevrijding van september 1944 tot de zomer van 1945 was ook in Schinveld niet zonder incidenten. Het ongenoegen over het optreden van de Duitse buren was groot, iedere Sjilvender had de ongemakken van vier jaar Duitse bezetting aan den lijve ondervonden en een soort revanche idee zal zeker wel aanwezig zijn geweest.
Na de bevrijding op 19 september door de Amerikanen was het front achter Gangelt in de richting Teveren tot stilstand gekomen en de Amerikaanse soldaten werden o.a. in Schinveld ingekwartierd. Voor de winter werden zij afgelost door de Britten en Canadezen. Een van de eerste daden van deze troepen was het evacueren van alle inwoners van de Selfkant en Gangelt naar kamp Vught. De Tommies wilden hun handen vrij hebben tijdens hun voorbereiding van de definitieve finale, het doorbreken van de Westwall.
In de Duitse geëvacueerde gebieden stond echter nog een gedeelte van de oogst op het land en aan Schinvelders werd toegestaan dat zij deze gewassen oogstten. Wel moest op het gemeentehuis van Schinveld opgegeven worden wat en hoeveel men van de akkers haalde. Waarschijnlijk was dat in verband met een zekere verrekening achteraf.
Ook het vee in de Selfkant was zonder verzorging achtergebleven. Koeien stonden in de weilanden te loeien om gemolken te worden, varkens, klein- en pluimvee dreigden te verhongeren. Alles was door de verdrevenen in de hoop der wanhoop gedwongen achtergelaten. Schinveldenaars en anderen ontfermden zich in de goede en kwade betekenis van het woord over deze veestapel.
Om plundering en vernieling van Duitse eigendommen te voorkomen was de toegang tot Gangelt en de andere ontruimde plaatsen verboden. Er was een Grensbewaking ingesteld, dat was een paramilitaire organisatie die in het grensgebied patrouilleerde en personen zonder geldig toelatingsbewijs verwijderde. Ook was er nog de plaatselijke politie, die nu zelfs bewapend was met Duitse karabijnen.
Zeker is dat deze plaatselijke politie bestond uit o.a. de leerling-agent Keulen en de agent van Haren.

Theodorus van de Burgt was mijnwerker en landbouwer. Hij bezat akkerland in de z.g. Baenje, een gebied tussen de Einderstraat en de Duitse grens, dat hij na zijn sjiechten (diensten) op de Staatsmijn Hendrik bewerkte.
Hij was op 4-9-1904 te Veghel geboren, getrouwd met Johanna van der Velden en het echtpaar had zes kinderen. De familie woonde in de Broekstraat, de huidige President Rooseveltstraat.
In het najaar van 1944 bewerkte Theo van de Burgt intensief zijn land. De bieten moesten gerooid en het land moest gereed gemaakt worden voor de winter. Nu er een einde was gekomen aan de Duitse bezetting liep hij niet meer het risico dat zijn oogst gevorderd of vernield werd. Misschien kon hij volgend jaar wel een gedeelte van de opbrengst verkopen - en toen kreeg hij zijn eerste aanvaring met de agent van Haren.
Van de Burght had met zijn paard en wagen een kleine omweg langs een Duits weiland gemaakt en een drinkbak voor het vee onder zijn bieten verstopt. Van Haren die de vracht niet vertrouwde gelastte van de Burgt zijn kar leeg te kiepen en zo kwam de drinkbak te voorschijn. Van de Burgt ging op de bon, echter de toon was gezet.
In het voorjaar van 1945 werd van de Burgt herhaaldelijk lastig gevallen en gecontroleerd door de agent. Hij had eenmaal een scheve schaats gereden en was nu steeds verdacht. De sfeer tussen de beide mannen werd er niet beter door en uiteindelijk waren het twee gekrenkte ego’s die tegenover elkaar stonden, getuige de volgende gebeurtenis.
Eind april 1945 kwam van de Burgt weer met zijn paard en lege kar van het land. Waarschijnlijk had hij geploegd. Tegen de zijkant van de kar hing de haverzak van het paard.
Het was vroeger de gewoonte om tijdens het werken op het land, na een bepaalde tijd een rustpauze in te lassen. Tijdens die rustpauze werd het paard de haverzak voorgehangen, zodat het dier kon eten om nieuwe krachten op te doen. Agent van Haren gebood van de Burgt weer halt te houden en wilde weten wat er in die zak zat die aan de kar hing. Van de Burgt was na zijn werk op de mijn en op het veld doodop en had geen zin in de pesterijen van een dorpsagent. Hij gaf ten antwoord dat van Haren dan maar bij hem thuis moest komen kijken als hij uitspande en zette zijn paard met een klak van de tong weer in beweging. Hij negeerde verder de agent die hem tierend op de fiets volgde.
Bij hem thuis aangekomen schudde van de Burgt voor de ogen van agent van Haren de rest van de inhoud van de haverzak in de haverkist. Het is toen tot een handgemeen gekomen tussen enerzijds de agent en anderzijds van de Burgt en twee van zijn oudste zonen. Volgens verklaringen van dezen heeft van Haren geprobeerd zijn dienstwapen te trekken, maar daarvan afgezien omdat er inmiddels ook andere getuigen op het toneel waren verschenen. Echter, toen hij het erf verliet schreeuwde hij luid: ”Ik krijg je nog wel van de Burgt … !”

