Albert Gelissen, Sjilvender en bioloog





gelis

De speeltuin van Schinveld eind jaren 30 vorige eeuw, met op de achtergrond de huizen van de Kloosterlaan, waaronder ook ongeveer in het midden, ons huis. Hier, in deze buurt, bracht ik mijn jeugd door.


De jaren van mijn jonge jeugd. 1936-1946.

Toen ik op 30 juni 1936 geboren werd in een van de gemeentehuizen aan de Kloosterlaan in Schinveld, was ik het verjaardagscadeau van mijn moeder voor mijn vader. Hij werd die dag 24 jaar en had net zijn houwersexamen met goed gevolg afgelegd. Ik was een stevige baby van negen pond. Er was al een broertje van twee, Theo. Voor mijn moeder was de bevalling van mij tevens de laatste die ze mocht meemaken. Er was inwendig het een en ander mis gegaan. Ze was plotseling incontinent en had regelmatig last van nierontstekingen, die haar frequent in het ziekenhuis deden belanden. Men kon er niet veel aan doen. Opereren vond men toen te riskant. Ze zal tot 1950 moeten wachten op een operatie in het ziekenhuis van Heerlen door Dr. Buitendijk. Deze durfde de zware operatie aan en hielp haar van alle kwalen af. De rechternier bleek helemaal niet meer te functioneren en lag los en verschrompeld in de buikholte. Dat verklaarde de zeer pijnlijke nieraanvallen, waarvan ik er een heel bewust heb meegemaakt. Ik was toen twaalf. Mijn vader en moeder waren zich eerst nog niet bewust van de ontstane inwendige problemen.
Na de geboorte werden de kinderen in ons dorp zo spoedig mogelijk gedoopt. De kindersterfte was toen nog erg hoog. De moeder kon er meestal niet bij zijn, maar de Peter en Meter, de vader en de grotere kinderen natuurlijk wel. Mijn Peter was moeder´s oudste broer Albert van Hoeije en mijn meter was Maria Theunissen – Keijmes, een zuster van mijn oma Helena van Hoeye-Keijmes. Oma Helena (Leenke) was in 1935 al overleden, 59 jaar oud, of beter 59 jaar jong.
Mijn vader, een zeer sportieve man en lid van de plaatselijke RK Sportvereniging Olympia, was een verdienstelijk turner en voetballer en interesseerde zich ook voor atletiek. Eind juli 1936 gaat mijn vader naar Berlijn om daar de Olympische Spelen mee te maken van 1 tot 16 augustus. Hij ziet Jesse Owens zijn vier gouden medailles winnen. Zelf een goed zwemmer, ziet hij ook hoe Rie Mastenbroek goud wint in het zwemstadion, op de 100 en 400 meter vrije slag. Op de 100 m rugslag wordt ze tweede achter Nida Senff, die ook een gouden medaille voor Nederland wint. Rie Mastenbroek wint een derde gouden medaille op de 4 x 100 m vrije slag met het Nederlandse team. Nederland wint voor Duitsland en de Verenigde Staten. Hij zal zijn sportvrienden vaak en veel over deze ervaring verteld hebben.
Hij bracht ook een paar boekjes mee uit Berlijn; het programma in de vorm van een schijf, een boekje met foto’s van de sportcomplexen en een fotoboek, dat liet zien hoe goed het ging met Duitsland onder Hitler en de Nationaal Socialisten. Heel veel vlaggen met hakenkruisen, maar gelukkig alles in zwart-wit.
1937 is een echt rampjaar voor mijn vader en moeder. Theo (Teike) krijgt op een zondag hoge koorts. De huisarts komt pas op maandagmiddag en vermoedt longontsteking. Teike moet direct naar het ziekenhuis in Sittard. Daar krijgt hij er ook nog roodvonk bij. Dat wordt zijn dood. Het jochie van drie was ieders oogappel. Hij was moedig en ging voor grotere kinderen niet opzij. Hij werd in een speciaal hoekje van het kerkhof in Schinveld begraven, tussen vele andere kindergraven. Een kleine steen met een engeltje markeert ook nu nog zijn graf.
gelissen gelissen
Het hoekje met het kinderkerkhof op de begraafplaats van Schinveld.
Rechts het grafje van mijn broer ”Teike”.
Op de linker foto de grafsteen van Mia Peters, het meisje dat in nov. 1944 t.g.v. een incident met een handgranaat het leven verloor.
Hiervan maak ik even verder melding.

Het verdriet van mijn vader moet erg groot geweest zijn. Teike leek op hem. Hij heeft alles wat aan hem herinnerde opgeruimd. Ik heb nooit iets gevonden wat van hem kon zijn geweest. Mijn vader ervaart veel steun van zijn vrienden,waarmee hij turnt en voetbalt. Hij werkt ondergronds op de Staatsmijn Hendrik en volgt vanaf april 1934 ´s avonds de Mijnschool in Heerlen. In maart 1936 krijgt hij zijn houwersdiploma. Van april 1936 tot april 1938 volgt hij de opzichterscursus aan dezelfde school. Hij slaagt voor het einexamen met een gemiddelde van 7. In juli 1938 krijgt hij het diploma uitgereikt, samen met zijn grote studievriend Joep Geilenkirchen. Deze laatste vertrekt al in 1939 naar Nederlands-Indië. Mijn vader wil daar ook heen, maar door het uitbreken van de oorlog in 1939 (Duitsland valt Polen binnen), lukt dat niet meer. Hij zal nog wat geduld moeten hebben, maar ze zien elkaar in Nederlands-Indië terug.
Inmiddels zijn mijn ouders in 1938 naar een andere woning verhuisd. Kruidenier Vromen had twee huizen onder een kap laten bouwen aan de Kloosterlaan. Wij woonden nu op 19A (25). Op 17 (23) woonde de familie Vliegen met al twee volwassen dochters. Aan de andere kant op 19B woonde de familie Scholten met twee zonen van 8 en 10 jaar. Het huis had de gebruikelijke indeling van die tijd. Beneden twee woonkamers, verbonden door een deur. Een vrij smalle keuken, waarin een flink fornuis en een aanrecht met kastjes er boven en er onder. Op het erf een ruime schuur, los van het huis, met achterin het ”huuske”. Dit kleinste kamertje had wel een porceleinen pot met houten bril, maar geen waterspoeling. Alles wat in de pot verdween kwam in de gierput terecht, die dan ook op gezette tijden geleegd moest worden.
Een badkamer was toen ook niet standaard en was dus ook niet aanwezig. Op zaterdagavond werd de zinken wasteil uit de schuur gehaald en in de warme keuken gezet. Op het fornuis stond de grote wasketel met warm water al klaar. Dan ging ik eerst in bad en aansluitend naar bed. Dan was het mijn moeder’s beurt. Mijn vader kwam elke dag fris gedoucht van de mijn thuis en deed dus niet mee aan het ritueel op zaterdag.
Mijn moeder beschikte over een houten wasmachine, een Miele met elektromotor, met daarop een elektrische wringer gemonteerd. Dat laatste was heel bijzonder en had alles met de gezondheid van mijn moeder te maken. Tussen schuur en keuken was ook een pomp met gootsteen aangebracht. Wij hadden echter al waterleiding en dus water uit de kraan. Bij onze buren was de pomp nog steeds in gebruik. In het dorp waren ook nog een aantal openbare pompen, waarop heel wat mensen waren aangewezen.
Op de bovenverdieping waren vier slaapkamers aan weerszijden van een gang, die eindigde bij de deur naar de zolder. De zolder werd vooral gebruikt voor het drogen van de was in de winter. Dan lagen er ook vaak appels, ”Belle de Boskoop” (Goudrenetten), want die waren het best houdbaar. Hier lagen ook enkele jaargangen van ”Panorama” van voor de oorlog. Het huis had ook een kelder, die vrij groot was, en bereikbaar via een deur in de gang, onder de trap naar boven.

Carnaval in 1939.

In 1939 trekt de eerste carnavalsoptocht door de Schinveldse straten. De carnavalsvereniging ”de Zanjdhaze” mocht op de elfde van de elfde van 1938 een Prins leveren . Er werd een mooie wagen voor hem gebouwd. Mijn oom Fons was ook present met een wagen, volgeladen met vier Schinveldse schonen, in mooie blauwe jurken. Hijzelf ment het paard in een geel, met zwart afgebiesd, jasje . Een gele pet met zwarte klep en dito broek completeren zijn tenue. (Het jasje heeft in ons huis de oorlog overleefd en in 1946 droeg ik het tijdens de eerste carnavalsoptocht na de oorlog). Men had ook een eigen carnavalsschlager gemaakt op de melodie van een Duitse schlager van toen: ”Kornblumenblauw sind die Augen ...”, etc. Dat was dus tevens het motto van de wagen van mijn oom. Op een andere wagen zat een cowboy boven op een koe, klaar voor deelname aan het koerennen. Achter de koe een bevallige dame met een geit, die, volgens de daarbij horende tekst, opgelaten moest worden. Het oplaten van ”de geet mit un gestrikt udder”, is later een vast onderdeel van de carnaval in Schinveld geworden. Zonder het verleden is het heden niet te begrijpen.


gelissen gelissen

De optocht van 1939. (1ste vastenavondsoptocht in Schinveld).
Op de linker foto de wagen met het motto "Korenblumenblau.
vlnr staan. Funs van Hoeije, Nel en Diny Schröder en Gertrud Boesten.
De wagen met de geit oplaten en het koerennen.
De personen zijn helaas onbekend.


Mei 1940. De Duitsers vallen ook Nederland aan.

In 1939 vallen de Duitsers Polen binnen; het begin van de 2e wereldoorlog. Nederland kondigt een algehele mobilisatie af. Hub Schrõder wordt soldaat en velen met hem. Een aantal vrienden van vader zijn in dienst en lopen al een aantal maanden in uniform rond. Ze zijn gemobiliseerd. Ook als ze een weekeinde thuis zijn. Mijn vader was vrijgesteld van dienstplicht. Omdat hij wees was, vermoed ik. Rotterdam wordt door de moffen gebombardeerd en dan volgt heel snel de capitulatie. Onze straat, de Kloosterlaan, wordt door de Duitsers gebruikt om ons dorp binnen te trekken. Samen met mijn moeder sta ik, als bijna vierjarige, bij het hekje in de voortuin, naar het voorbij trekken van de militaire colonnes te kijken. Ik herinner me veel, heel veel paarden. Een vriendelijke soldaat te paard maakt tijdens een korte pauze aanstalten om mij op zijn paard te zetten. Dat was volgens mijn moeder helemaal niet de bedoeling. Ze pakte me op en vloog naar binnen. Veilig vanachter het raam mocht ik verder kijken.
Een Duitse motorordonnans slipte in het grint bij de kruising van de Mariabergstraat en de Kloosterlaan. Hij brak een been en dat veroorzaakte heel wat consternatie. De colonne werd een hele tijd opgehouden. Dat zijn een paar momenten die ik heel goed heb onthouden. De Duitsers bleven niet in het dorp, maar trokken verder.
Het leven lag een paar dagen stil. Maar al gauw ging mijn vader weer op zijn fiets naar de mijn en ik vermaakte me thuis bij mijn moeder en het dienstmeisje. Ik speelde nu ook regelmatig met het oudste zoontje van Stani en Thomas Wojtkowiak, Stephan. Hij was een paar weken ouder dan ik. Onze moeders hadden elkaar tijdens hun zwangerschap goed leren kennen.
Het zou vier jaar duren, voordat we de Duitsers weer voorbij zouden zien komen. Maar dan de andere kant uit richting Duitse grens.

De RK Kerk als cement voor een gemeenschap. Tradities, rituelen en kunst.

Vanaf 1942, het jaar waarop ik voor het eerst naar school ga, wordt mijn jonge leventje voor een groot deel bepaald door Kerk en School. Voor schoolbegin, ging ik elke dag naar de kerk. Ik deed dat graag, zelfs in de vakantiemaand augustus. Voor de maand augustus kregen we een knipkaart. Als die vol was kreeg je van juffrouw de Bok een mooi bidprentje. Een kinderhand was toen nog gauw gevuld.
De kerk was het mooiste gebouw van het dorp. Daar werd gezongen en mooi ook. Het herenkoor en het jongenskoor mochten in de kerk zingen. Gemengde koren waren toen nog taboe. Door de week waren het bijna altijd stille missen. We hadden een pastoor, al oud van jaren, en twee kapelaans, nl. pastoor Greijmans, kapelaan Schrijnemakers en kapelaan Kusters. De Kleine Katechismus was ons geestelijk handboek. Daar stonden de vragen in die eventueel bij je konden opkomen. Ook de antwoorden hoefde je niet zelf te verzinnen, want die stonden er mooi bij. ”Waartoe zijn wij op aarde?”
”Om met de kruiwagen te rijden en belasting te betalen, ” antwoordde een brutaaltje uit de gemeentehuizen.
Voor hem, en waarschijnlijk ook voor zijn vader, was dat de werkelijkheid. Hij kreeg van de Meert een draai om zijn oren. Het was niet de bedoeling dat je zelf het antwoord verzon.
gelissen gelissen gelissen
Juni 1942.
Links: Ik word dan 6 jaar en krijg van mijn oom Funs een autoped.
Midden:
Mijn vader gaat op retraite in Spaubeek. Volgens gebruik ging men regelmatig (om de paar jaren) op dit geestelijk seminar. Mijnwerkers kregen er zelfs vrije dagen voor.
vlnr staan: Johan Schröder, Hein Meijs en mijn vader.
Rechts: In 1943 doe ik de communie.

De katechismus moest je van buiten leren; voorwaar een goede geheugentraining. Ik wist al vroeg het verschil tussen kerkelijke geboden en de tien geboden, dank zij mijn vader. Als er gewerkt moest worden, dan was de kerk erg scheutig met dispensaties betreffende de kerkelijke geboden. Als mijnwerker hoefde hij niet te vasten en ook niet te onthouden. Als je op reis was hoefde je ook niet naar de kerk, wist hij mij te vertellen.
Mijn moeder was veel volgzamer in de leer. Zij had een goed houvast aan het geloof. Ze was een uitstekende moeder voor haar zoon en een zorgzame echtgenote voor haar man.
Op de lagere school waren de godsdienstlessen goed aan mij besteed. Net als mijn moeder was ik gevoelig voor de boodschap van het nieuwe testament en het theatrale van de vieringen. Goede organisten en prachtige mannenkoren, de uitvaarten, de prachtige sacramentsprocessies door het hele dorp; door de prachtig versierde straten met lopers van gekleurd zaagmeel en vlaggetjes aan de ”bronkpaaltjes” langs de hele route. Met deelname van de harmonie, de fanfare, diverse zangkoren en zelfs de schutterij.
De eerste twee met opeens een heel ander repertoire dan gewoonlijk tijdens concoursen en andere rondgangen door het dorp. De priester, lopend onder een baldakijn gedragen door vier dragers en geflankeerd door drie lantaarndragers, torste de zware monstrans en was de enige die over de loper liep. De communicantjes liepen voor in de stoet in hun prachtige witte jurkjes; de jongens in hun beste pakje. De oudere meisjes liepen met vleugels en in het lang; dat waren de engelen. Ook was er een heus maagdenkoor in prachtige lange jurken en met bloemenkransen in het lange haar. Ze droegen allerlei ornamenten met zich mee. Symbolen van het kerkelijk leven, die soms heel ver teruggingen in de kerkgeschiedenis.
Veel mensen zetten een met bloemen versierd beeld van de H. Maria of een H. Hartbeeld in het portaal van de voordeur of voor het raam in de goede kamer. Zij hoorden er waarachtig ook bij. Voor de oorlog gingen ook de Nederlandse vlaggen uit. Dat mocht dus nu tijdens de bezetting door de Duitsers niet. Die lagen nu ergens diep in de kasten verstopt, wachtend op betere tijden.
gelissen gelissen
Taferelen uit een z.g. grote Bronkprocessie van vlak na de oorlog
Links, bruidmeisjes met een ornament.
Rechts, een z.g. rustaltaar. In dit geval een geopende voordeur waarin een versierd H. Hartbeeld is uitgestald.

Het andere leven in een bezet dorp.

In de oorlog merkten we niet zo heel veel van de Duitse bezetter. Zeker niet als kind. Thuis hadden we radiodistributie via een kabel, die bovengronds hoog langs de huizen bevestigd was. Op een keukenkastje stond een echte radio, maar die was kennelijk defect. Het zal in 1942 geweest zijn toen die radio plotseling verdwenen was. Kort tevoren was er bevel uitgevaardigd door de bezetter, dat alle radio’s ingeleverd moesten worden bij het gemeentehuis. Onze burgemeester Adams voerde dit bevel braaf, maar niet al te fanatiek, uit. Mijn vader had het oude toestel geruild voor een oude overjas. Iemand heeft dit toestel ingeleverd in plaats van zijn eigen goede toestel. Daarmee is dan waarschijnlijk tijdens de rest van de oorlog clandestien naar de BBC geluisterd. Van de oude jas maakte een kleermaker op de Eindstraat voor mij een nieuwe overjas. Ik liep er weer warmpjes bij in een ”gekeerde” en vermaakte jas.
Een ander aspect van de oorlog dat ons als kinderen beroerde, waren de filmvoorstellingen in het patronaatsgebouw, verzorgd door de propagandadienst van de Duitsers. Er hingen posters voor de ramen van de winkels in het dorp, om de eerste film aan te kondigen. Het was de verfilming van een bekend Duits sprookje met een kleermaker in de hoofdrol. Ik mocht er van mijn vader niet heen. Een maand later was er weer een sprookjesfilm. Nu was het ”Sneeuwwitje en de zeven dwergen”. Op een of andere manier kreeg ik gedaan dat ik er heen mocht. Het was de eerste film die ik ooit zag. Geweldig. Ik zal enthousiast thuisgekomen zijn. Voortaan mocht ik elke maand.
Ik herinner me nog een sprookjesfilm: ”Knuppel uit de zak”. Een timmermansleerling trekt door het land van baas naar baas en krijgt na elke leertijd een kado van zijn baas. Van de een krijgt hij een ezel, die geldstukken kan ophoesten, van de volgende een bijzonder tafeltje. Na de woorden : ”Tafeltje dek je,” staat de tafel vol lekker eten. Van zijn laatste baas krijgt hij een flinke knuppel en een leren zak. De knuppel moet hem tegen rovers beschermen. Op het commando: ”Knuppel uit de zak,” doet de knuppel zijn werk en slaan de dieven op de vlucht. Een prachtige spannende film.
De laatste film die de Duitsers vertoonden was ”Gier Wallie”. Een adembenemende film over een gier, die een baby steelt en naar zijn nest, hoog in de bergen, brengt. En Wallie, de moeder die zowel de gier als de baby weet te redden.
Op een bepaald moment in de oorlog, ik denk in 1943, kregen we opeens sinaasappels op school. Mijn oom Fons die groenteman was, had al jaren geen sinaasappels of bananen meer op zijn wagen. Nu waren ze er ineens. Onze buurman verzamelde de schillen om er een speciaal drankje van te maken. Ik zat toen bij meester Sjang Peters in de tweede klas van de Eligiusschool, een jongensschool in een mooi gebouw van een bekende architect. Op een bepaald moment was de verstrekking van sinaasappels weer afgelopen.
In de winter van ’42 op ’43 moest ik met longontsteking een aantal weken in bed blijven. Het was winter en er lag veel sneeuw. Ik lag in de achterkamer voor het raam met uitzicht op de konijnenhokken op het besloten erf. Door de openstaande deur in de groengeverfde schutting kon ik het tuinpad af kijken. Ergens op dat tuinpad stond een ronde tenen korf, omgekeerd op een houten stokje. Aan dat stokje zat een lang touw, dat ik binnen in mijn hand hield. Onder de korf lagen wat broodkruimels. U raadt de bedoelingen van deze kleine, zich vervelende, ondernemer. Ze trapten er niet in: de merels, de spreeuwen en de mussen.
Ik maakte tussendoor heel wat tekeningen van o.a. vliegtuigen, die vanuit de lucht op auto’s, huizen en mensen schoten. De oorlog was nu steeds duidelijker aanwezig. Vooral in de lucht. ’s Morgens vonden we vaak massa’s papieren strookjes beplakt met zilverpapier. Volgens mijn vader was dat om de radar van de Duitsers te storen. Op een nacht vielen er een aantal bommen in enkele weilanden net buiten het dorp. De volgende morgen zagen we daar een viertal kraters. Kraters die al vol water stonden. Al rondstruinend vonden we af en toe ook een afgeworpen benzinetank. Er werden ook wel eens pamfletten uitgegooid, met o.a. mededelingen over concentratiekampen. Stef, mijn vriend, had zo ’n pamflet gezien. De Duitsers verspreidden ook pamfletten, waarin ze waarschuwden tegen het oprapen van voorwerpen. Ik herinner me een tekening op een pamflet van een vulpen, die bij aanraking zou ontploffen.
Ergens in 1943 ontsnapte de familie Gelissen aan een grote ramp. Op een nacht werd ik wakker, doordat mijn moeder mijn slaapkamer kwam binnengerend. Op de gang hoorde ik mijn vader zeggen: ”Ach Mia, laat hem maar. Het is al te laat.” Met een hels kabaal vloog een vliegtuig laag over ons huis richting Duitse grens. Terwijl we de trap afliepen, hoorden we een paar ontploffingen en toen was het weer stil. Maar niet lang, want weldra kwamen de Duitsers in actie. Er kwamen een aantal wagens vanuit het dorp, voorbij ons huis richting de Duitse grens. Na een beker melk voor de schrik, ging ik weer naar bed.
De volgende dag waren de buurjongens al vroeg in de buurt van het neergestorte toestel, een Engelse bommenwerper, geweest en hadden mica en stukken roodgekleurd, schuimrubberen isolatiemateriaal bemachtigd en mee naar huis genomen. Vlak achter het laatste huis aan de Boschweg, (Julianastraat), het huis van de familie Splitthoff, was een bom in een hakhoutbosje gevallen. Nog diezelfde dag stond ik met mijn vriendje Stephan Wojtkowiak, die aan de Boschweg woonde, aan de rand van een flinke krater, waar al een flinke laag water in stond. We waagden ons ook in de richting waar we dachten dat het vliegtuig was neergestort. De Duitsers hadden echter al de wijde omgeving afgezet, zodat we maar een paar grotere wrakstukken vanuit de verte te zien kregen. De buurjongens, Jacob en Hein Scholten, waren 15 en 13 jaar en handig. Van het isolatiemateriaal maakten ze slippers om op te lopen. Schoenen waren op de bon en van slechte kwaliteit.
Ik kan me ook een paar nieuwe schoenen herinneren, die ik op een zondag, tijdens een regenbui aan had. Tijdens het lopen naar de kerk, raakte ik mijn zolen kwijt. Ze bleken niet van leer, maar van geperst karton te zijn. We liepen dan ook meestal op klompen, verzoold met een stuk rubber van een ondergrondse transportband. Zo gingen de klompen langer mee. Bovendien plakte de sneeuw niet aan de onderkant van je klompen. In het andere geval zat er al gauw een kluit sneeuw van 20 cm onder, en dat liep niet prettig.
NB. Dit toestel blijkt een Lancaster bommenwerper te zijn geweest, die door een Duitse jachtvlieger in de buurt van Sittard in brand is geschoten in de nacht van 14 op 15 juni 1943. Er waren 7 bemanningsleden aan boord, waarvan er 5 zijn omgekomen. Twee zijn, zwaar gewond, gevangen genomen; een Engelsman en een Canadees. De vijf doden waren allen Australiers. Ernest Booth, de Canadeese piloot, is na de oorlog weer thuisgekomen. De zwaargewonde Engelsman is al tijdens de oorlog tegen Duitse piloten uitgewisseld via het Rode Kruis. Het toestel was gloednieuw en op zijn eerste vlucht naar Duitsland met flink wat bommen voor, waarschijnlijk, het Roergebied.
Een uitgebreid verslag van die gebeurtenis van toen, vind je hier: - de EE167 Schinveld - (klikken)