3 Mei 1945. Theodorus was op zijn landbouwakker in het Baenje, achter de Einderstraat gaan ploegen. Een van zijn jongens Wiel, (14) en Mathieu een neefje (6), waren bij hem. Mathieu speelde op de kar.
Tijdens de arbeid hadden ze gezien dat de leerling-agent Keulen en agent van Haren op hun fietsen voorbij reden, de Duitse karabijnen aan de schouder, waarschijnlijk op inspectie naar de grens.
Van de Burgt en de jongens sloegen er verder geen acht op, er moest gewerkt worden.
Tijdens het ploegen hoorden de jongens een viertal schoten en namen aan dat de beide politiemannen een schietoefening hielden. Dit was niets abnormaals in die ruwe tijd. Ook de heer van Tongelen, destijds wonende aan de Broekstraat had de schoten gehoord. Enkele kogels vlogen zelfs tegen een gevel van zijn huis.
Inmiddels was het ploegen gereed en van de Burgt legde de jongens uit dat er nu haaks op de ploegrichting geëgd moest worden zodanig, dat de voetindrukken van het paard in de aarde niet meer te zien waren. Hij ging met het paard en eg aan de slag en viel plots neer.
Wiel en Mathieu renden naar hem toe, hij kon nog slechts iets onverstaanbaars mompelen en overleed, een grote schotwond in de buik. Een van de jongens rende naar de familie Marx om hulp, maar de toegeschoten dokter Meuwissen kon niks meer voor hem doen.
Drie dagen lang lag het lichaam van Theodorus van de Burgt op de post van het Groene Kruis voor onderzoek en sectie. Wie het onderzoek heeft uitgevoerd is nu niet meer bekend.
Een paar maanden later werd de zaak voor de rechtbank in Maastricht behandeld. De uitspraak was dat Theo van de Burgt was omgekomen door een verdwaalde kogel, afgevuurd door een onbekende schutter.
De familie van de Burgt heeft het nooit geloofd.

Hoe het verder ging:
Na de dood van haar man kwam de weduwe van de Burgt met haar zes minderjarige kinderen in grote financiële problemen. Ze ging in de zomer bij boeren in de omgeving werken en verrichtte alle voorkomende werkzaamheden, van het uitdunnen van de bieten tot het busselen van gemaaid graan. In de winter repareerde ze de kapotte juten zakken die de boeren haar brachten. Ook de kinderen moesten flink mee aanpakken, voor een schijntje werden bij boeren allerhande werkzaamheden verricht.
Een van de kinderen was gehandicapt, adequate zorg werd niet verleend in die tijd. Andere kinderen ontspoorden sociaal tengevolge van de omstandigheden waarin ze verkeerden.
De familie moest naar een andere woning verhuizen en kon daarvan op een gegeven moment de huur niet meer betalen. De gemeente (bij monde van een wethouder) stelde zich hardvochtig op en dreigde zelfs met uitzetting.
Uiteindelijk verkocht de weduwe in 1955 haar laatste bezittingen in Schinveld en ging met een van haar kinderen terug naar familie in Brabant. Johanna van der Velden overleed in 1987.








email me
mailbus van Sjilvends
home
Begin van Sjilvends