Hoe en waarmee vermaakten wij kinderen ons tijdens de oorlog?

Tijdens de oorlog was er moeilijk aan speelgoed te komen. Ik had geluk. De zolder van de buren, de familie Scholten, stond vol met vooroorlogs speelgoed. De twee jongens waren in het bezit van een toverlantaarn met heel veel mooie plaatjes, een stoommachine, een Tom Poesspel en dito boekjes, een Monopolie-spel. Op zolder lagen prachtig gekleurde vliegers. Er stond ook een hobbelpaard en nog veel meer. Op regenachtige woensdagmiddagen mochten Stef en ik vaak bij de jongens gaan spelen. Daar hebben we van genoten. Zelf had ik een autoped, gekregen van mijn oom Fons, de groentenman. Hij was de jongste broer van mijn moeder en was een tijd lang bij ons in de kost. Ik had ook een blikken haas, die je kon opdraaien en laten lopen. Ook herinner ik me een grote stoomwals van blik. Leesboekjes voor kinderen waren bijna niet te krijgen. Sinterklaas had echter een keer een verrassing in petto, "Don Bom Bassie, de Brave Boef”, met een omslag in zwart, geel en rood, werd mijn trotse bezit. Verder waren er boekjes van Tijs Wijs, de Torenwachter en de strips van Sjors van de Rebellenclub. Ook de avonturen van Monki en niet te vergeten de Dik Bos-boekjes, die van hand tot hand gingen.
Op onze zolder lagen gelukkig nog dikke stapels van het weekblad Panorama, met heel veel foto’s. Daar kon ik uren in bladeren en later ook lezen. Toen we zelf nog niet lezen konden, las mijn moeder Stef en mij voor uit de krant. We hadden een grote voorkeur voor de avonturen van Tom Poes en Heer Bommel, van Maarten Toonder.
De Poolse moeder van Stef sprak Frans, Duits en Pools maar geen Nederlands. Van mijn moeder leerde ze allereerst Limburgs, want dat was de voertaal in ons dorp. Later pikte ze het Nederlands ook aardig op, via de krant. We waren vier jaar, toen Stef en ik samen gingen optrekken. We speelden en verkenden samen de omgeving. Toen we vijf jaar werden, mochten we naar de bewaarschool, gerund door de zusters Franciscanessen van het klooster aan de Kloosterlaan. Drie dagen waren we te gast bij zuster A La Coque en haar klas van vijftig kinderen. Daarna hielden we het voor gezien en gingen het vrije leven weer tegemoet. Nog een jaar genieten van de vrijheid; genieten van de bossen, de hei, de weilanden met hun kikkers en salamanders in de sloten. Stef moest niets van kikkers en salamanders hebben.
In de achterste helft van onze achtertuin mocht ik graven zoveel als ik wilde. Tuinieren op zandgrond, waar altijd heide op gestaan heeft, had weinig zin. Zodoende was de helft van de tuin voor mij. Grenzend aan het huis was er wel nog een stukje moestuin. De grond had daar zijn vruchtbaarheid verkregen door bemesting met de inhoud van onze beerput. Ik groef kuilen, waar ik helemaal in verdween en weer met moeite uit kon komen. Na de eerste laag teelaarde zat ik al snel op een harde, bruin-zwart gekleurde laag. Daarna ging het graven iets gemakkelijker. Eerst nog door een laag van geel, grof zand. Dan zat ik op het witte zand. Later leerde ik dat deze typische gelaagdheid ontstaat door inwerking van de struikheide (Calluna vulgaris).
Toen ik negen was, werden de kuilen hutten, met een dak van takken, bedekt met zinken platen, afkomstig van oude wasteilen en wasketels, die in de hakhoutbosjes aan de Bouwbergstraat werden weggegooid. We speelden heel vaak vlag veroveren met de andere kinderen uit de straat. Dat gebeurde dichtbij het huis van Stef. Ook daar werden flinke hutten gegraven. Op weg naar school werd in de knikkertijd volop geknikkerd. In het begin van de oorlog waren er nog mooie glazen knikkers te koop, maar later waren ze klein en van klei gebakken.
We maakten ook veel dingen zelf, zoals fluitjes, proppenschieters (klabussen) van de stam van de vlier met een stamper van de eik, bootjes van een oude klomp, vliegers van krantenpapier en kleine bootjes van dennenschors. Aan de voet van de Mariaberg en de Keizersberg, in de Duiker, stroomde de pikzwarte Rode Beek onder de weg door in de richting van het dorp. Pikzwart van het kolenslib, dat er via de Staatsmijn Hendrik, als afval, in terecht kwam. Bij deze duiker konden we de bootjes te water laten.
Van papier en elastiek van oude fietsbanden werden ballen gemaakt. Ook lieten we propellers van blik door de lucht suizen met zelfgemaakte lanceerinrichtingen. Een veel gebruikt instrument was de katapult, maar meer in gebruik bij de oudere jongens. Die schoten daarmee o.a. op de wit-porceleinen ”potjes” aan de palen van de electrische bovenleiding. Ook op de mussen en spreeuwen, die op de draden zaten, werd vaak geschoten. Voor de fluitjes gebruikten we wilgentakken; voor de proppenschieters dikkere takken van de vlierstruik, die we alleen vonden in het bosje op de Vossenberg. Voor het maken van kleine vliegers, gebruikten we dunne takjes van de vuilboom of duivelskers. Het papier werd gelijmd met een gekookte aardappel. We waren ook regelmatig te vinden in onze speeltuin, de grootste en de mooiste van Zuid-Limburg. Maar daarover later meer.
Op bepaalde tijden van het jaar zag je alle jongens opeens weer met hoepels op straat, dan weer was het sigarenbandjes ruilen. De meisjes hadden hun springtouw of speelden kaatsebal met 3 en soms wel met 4 ballen. Op de onbetegelde stoep voor ons huis speelden we vaak landjepik en er werd ook veel gehinkeld. Op mooie zomeravonden, als er veel kinderen op straat waren, werd de hele straat gebruikt voor ”overlopertje”. Daar kon iedereen aan mee doen. Drie vakken, met in het middenvak de tikkers en in de 2 andere vakken de 2 partijen. Zij moesten naar het andere vak zien te komen, zonder afgetikt te worden door de middenvakkers.

gelissen gelissen
Zomer 1939 in het zwembad Blankevoort bij Heerlen.
Op de linker foto de familie Pieper met boven de dames en beneden vlnr: Jo Pieper, Ben de Vries en Theo Pieper.
Op de rechter foto oa. mijn vader Joep Gelissen, Jo Pieper en Ben de Vries.

Er was geen zwembad in Schinveld. Voor de oorlog ging mijn vader met zijn vrienden in Gangelt zwemmen. De grenzen waren toen open en het was niet ver. Er werd daar gemengd gezwommen. In de Limburgse baden was dat niet toegestaan. Mijn vader was een goed zwemmer en wilde ook mij het zwemmen leren. In de oorlog kwam daar niet veel van. Met zijn vrienden ging hij wel naar een groot bad tussen Brunssum en Heerlen, Blankenvoort genaamd. Na de bevrijding heb ik daar ook een keer samen met mijn buurjongens Jacob en Hein Scholten, gepierebad, want zwemmen kon je dat niet noemen. In de zomer van 1946 kon er ook in Brunssum gezwommen worden. Aan de rand van de Brunssummerhei, niet ver van het voetbalveld van Limburgia. Als het eens een keer mooi weer was op een zondag in de zomer, dan nam mijn vader me achterop de fiets mee naar het zwembad in Brunssum. Dat is niet zo vaak voorgekomen en de pogingen van mijn vader om mij zwemmen te leren leden daardoor schipbreuk. We zullen later zien, dat hij het toch niet opgeeft, maar dan zitten we in een ander deel van de wereld.
In het voorjaar van 1944 begon mijn vader in de tuin te graven. Dat was nog niet eerder gebeurd. De tuin was voor mijn moeder en mij. Het werd wel een behoorlijk groot en diep gat. In het bos werden flink wat dennenbomen gekapt voor de wanden en het dak.
Als iemand gevraagd zou hebben: ”Waar komt dat hout vandaan?”, dan zou elke Schinveldenaar geantwoord hebben: ”Oeet nonke buusjke”. Vrij vertaald: Uit het bosje van mijn oom. Het toeval wil, dat mijn vader inderdaad ooit een stukje bos had geërfd en waarschijnlijk ook nog van een oom. Die vraag werd wel eens gesteld door een nieuwe veldwachter, maar die wist al heel snel, wat het stereotiepe antwoord zou zijn.
De hut kreeg een ingang en aan de andere kant een nooduitgang. Het verschil tussen de ingang en de nooduitgang was: bij de ingang waren er treden naar beneden en de nooduitgang had die niet. Op het dak kwam een bult zand van anderhalve meter. Het geheel noemde hij nu schuilkelder. Hij zei er ook bij, dat als er een bom óp zou vallen, wij dat niet zouden overleven. Klare taal ! Ook de kelder in het huis werd van extra stutten voorzien. Dat was de mijnwerker in mijn vader wel toevertrouwd. Hij had nu de pijler in huis. We waren klaar voor de dingen, die zouden kunnen komen.
Als ik mocht kiezen, zou ik voor de kelder kiezen. Daar stonden de rekken vol met eten in weckflessen. Daar had mijn moeder voor gezorgd.

De dag van de bevrijding van Schinveld en wat er aan voorafging.

En er gebeurden dingen, grote dingen in de zomer van 1944. Dagenlang trokken Duitse colonnes aan ons huis voorbij. Nu kwamen ze vanuit het dorp de Berg op via de Kloosterlaan, en trokken via de Bouwbergstraat richting Waubach. Terug naar de Heimat. Een gedeelte van de troepen bleef deze keer achter in het dorp. De jongensschool, mijn school dus, werd door de Duitsers gevorderd. Met onze tweede klas kwamen we in een winkelpand aan de voet van de Kloosterlaan terecht. Het was de winkel van Kuubke Jansen, de fietsenmaker. Niet voor lang want het was gelukkig bijna vakantie.
Ook in de bossen aan de Bouwbergstraat lagen Duitsers in hun tenten. Er kwam een Duitse officier langs de huizen en belde aan om te vragen of er ook officieren ingekwartierd konden worden. We gingen als jongens wel af en toe eens kijken naar de kamperende Duitsers. Vanaf de weg kon je wel het een en ander zien, maar toenadering hebben we nooit gezocht. We bleven liever wat op afstand en in de buurt van ons huis en zochten daar ons vertier.
Op 1 september 1944 begon de school weer. Stef en ik waren met een heel goed rapport over naar de 3e klas. Nu werd de heer Custers, uit Brunssum, onze meester en we kregen les in het patronaatsgebouw op de hoek van de Dorpstraat en de Eindstraat. Wij, van de 3e klas, zaten op het toneel en de vierde klas, van meester Meertens, zat in de zaal, dichtbij de ingang. Zo hadden we niet al te veel last van elkaar. In het speelkwartier moesten we naar het steegje bij het kerkhof. Achter de hoge meidoornheg konden we daar een frisse neus halen. Er viel niet veel te spelen. We misten onze mooie speelplaats met de hoge bomen, die mooi als doelpalen konden dienen voor het voetballen. Hier bij het kerkhof viel niet te voetballen, trouwens een echte bal hadden we ook niet meer. Een flinke prop papier, omwikkeld met afgedankt rubberen weckringen, diende al enige tijd als voetbal. Tikkertje spelen kon er nog net. Als het regende bleven we lekker binnen in de zaal. Tot aan de bevrijding, rond 16 september 1944 bleven we in het patronaatsgebouw.
Na de bevrijding zaten we al gauw weer in ons mooie schoolgebouw. Meester Custers was een goede onderwijzer en ging prettig met ons om. Stef en ik hoorden ook hier weer bij de besten van de klas en gingen eind juli 1945 over naar de 4e klas. Inmiddels was de oorlog afgelopen en alle militairen waren weg. De restanten van hun aanwezigheid waren er nog volop. De Engelsen hadden heel veel zakken met kruitstaafjes achtergelaten. Dat bleek prachtig speelgoed. Je kon er jerrycan’s mee opblazen. Melkblikjes werden rondvliegende raketjes. Kortom, nu was het aan ons jongens om oorlogje te spelen. De oude geschutsopstellingen bleken een goede basis van waaruit wij, jongens van de Berg, oorlogje konden spelen met de jongens van de Heistraat, beneden in het dorp.
Achter de huizen aan de Kloosterlaan liep een vrij brede zandweg tot aan de Heistraat. Hier hadden we vrij spel. Een aantal van ons had een helm op. Er was zelfs een zwarte Belgische helm bij. Als wapens werden vooral stenen gebruikt. Daar werd mee gegooid of ze werden met een katapult verschoten. Onze aanvoerder, Ben Bijlebijl, een sterke knaap van vijftien, had een vlaggestok als geheime wapen. Toen de vijanden ons fort te dicht genaderd waren, werd dit wapen ingezet. Met zijn allen, hij voorop met zijn lans, liepen we op de vijanden toe, die toen gauw rechtsomkeert maakten en wegrenden. We staakten de achtervolging pas, toen ze de brug over de beek over waren. Wij hadden gewonnen! De Berg was weer van ons.
Er stond maar een huis aan deze zandweg. Dat was het huis van Drikske Hamers. Zij lieten ons rustig begaan, maar ze zullen zich ook wel eens achter hun oren hebben gekrabd.
We moeten weer even terug in de tijd. Half september 1944 werd de situatie kritiek. Steeds meer Duitse soldaten verlieten het dorp. Er kwam een dag dat mijn vader niet naar de mijn ging. Vandaag stond er iets te gebeuren. Op sommige kruispunten hadden Duitse soldaten schuttersputten gegraven, maar bij ons in de straat werden die al snel verlaten. De grens was ook zo vlakbij. Mijn vader stond op de bovenverdieping op de uitkijk. Hij had daar uitzicht op de akkers aan de westkant van Schinveld. Opeens riep hij: ”Kom hier, ze komen er aan !” In de verte op de akkers zag ik zwarte stippen. Naast elke stip een aantal kleine stipjes. ”Dat zijn de tanks met soldaten die er naast lopen”, verklaarde mijn vader. ”En nu gauw naar beneden en naar de schuilkelder in de tuin.”
Mijn moeder had al van alles naar de schuilkelder gebracht. Er was eten en drinken, en er waren wat oude dekens om een beetje warm te blijven. Mijn vader stond bij de ingang en hield van daaruit de boel in de gaten. In de verte werd er geschoten. Een paar granaten vlogen onze kant uit, maar ontploften niet. Verder bleef het ijzig stil. De tegenstand was kennelijk gering. Na een uurtje gaf vader het sein veilig en gingen we weer ons huis binnen. Inmiddels liepen er al wat meer mensen op straat. Plotseling hoorden we het geluid van een auto op de Mariabergstraat en even later zagen we een apart voertuig, met drie soldaten er in, op ons af komen. Ze stopten vlak voor de kruising met de Kloosterlaan. Al gauw werden ze omringd door de mensen die op straat liepen. De soldaten in de ”jeep” deelden sigaretten en chocola uit. Met mate, want zelf hadden ze ook niet veel. Zij waren verkenners van het tankbataljon, dat we in de verte hadden zien aankomen.
Vanuit het houten huisje van Selker, gelegen binnen het complex van speeltuin en voetbalveld, kwamen een aantal personen naar buiten. Daaronder twee mannen, die niemand hier ooit gezien had. Het bleken Joodse onderduikers te zijn, die al een aantal jaren bij de familie Selker een ideaal onderduikadres hadden gevonden. Opeens begrepen ik wat beter, dat we altijd precies om vijf uur uit de speeltuin moesten zijn. Deze mensen konden dan ongezien buiten een wandelingetje maken.
Die speeltuin was het kroonjuweel van het dorp. Voor ons kinderen was het elke dag kermis. De speeltuin lag aan de Mariabergstraat, op een helling, die deel uit maakte van de met heide begroeide Keizersberg. Er was een heel grote zandbak, gedeeltelijk in de helling uitgegraven en omzoomd met berkenbomen. Er was een heel grote, houten glijbaan. Je gleed, zittend op een klein cocosmatje, met een flinke vaart naar beneden. Er waren ook een viertal huisjes, waarin tegen zon en regen geschuild kon worden, en met banken en een tafel om te zitten en te picknicken. Van daaruit konden de moeders hun kroost in de gaten houden. Daar waren ook de schommels voor de kleintjes. Hogerop waren de grote schommels (schuitjes) voor de wat grotere kinderen. Er was zelfs een echte kabelbaan, een ”kettingcarousel” (een draaimolen met stoeltjes aan lange kettingen), twee familieschommels, een schuine draaischijf, etc..
Langs de bovenrand van de speeltuin stonden een aantal behuizingen voor dieren. Links boven een grote, witte konijnenburcht. Dan kwam de ingang. Daarnaast een voliere met goudfazanten en andere vogels. Daarnaast was een apart hok met een puntdak voor een paar eekhoorns. Midden in dat hok een draaitrommel, die door een in de trommel hollende eekhoorn rondgedraaid kon worden. Bijna zou ik de pauwen vergeten, die meestal vrij in de tuin rondliepen. Er was ook nog een ren met krielkippen en kalkoenen. Net als de pauwhaan kon ook de kalkoenhaan zijn staartveren prachtig opzetten, om daarmee de vrouwtjes, maar ook de bezoekers, te imponeren.
Er was ook een duivenhok op een paal, met sierduiven. Het voetbalveld grensde aan de speeltuin, slechts gescheiden door een pad. Het veld lag anderhalve meter hoger dan het pad, boven op de heuvel. De combinatie van sportveld en speeltuin was natuurlijk ideaal. Als Olympia een wedstrijd speelde gingen de vaders met hun zonen kijken en de moeders gingen met de andere kinderen naar de speeltuin. Schinveld had deze speeltuin te danken aan de visie en inzet van een van de kapelaans, rond 1930. Hij zal tussen 1936 en 1939 aangelegd zijn.
Nadat we van de verbazing over de onderduikers bekomen waren, gingen we verder de straat in . Er bleek toch schade te zijn aangericht in onze straat. Bij een van de gemeentewoningen was een granaat, via een raam aan de achterkant, door een voorruit gevlogen en tegen een muur van de winkel van Vromen tot stilstand gekomen, echter zonder te exploderen. Elders in het dorp was er ook nauwelijks schade.
Mijn vader was op zijn fiets op verkenning gegaan en kwam terug met verhalen over gedode Duitsers en met een hele band mitrailleurkogels. Die had hij bij een schuttersput gevonden.

gelissen gelissen

19 sept 1944, omstreeks 13 uur
De bevrijding van Schinveld door de Amerikanen.
Linker foto: De eerste jeep in de Schinveldse historie komt in de Broekstraat.
Het jongetje op de treeplank is Ton Geraets †.
De foto rechts is ook uit de Broekstraat en waarschijnlijk zijn beide foto's gemaakt door kapper Sjir Keijmes, die in de oorlog nog een fototoestel had.

De eerste dagen waren we er ons nauwelijks van bewust dat we bevrijd waren. Mijn vader liep opeens met een rode band om zijn arm met de letters OD (Orde Dienst). De mijnen draaiden even op halve kracht. Het normale leven was danig in de war geschopt. Het eten werd schaars, want er was geen aanvoer meer van de eerste levensbehoeften, zoals meel en boter. Groenten hadden we nog uit eigen tuin. Vader liep ´s nachts wacht aan de grens. Daar lagen ook de Amerikanen met hun kanonnen op carriers, dichtbij de Neutrale Weg. Ze stonden op een grote akker dichtbij de dennenbossen opgesteld. Van hieruit werden een aantal plaatsen in Duitsland heftig beschoten.
De Amerikanen hadden ook een verkenningsvliegtuig bij zich. De vleugels en de romp waren bespannen met grijs geverfd zeildoek. Ze noemden het vliegtuigje: ”Nellie”. Het gebruikte de gewone weg, vlak bij de boerderij ”Ora et Labora” om te starten en te landen. De waarnemer in het toestel moest in Duitsland doelen opzoeken voor het Amerikaanse geschut. Voor ons jongens was dit een hele belevenis. We mochten dicht bij het toestel komen en het goed bekijken.
Toen de Amerikanen na een paar weken met hun geschut vertrokken waren, lag het hele veld bezaaid met koperen hulzen van 40 cm hoog. Ook lag de grond bezaaid met de zwarte kokers waarin de granaten waren verpakt.
Stef en ik hebben daar een aantal voettochtjes naar toe gemaakt. Met in elke hand een flinke granaathuls, liepen we dan weer naar huis terug. Het was een tippel van 1,5 km. Op de bodem van de huls zat een 8 cm lange conus. Door je armen in de huls te steken kon je de conus vastpakken. Zo liepen we dus met koperen armen door de bossen terug naar huis. Na vier tochten hadden we elk 8 granaathulzen en vonden we het welletjes. We waren niet de enigen die er zich over ontfermden. Er ontstond een nieuwe bezigheid: het maken van koperen asbakken en mooi bewerkte koperen vazen.

De Duitse dorpjes aan de grens zijn geëvacueerd en de boeren hebben hun vee moeten achterlaten. De koeien, schapen en paarden komen nu onze kant uit. Samen met de buurman wordt er een schaap gevangen en in de schuur van de buurman geslacht. We hebben eindelijk weer eens wat vlees in de pan.
Inmiddels zijn er ook Engelsen in het dorp gearriveerd. Ze hebben koddige voertuigjes bij zich. Wij noemden ze hobbelpaardjes op rupsbanden. Het was een soort miniatuurtankje. Zij noemden het ”brencarriers”. Ze hebben ook grote kanonnen, houwitsers, bij zich, getrokken door grote vrachtwagens. De Engelse vrachtwagens zien er heel anders uit dan de Amerikaanse. Ze hebben een veel stompere neus en de voorruit staat schuin omlaag in plaats van schuin omhoog. De ruit kan daardoor het zonlicht niet naar boven reflecteren. Daar was over nagedacht.
Voor ons huis ligt een flink stuk terrein braak, begroeid met gras en wat heidestruiken. Er loopt een zandweg doorheen, die op de hoogte van ons huis breed uitloopt, omdat de jongens dit stuk van de zandweg als voetbalterrein gebruiken. Het zand is daar donkerbruin gekleurd, want afkomstig van een harde, donkerbruine tot bijna zwarte laag van de zogenoemde heidepodsol.
Pikzwart waren we ook. als we daar gevoetbald hadden. Dit terrein hebben de Engelsen uitgezocht om hun vrachtwagens in te graven. Een paar bulldozers maken vier enorme sleuven in de grond. Aan het eind van de sleuf ontstaat een flinke zandberg. In elke sleuf kunnen twee vrachtwagens staan. De vrachtwagens staan nu onder het maaiveld, goed beschermd tegen granaatscherven. Een paar camouflagenetten laten ze uit het zicht verdwijnen. Tussen de struiken, iets verderop, wordt ook hard gewerkt aan vier opstellingen voor de 4 houwitsers.
Intussen heeft mijn vader drie Britten huisvesting aangeboden. Een Schot, een Engelsman en een Welshmen. Mijn vader spreekt goed Engels en wij, mijn moeder en ik,leren het gaandeweg ook al een beetje. Bij deze drie zal het niet blijven. Van de Engelsman, Tom Hudson uit Stoke City, krijgen we na de oorlog nog een brief met foto’s.
Op een mooie zonnige dag besluiten de Engelsen om maar eens met het schieten te beginnen. Zonder de mensen te waarschuwen, gaat het eerste salvo richting Duitsland. En meteen liggen bij ons de ruiten van de voorkamer er uit. Met hout van munitiekisten worden de ramen weer dichtgemaakt. Het is nu donker in de beste kamer. Niet lang er na zit het kantoor van de SMA (sergeant majoor administrateur) in onze voorkamer. Op de tafel staat een monumentale typemachine. Ik mag er af en toe wel eens een briefje op tikken. De sergeant majoor heeft het druk. Er zijn een aantal Engelse soldaten gesneuveld. Acht soldaten worden naast een huis aan de overkant begraven.
In mijn beleving heeft die sergeant majoor er een flink aantal weken gezeten. Het front verplaatst zich nauwelijks. De opmars naar het Noorden en naar het Oosten stagneert. In november hebben we opeens tien Engelse soldaten in huis. Ze komen pikzwart en vuil van het front. Krijgen te eten en gaan daarna hun kleding en hun geweer in orde maken. Ze slapen boven. De volgende dag wordt alles op het appèl geïnspecteerd. Ze staan met zijn allen voor ons huis op de stoep. Al het koperwerk is gepoetst en de kleren schoon en weer in de plooi. Twee dagen later gaan ze weer lopend naar het front. Voorop een Schotse doedelzakspeler. Daar achter twee lange rijen soldaten aan weerszijden van de weg, om het andere militaire verkeer niet te hinderen. Het typische snerpende geluid van de doedelzak is nog een hele tijd hoorbaar in de verte.
De kelder onder het huis was inmiddels ook ingericht om er te kunnen slapen. Kennelijk waren de berichten, die mijn vader opving, niet erg rooskleurig. Op een grote kaart werden de vorderingen van de geallieerden nauwkeurig bijgehouden. Maar de laatste tijd hoefde er niet veel te veranderen. Er werd nog steeds met de kanonnen op Duitsland geschoten. In de bossen aan het eind van de Kloosterlaan kampeerden grote aantallen Amerikaanse soldaten. Eerst nog met tweeën in een tentje, maar toen de nachten kouder werden, gingen ze ondergronds. Lege munitiekisten dienden als vloer, wanden en dak. Het was redelijk comfortabel. Bij Stephan thuis kwam heel vaak een Amerikaan buurten, die in de holle weg aan de overkant van hun huis, voor zichzelf een mooie hut gemaakt had. Het bleek een Amerikaan van Poolse ouders en hij sprak ook Pools. Daarmee kon hij zich bij de familie Wojtkowiak goed verstaanbaar maken. Van hem kreeg Stef dan ook een leren bal. Nou ja een bal; het was een groot ei van stevig leer. Daarom niet getreurd, we konden weer voetballen, al vloog dit ei alle kanten uit. Later verscheen er een ronde bal op het toneel. Ook geen echte voetbal, want het leer voelde zacht aan. Waarschijnlijk was het een volleybal. Hiermee ging het stukken beter dan met dat ei van een bal.
Er werd veel gevoetbald door de jongens. Er waren voldoende grasveldjes tussen de straten en het bos en in de buurt van de huizen. Naast het huis van de familie Offermans was een braak liggend veldje, waar het gras bezit van probeerde te nemen. Dat lukte alleen aan de randen, want de rest werd door de voetballertjes kaal gehouden. Op de blinde muur was met krijt een doel getekend.” Wie gaat er in de goal ?", werd er dan geroepen. Dan kon het knallen tegen de muur beginnen. Nooit een klacht van de familie Offermans gehoord. Hulde!

De maand december 1944.

Het front zit nog steeds muurvast. We gaan gewoon naar school, die goed verwarmd is. Het feest van Sinterklaas staat voor de deur. Zou de goede Sint wel komen? Op de bewuste avond wordt er flink op de ramen aan de achterkant van het huis gebonsd. Opeens staan er twee zwarte pieten in de achterkamer. Ik zit achter de tafel en kijk verbaasd naar het voor mij totaal nieuwe verschijnsel. Eén Piet heeft een zak bij zich en de ander heeft een berkentak met grote spijkers en deksels. Dat maakt wel indruk, want hij of zij stampt het geheel krachtig op de grond. Er wordt een hartig woordje tegen me gesproken. Het blijken vrouwelijke Pieten. Dan gaat de zak eindelijk open en vliegen me de pepernoten om de oren. Het waren waarschijnlijk wat eenvoudige cadeautjes die daaruit te voorschijn kwamen. Ik weet alleen, dat ik die Pieten niet zo leuk vond, maar ja ik kreeg tenminste wat. Mijn ouders kregen niets. Die moesten wachten tot het Kerstmis werd. Dan bracht het Kerstkindje de grote cadeaus. Dan was er ook voor iedereen een schaal met noten en zoetigheid. Na de nachtmis, die om 12 uur begon en tegen 3 uur ’s morgens afgelopen was, stond alles op tafel en bij de boom. Zover was het voorlopig nog niet.
Wij hadden met Kerstmis altijd een boom, een sparretje, opgetuigd met ballen in de vorm van walnoten, sparrenkegels, ballen met een mooie geplooide deuk en gewone ronde ballen. Allemaal zilverkleurig. Ze hadden de hele oorlog al dienst gedaan. Elk jaar waren er wat minder, maar gelukkig was de voorraad groot. We hadden ook een soort ijspegels, maar die waren koperkleurig. En veel, heel veel lametta. En niet te vergeten het engelenhaar en de echte kaarsjes in speciale houders met een knijpertje. Onder de boom stond bij ons een klein kerststalletje. Er boven hing, van papier, een mooie engel. In zijn handen een grote banderol met daarop in gouden letters; "Gloria in excelsis Deo". Naast de stal stond een pracht engel met een trommel, van porselein. Naast de Heilige Familie en het houten kribje, was er nog een os en een ezel, een herder met een schaapje en de drie koningen. Met mos uit het bos werd het geheel aangekleed. Met een spiegeltje werd een meertje nagebootst.
Bij mijn vriend Stef hadden ze ook een boom. Een jonge grove den, zo uit het bos gehaald. Hij zag er nogal grofstoffelijk uit, met die lange, dubbele naalden. Ook de aankleding was navenant. Er hingen wel koekjes in de boom. Die mochten er bij ons niet in van mijn vader. Zijn grootmoeder, die hem vanaf zijn vierde tot zestiende jaar als wees in huis had, had wel koekjes in de boom, maar die mochten pas na Driekoningen opgegeten worden, als de boom weer afgetuigd werd. Maar dan zaten ze onder het stof en waren zacht geworden. Aan dat trauma wilde hij kennelijk niet herinnerd worden.
Sommige families in het dorp maakten met kerst een zeer uitgebreide kerststal. Soms hadden ze daarvoor de helft van de beste kamer in gebruik.
Zo ook bij de familie Pieper, achterburen aan de Bouwbergstraat. De stal, met grote beelden, werd omgeven door een prachtig landschap met huisjes, landweggetjes van zilverzand, meertjes van spiegelglas en mos, heel veel mos en veel herders en schapen. Vader Theo (Thei) Pieper was een goede vriend van mijn vader. Vandaar dat ik er ook wel eens over de vloer kwam en zeker als de kerststal klaar was. Thei van de Pieper was een heel gemoedelijke man, die wel van een grapje hield. In 1946 wordt hij een zeer succesvolle Prins Carnaval van de Zandhaze. De eerste na de oorlog.
Hij en ook zijn vier zonen werkten op de Staatsmijn Hendrik in Brunssum. In 1947 verongelukte hij ondergronds. Hij had ook drie dochters.
Mijn vader zit dan al enkele maanden in Nederlands-Indië, ook ondergronds in de mijnen van de Oost-Borneo Maatschappij.

Het Ardennen offensief van von Rundstedt.

Op 16 december 1944 is er opeens paniek. Alle verloven van de soldaten worden ingetrokken. Ze moeten zich klaar maken voor vertrek. De Duitsers zijn in de Ardennen een offensief begonnen en dreigen daar de linies van de Amerikanen te doorbreken. Opeens is het weer stil in huis. De soldaten zijn weg. In de nu volgende dagen zijn de berichten van het front heel slecht. De Duitsers hebben veel Amerikaanse soldaten krijgsgevangenen gemaakt en ze vervolgens vermoord. Er wordt heel hard gevochten bij Bastogne. De Amerikaanse Shermantanks waren niet opgewassen tegen de Leopard- en de Tigertanks van de Duitsers. Door de mist is er geen luchtsteun mogelijk. Echter, door gebrek aan brandstof en de heftige tegenstand, mislukt de doorstoot van de Duitsers naar de haven van Antwerpen. Uiteindelijk schiet generaal Patton de troepen te hulp met zijn tankbrigade, die helemaal uit het Zuiden moest komen. De aanval van de Duitsers wordt afgeslagen, maar ten koste van vele duizenden gesneuvelde Amerikaanse soldaten, die later in Margraten bij Maastricht worden begraven. Dertigduizend Amerikaanse soldaten.
Op 28 december is het gevaar enigszins geweken. We hoeven niet meer in de kelder te slapen. De ingekwartierde Amerikaanse soldaten zijn er niet meer en hebben, naar we hopen, de slag in de Ardennen overleefd. In december 1945 krijgen we van een van de Amerikaanse soldaten een pakje met allerlei lekkere dingen. Ik herinner me nog de heerlijke geur van een potje chocoladepasta met nootjes. Deze soldaat had het in elk geval overleefd.
In oktober 1944 klopte de dood bij de buren aan. Moeder Scholten overleed vrij plotseling. Was het van ondervoeding? Heel goed mogelijk, want haar jongens waren net in de groei. Zij was er de moeder naar, om het weinige wat er na de bevrijding aan eten was, naar hun toe te schuiven. Vader Scholten had nu hulp nodig. De verloofde van mijn oom Fons, Mia, ging de huishouding doen. Er gebeurde meer dan dat, volgens mijn oom Fons. Uit boosheid heeft hij zijn verloofde tot de daad gedwongen. Dat was het einde van een jarenlange verkering. Zij bleek echter wel zwanger; heeft het kind uitgedragen en is in Utrecht bij de zusters bevallen. Ze vernoemde het jongetje wel naar Fons, maar wilde niet dat hij het kind erkende. Ze liet het kind achter in het klooster en werkte jaren lang hard voor het onderhoud van het kind. Ze bezocht hem zo vaak ze kon.
Helaas overleed Mia toen haar zoon zeventien was. Intussen was er weer geen hulp in huize Scholten. In Gangelt, net over de grens, woonde Emma, de jongste zus van mijn moeder, met drie jonge kinderen, drie meisjes: Berbie, Odi en Marianne. Hun vader, Hein Jöken, was soldaat en vocht in Rusland. Waarschijnlijk was hij al in Russische krijgsgevangenschap.
Toen de Duitse grenssteden, waaronder Gangelt, geëvacueerd werden door de Duitsers, kwam zij naar Schinveld en vond met haar kinderen onderdak bij onze buren, de fam Scholten. Hier waren twee partijen geholpen. Tante Emma deed het huishouden en was veel achter de naaimachine te vinden, want ze was een goede naaister. De meisjes konden heel wat jurkjes gebruiken. Natuurlijk naaide ze ook voor anderen.
Haar man Hein kwam pas jaren later uit Russische gevangenschap terug. Hij was er gelukkig nog. Tot aan de capitulatie van Duitsland bleef tante Emma onze buurvrouw.
Tussen oom Fons en tante Emma boterde het later ook niet meer zo goed. Fons had haar huis in Gangelt, met de harde Nederlandse gulden goedkoop gekocht. Het eigendomsrecht was waarschijnlijk niet goed door hem geregeld, zodat hierover later onenigheid kon ontstaan.
Na de capitulatie van de Duitsers waren de grenzen weer gesloten. Toch verschenen Duitse kinderen in het dorp, die vroegen langs de deuren om een boterham. De nood was hoog in Duitsland. Hele steden lagen in puin.
Mijn oom Fons had weer een nieuwe bezigheid ontdekt. Hij smokkelde mensen de grens over. Zo kon het gebeuren, dat hij ‘s avonds laat nog bij ons aanbelde en dan een of meerdere Duitsers bij zich had. Mijn vader was dan niet thuis en mijn moeder liet ze binnen en gaf ze wat warms te drinken. De verhouding tussen mijn vader en mijn oom was ook bekoeld na het gebeurde met zijn verloofde Mia. Vandaar dat Fons goed wist, wanneer mijn vader niet thuis was.
Vlak na de bevrijding van Schinveld in september 1944 begon het verenigingsleven weer op gang te komen. Mijn vader werd voorzitter van de RK. Sportvereniging Olympia. De Afdeling Gymnastiek oefende in de zaal van Café Plasier aan het Wilhelminaplein (de Platz). Daar was hij één avond in de week te vinden om met de oudere jeugd te oefenen. Er was nog geen competitie voor de voetballers. Waarschijnlijk waren er geen voetbalschoenen en ook geen fatsoenlijke ballen meer. Het wachten was op de bevrijding van Nederland.
Carnaval 1945 werd niet met een optocht gevierd. De creativiteit en het geld werd gespaard om, later, bij de bevrijdingsfeesten los te barsten met een optocht van wagens, die de oorlog en vooral de Duitsers op de hak namen of uitbeeldden. Krijgsgevangen Duitse soldaten achter prikkeldraad, wagens met feestvierende Amerikaanse en Engelse soldaten en natuurlijk Limburgse meisjes.
Maar de oorlog was nog niet voorbij. De Engelse soldaten van de houwitsers trekken met hun geschut verder Duitsland in, maar niet voordat ze met een vrachtwagen in Duitsland ”gewinkeld” hebben. Ze hebben ergens glas gevonden, prachtig geslepen glas voor toilettafels. Ze komen het ons brengen, vergezeld van nog meer contrabande, te weten een zestal kristallen wijnglazen, een drietal boeken en een Japans theeserviesje met twee kopjes en schoteltjes en papieren vlaggetjes met het hakenkruis. ”Souvenir” werd er grijnzend bij gezegd. Het glas werd door mijn vader op maat gesneden en met deze stukken werden de ramen opgevuld. We hadden weer licht in de voorkamer. Winddicht was het nog niet helemaal, maar ook daar was wel weer wat op te vinden.
De kans op Duitse luchtaanvallen was nihil en ik vermoed, dat de rollen met zwart verduisteringspapier inmiddels ook al weer een tijdje weggehaald waren. Tijdens de bezetting was er buiten geen spat te zien. Als mijn vader nachtdienst had ging het licht in de kamer een half uur uit, voordat hij met zijn fiets op pad ging, zodat zijn ogen aan het donker konden wennen. De koplampen en ook het achterlicht waren afgeplakt met papier, waarin heel fijne gaatjes zaten. Zo kon je nog net een andere fietser opmerken, maar meer ook niet.
Buiten was er nog steeds veel militaire bedrijvigheid. Op een goede dag stond er op het voetbalveldje bij de familie Offermans een Duitse Leopard tank. Natuurlijk ging ik kijken en ik was niet alleen. Een Amerikaanse soldaat stond bovenop de tank en was kennelijk met een jerrycan benzine aan het bijvullen. Plotseling sloegen de vlammen uit het motorgedeelte van de tank. Ik wist niet hoe snel ik naar huis moest rennen. Gelukkig bleef een explosie uit en konden de soldaten het vuur blussen. Een andere keer werd het dorp opgeschrikt door een colonne heel vreemde voertuigen. Het leken wel boten, maar dan op wielen. Stef en ik gingen er achter aan. Ze reden in de richting van het Bosveld (Buschveld). Daar gingen ze oefenen met het oversteken van de beek en holle wegen met steile hellingen. Het bleken amfibievoertuigen te zijn. Ze konden inderdaad varen en rijden. Later staken ze daarmee de Rijn over.
De landkaart van Europa hing nog steeds in de woonkamer. De vorderingen van de geallieerden werden daar op bijgehouden. In mei was het dan zover. De Canadezen hadden Nederland boven de rivieren bevrijd en op 5 mei 1945 gaven de Duitsers zich over. In Hotel ”De Wereld” in Wageningen tekenden de Duitsers de capitulatie, onder het toeziend oog van Prins Bernard, hoofd van de Nederlandse Strijdkrachten. Nu was het tijd voor de optocht en groot feest. Die optocht heeft op mij, als jongen van negen, veel indrukken achtergelaten.
Op 8 mei hadden de Duitsers zich in heel Europa overgegeven. Het duurde nog even voordat mijn tante Emma met haar kinderen naar Gangelt terug kon. Het huis moest eerst nog opgeknapt worden en ze had nog geen middelen van bestaan. Wanneer ze precies teruggegaan is, weet ik niet.

In juli 1945 gebeurde er in huize Gelissen van alles. Er kwamen allerlei attributen in huis, die met atletiek te maken hadden. Twee kogels voor het kogelstoten; twee speren en twee discussen. Mijn vader ging een tienkamp organiseren voor zijn RK Sportvereniging Olympia. Samen met zijn vrienden werden er bij het voetbalveld op de Berg, achter de grote speeltuin van Selker, allerlei voorzieningen aangelegd. Er kwam een springbak voor het verspringen, met een aanloop. Daar kon ook het hoogspringen plaatsvinden. De loopnummers, het kogelstoten, het discusgooien en het speerwerpen moesten op het voetbalveld afgewerkt worden.
Het meeste werk was de opstelling van een rekstok. Die moest goed verankerd worden. Er moeten 4 spoorbielzen ingegraven worden. Bij het oefenen met de discus vloog bij de eerste worp het houten binnenwerk er uit. Door de droogte was de grond van het voetbalveld keihard geworden. Het zei natuurlijk ook iets over de kwaliteit van het materiaal. De speren lagen een hele tijd tussen spijkers in de woonkamervloer geklemd, anders trokken ze krom. Op zondag 9 september 1945 was de grote atletiekdag. Mijn vader was toen 33 en dus niet meer de jongste. Toch was hij het, die de tienkamp met ruim verschil op punten won. Een paar uitslagen kan ik me herinneren. Hij won het verspringen met 5,90 m. en het hoogspringen met 1,56 m. Het kogelstoten, discuswerpen en speerwerpen waren ook voor hem. De loop door Schinveld, het sluitstuk van de tienkamp, werd door een jonge knul van 19 gewonnen, maar Joep zat hem dicht op de hielen. Een mooie oorkonde, getekend door de geestelijk adviseur kapelaan Schrijnemakers, de secretaris Frans Reijnders en de vice- voorzitter Wiel Mevissen, was zijn beloning. De handtekening van de voorzitter ontbreekt. Dat was hij zelf. Jos (Joep) Gelissen was in 1944 voorzitter geworden.
In augustus 1945 ging hij met tien vrienden, leden van Olympia, voor het eerst kamperen in de Heelder Peel bij Grathem. Er werd gekampeerd met Amerikaanse tentjes en een enkele Duitse tent. Mooi op een rij in de wei. Vlees is nog op de bon, maar de boeren in de buurt hebben kippen en dus ook eieren. Iedereen moest wat aansterken en dus werden bij het ontbijt, bij de lunch en bij het avondeten twee eieren de man genuttigd. Er kon volop gezwommen worden in het grote ven en er waren ook kano’s te huur bij het nabij gelegen hotel. Vlakbij aan de Napoleonsweg was een gezellig cafeetje met terras. Wat wil een mens nog meer. Een week is zo om.
gelissen
Zomer 1945.
In augustus ging mijn vader met een aantal vrienden, leden van Olympia, voor het eerst kamperen in de Heelder Peel bij Grathem. Er werd gekampeerd met Amerikaanse tentjes en een enkele Duitse tent. Mooi op een rij in de wei.
Staande links, mijn vader, Wiel Valkenberg, Guus Herings, Hein Meijs, rest onbekend.

Op zondag is er damesbezoek van het thuisfront. Zij hadden er vier uur fietsen voor over, om hun jongen op te zoeken. Er zijn kiekjes gemaakt waar het hele stel opstaat. In ieder geval waren er bij: Sjra Camps, Theo Pieper, Frans Meijs, Leo van de Berg, ene Hendriks, twee broertjes (tweeling?), nog een Meijs, Leo Valkenberg en nog een Valkenberg. Ook kapper Rongen kwam ze op de fiets opzoeken vanuit Schinveld. Waarschijnlijk werd er ook geoefend voor de atlethiekdag op 9 september a.s.
gelissen
Zomer 1945.
Vlakbij aan de Napoleonsweg was een gezellig cafeetje met terras. Wat wil een mens nog meer?

In september is ook de school weer begonnen. Ik ben 9 jaar en zit nu in de vierde klas, de klas van meester Mertens, beter bekend als “de Meert”. Hij woonde in de buurt van de kerk in een mooie villa uit de jaren dertig. Achter het huis was een grote boomgaard. Hij had ook een garage met daarin een vooroorlogse Ford. Die had de oorlog en de Duitsers overleefd. Hij had er de wielen afgehaald en die ergens goed verborgen. Nu reed hij er elke maand mee naar zijn boerderij ”Ora et Labora”, om daar de huur op te halen. Stef en ik werden al snel door hem gevraagd om zijn gazon aan de voorkant van het huis te knippen. Voor die klus kregen we elk een kwartje. Het knippen moest met scharen, die schapenscheerders gebruiken om de schapen van hun wol te ontdoen. We waren er wel een hele woensdagmiddag mee bezig.
In het najaar konden er wel een paar appels of peren extra van af. De Meert was een bijzonder onderwijzer. Hij had zich ten doel gesteld om die Limburgse jongetjes duidelijk Nederlands te leren praten. Bij een leesbeurt hoorde je voortdurend: ”Ik hoor de tééé niet !” ”Aan elkaaar !” Een zin als: De onrijpe appels zijn niet te eten, moest als volgt gelezen worden: Donrijpappels zijn nieteten. Ook zijn: ”dengelen in demel”. De zin van dit laatste ontging ons ten enenmale.
Mijn vriend en ik hadden er niet veel moeite mee, maar voor de zwakkere broeders was het verschrikkelijk om een leesbeurt te krijgen. Meester Mertens had ook een speciaal loopje. Ik heb hem nooit zien fietsen. Hij liep altijd naar school en liet daarbij vaak zijn schooltas dragen door Theo van Aalst of een ander kind uit zijn buurt. Theo was heel goed in leren en had ook al ergens een klas overgeslagen.Wij trokken niet veel met hem op en hij ook niet met ons.
Het hoofd van de school was meester Baggen . Mijn vader had nog les van hem gehad in de jongensschool aan de Eindstraat. Hij woonde nog steeds naast deze oude school in een mooi groot huis. (De oude school was lang in gebruik als gymzaal door Olympia). Meester Baggen was lang en mager. Op dit lange lichaam stond een klein nagenoeg kaal geschoren hoofd. Alleen aan de voorkant zat nog een plukje haar. Het stond hem goed. Als de orde uit de hand dreigde te lopen in een bepaalde klas, dan kwam hij streng kijkend binnen en dreigde dan uiteindelijk met ”bruno”. Bruno was een vierkante, bruine stok. Met een gemaakt diepe stem zei hij dan: ”Of moet ik Bruno halen?”
Hij was muzikaal. In de kerk dirigeerde hij het gemene volk en stimuleerde daardoor het meezingen van de liederen van de volkszangbundel. Zelf heb ik geen les meer van hem gehad. Hij ging in 1947 met pensioen en werd opgevolgd door meester Senden, die natuurlijk ook zijn zesde klas overnam.

gelis

De onderwijzers en de onderwijzeres van de Eligiusschool omstreeks 1945.
Vlnr: de heren Baggen, Meertens, Kusters, juf. de Bock, Senden en Jörissen.
Op de voorgrond zit Sjang Peters.
In 1946 kwam er als opvolging van juf. de Bock, juf Pagen die met meester Baggen, die toen gepensionneerd was, maar nog tijdelijk les gaf, de eerste klas had.

Het leven is weer wat normaler geworden.

De mijnwerkers werken hard. Er wordt zelfs een groot aantal zondagen doorgewerkt. De mensen en de centrales moeten kolen hebben. Bijna alles is nog op de bon. Voorlopig zijn de grenzen dicht. Toch zijn er nog steeds Duitse kinderen in het dorp, die om een boterham vragen. Mijn oom smokkelt nog steeds mensen over de grens. Er verschijnen publicaties met foto’s van concentratiekampen en kapotte Duitse steden. Er is ook een dun boekje van Ton van Tast, die in stripvorm de wederwaardigheden van heel een volk tijdens de bezetting door de Duitsers weergeeft. Ton van Tast is het pseudoniem van Anton van der Valk. Van zijn hand komt nog een tweede boekje uit over de bevrijding van Nederland.
Mijn vader is intussen druk met het eerste voetbalelftal van Olympia. Op een dag staat de hele voorkamer vol met schoenendozen. Hij heeft voetbalschoenen op de kop weten te tikken, met leren noppen. Op een zondag hadden we het hele elftal over de vloer. Er moest gepast worden en verdeeld. Ik ben vergeten waar hij al dat materiaal vandaan haalde. Waarschijnlijk had de sportzaak Tillemans in Brunssum er iets mee te maken.
Voordat de voetbalcompetitie begon, speelde het 1e elftal traditioneel een oefenwedstrijd tegen de zogenaamde ”Elf Meuge”. Meug betekent: moe. Ze hielden zich niet altijd aan de spelregels, wat tot heel wat komische taferelen leidde. Vooral slager Krelke (Kareltje) Rademakers kon er wat van. Gestoken in overalls bespeelden ze het publiek met hun gespeeld onvermogen.


gelissen
Voetbalclub Olympia Schinveld en bestuur in 1946
vlnr: bestuur: Huub Valkenberg, Frans Geraets, Juup Valkenberg, Wiel Mevissen, Juup Gelissen.
Spelers: Lei Coumans, Leo Falkenberg, Leo van de Berg, Toon Hanssen, Frans Geraets, Jan Canisius, Tien Meijs, Frans Meijs.
Bestuur: Johan Schröder, kap. Schrijnemakers, Frans Reijnders, Willem van Nuys, Jans ?, Krelke Rademakers.
hurkend: Zef Theunissen, Krebbers, Pie Beumers.


namen: Dré Reijnders, Herman Valkenberg en Jan Valkenberg


gelissen
Sjpasclub ”De Elf Meuge”
Staand vlnr: Frans Dohmen, Sjir Zillen, Juup Reijnders, Huub Dohmen, Teun Reijnders, Piet Boeijen, Huub Valkenberg, Leo Hendriks en Wim Nelissen.
Knielend vlnr: Adam Verhooren, Martin Cremers, onbekend, Sjeng Dohmen en Sjeng Reijnders.

Mijn moeder doet het huishouden, de boodschappen voor zover die niet aan de deur gebracht worden, want de melkboer, de bakker en de groenteman komen aan de deur. Slager Jansen zit schuin tegenover ons in de straat. Hij is een van de vijf slagers, die dit dorp van 3000 zielen rijk is. Hun beste klanten zijn de mijnwerkersgezinnen. Daar komt bijna dagelijks vlees op tafel: vlees op het brood en bij de warme maaltijd. Vader krijgt natuurlijk het grootste stuk, behalve als er ook nog een paar zonen ondergronds werken. Groenteboeren zijn er drie. Diederen heeft zijn winkel tegenover slager Jansen.
Mijn oom Funs heeft sinds de bevrijding ook een vast verkooppunt. Hij woont nu in het boerderijtje van Joop Theunissen (Spekkes Joop) en mijn peettante Maria Theunissen-Keijmes, Putbergstraat 5. Maria is een zuster van Funs´ moeder en dus ook een tante van mij. Hij heeft hier ook zijn paard en groentewagen gestald. ’s Avonds gaan mijn moeder en ik vaak bij tant Marie op bezoek. Mijn vader is dan naar de mijn, aan het sporten of aan het vergaderen. ”Spekkes Joop”, haar man, gaat ’s avonds graag een borreltje drinken in het cafe aan de Bleekplaats. Meestal zijn er een paar dochters thuis. die met mij boter – kaas – en eieren spelen, terwijl mijn moeder met tant Marie de nieuwtjes uitwisseld. Er is altijd genoeg te vertellen, want Joop en Marie hebben een groot gezin met vele dochters en enkele zonen. Dezelfde dochters bedienen ook de klanten die om groenten komen.
Een oude paardenstal naast de grote schuur, dient als winkeltje. De onderdeur is in een soort toonbank omgetoverd. Het is allemaal erg primitief en dientengevolge nogal Spartaans, met name in de winter. Boze tongen beweren, dat het winkeltje de uitzet van de dochters gefinancierd heeft. Nou ja tenslotte was oom Funs hun volle neef. Er waren 9 dochters en twee zonen. Een zoon woonde nog steeds thuis.
Deze zoon, Joep Theunissen, had in de zomer van 1944, hier op de boerderij, zijn 25-jarig jubileum op de Staatsmijn Hendrik gevierd. Voor mij was dit het eerste grote familiefeest, dat ik meemaakte. Alles was mooi groen gemaakt. De inpandige mestvaalt, de ”miskoel”, werd door rijen jonge berken aan het zicht onttrokken. Ruiken deed je hem wel nog steeds. Er werd een statieportret van de ongetrouwde jubilaris gemaakt, zittend tussen beide ouders en achter een gehuurd jubileumbord met midden boven een vakje met een duidelijke 25. Daaronder een mijnlamp, staande op een balk met daarin SM HENDRIK. Links naast de lamp, in witte cijfers, het jaartal 1919, waarvan de laatste negen met krijt is bijgeschreven. Rechts van de lamp het jaartal 1944, waarvan de laatste vier enigszins gehinderd wordt door een slecht weggewerkte drie. Dit geheel wordt omgeven door een ellips, gevormd door bladranken, die aansluiten op het getal 25. Vijf potten met lichtgekleurde floxen, completeren het geheel. Ik vermoed dat hij bovengronds werkte, want van stoflongen was bij hem niets te merken. Het was een mooi feest met veel vlaaien en voldoende te drinken.

gelissen
Het zilveren mijnjubleum van Joep Teunissen in 1944.
Joep was nog vrijgezel en zit op de foto tusen zijn ouders Maria Theunissen-Keijmes en Joep Theunissen senior.
Joep senior, werd in de volksmond Sjpekjuuëp genoemd omdat hij als klein kind bij de familie Spekkens was opgevoed. Aanvankelijk was dit Sjpekkens-Juuëp maar veranderde in de loop dert tijd tot Sjpekjuuëp.
In Schinveld was het de gewoonte om in grote families met ook veel dezelfde voornamen, door bijnamen zoals in dit geval, iemand snel te indentificeren. Het waren dus absoluut geen scheldnamen.
Joep trouwde in 1949 met Odilia Jöcken uit Gangelt.


Mijn moeder onderhield de sociale contacten met haar familie in het dorp heel goed. Mijn vader deed daar voorlopig niet aan mee. Ik had ook mijn voorkeuren. Met name ging ik graag mee naar Adam en Ida Peters. Zij hadden 2 kinderen van ongeveer mijn leeftijd, een dochter en een zoon. Het meisje, Mia, was 5 jaar ouder dan ik en het jongetje Hein een paar jaar jonger. Meestal speelden we dan met hun burcht en de soldaatjes, die er bij hoorden. Er was ook een kanon, waarmee je erwten kon afschieten. Dat was prachtig. In de woonkeuken was het altijd lekker warm en op de plattebuiskachel pruttelde de surrogaatkoffie in een grote koffiepot van geëmailleerd ijzer, want het was oorlog en echte koffie was er al lang niet meer.
Mia, het zusje van Hein, zal niet ouder worden dan 13 jaar. Een scherf van een ontploffende granaat in de Broekstraat (Nu: Pres. Rooseveltstraat) maakte op 13 november 1944 een ruw einde aan haar nog zeer jonge leven. Deze geschiedenis kun je hier vinden - Mia Peters - (klikken).
Een ander voorval, dat waarschijnlijk veel later plaatsvond, heeft heel veel indruk op mij gemaakt. Op een mooie zomerse dag loop ik ‘s middags van ons huis aan de Kloosterlaan naar de Eligiusschool. Als ik het klooster bijna bereikt heb hoor ik een flinke knal. De knal komt uit de buurt van de gemeentehuizen. Er is geen tijd om er aandacht aan te schenken, want ik moet op tijd in school zijn. Samen met de andere kinderen loop ik door. Iedereen vraagt zich af wat dat geweest kan zijn. Tijdens de eerste les die middag, worden we door de onderwijzer op de hoogte gebracht. Het is een van de jongens van de familie Hennen. Hij was achter het huis bezig met het demonteren van een granaat. Daarbij is de granaat ontploft. Zwaar gewond hebben ze hem naar het ziekenhuis gebracht en ze vrezen voor zijn leven. Hij overleeft de ramp, maar moet een arm en een oog missen. Zijn gezicht is flink gehavend. Zo zie ik hem jaren later pas weer voor het eerst terug.
Het is een wonder dat er niet meer ongelukken gebeurd zijn. Het oorlogstuig was weliswaar zo goed mogelijk opgeruimd, maar in de uitgestrekte bossen en bosjes op de Berg was kennelijk toch nog wat te vinden geweest.
Spelen met lucifers heeft ook z’n aantrekkingskracht, op jongens vooral. Ook op mij. Zo kon het gebeuren, dat plotseling de vitrage, op het ongebruikte slaapkamertje aan de voorkant, in brand stond. Ik zal toen zes jaar geweest zijn en wel heel hard om mijn moeder geroepen hebben, want die stond plotseling naast me en maakte heel kordaat het vuur uit. Van straf kan ik me niets herinneren, maar ik ging voortaan niet en later wel voorzichtiger met lucifers om.
Van mijn moeder kreeg ik wel eens een draai om mijn oren; mijn vader heeft nooit een vinger naar mij krom gemaakt en ook niet hoeven maken. Mijn moeder regelde het zelf wel. Ik herinner me ook het eerste spelletje waarbij lucifers gebruikt werden. Onze buurjongens Jacob en Hein Scholten, lieten daarbij Hitler in de lucht vliegen. Van het luciferdoosje werd met 4 luciferhoutjes een ledikantje gemaakt. Daarin werd een zelfgemaakt Hitler- figuurtje gelegd. Nu moest er nog een bom gemaakt worden. Die maakten ze van de rubberen sluitring van een beugelflesje en twee lucifers. Hiermee werd de sluitring op scherp gedraaid, door de 2 lucifers geblokkeerd en onder het ledikant gelegd. Dan werden de lucifers aangestoken en even later vloog Hitler, met bed en al, de lucht in. Groot gejuich van de omstanders.
In de zomer van 1945 bouwt mijn vader een kippenhok in de tuin achter de schuur. Het hout is afkomstig van Amerikaanse munitiekisten. Kippengaas is nog nergens te krijgen, maar er is volop telefoondraad. Het hout voor de kippenren komt ook nu weer uit het bos. De telefoondraden laten zich gemakkelijk vlechten tot stevig gaas. De kippen waren snel aangeschaft en het rapen van de eieren kon beginnen. Er ging wel een goed slot op de deur van het kippenhok, want iedereen kon er bij.
Op het erf waren de konijnenhokken al weer opgeruimd. Onder het achterraam staat alleen nog mijn ijzeren munitiekist vol met stekelbaarsjes. De bodem bedekt met wit zand en een aantal vuurstenen, waarin de stekelbaarsjes een schuilplaats kunnen vinden. De vindplaats van de stekelbaarsjes was in de oorlog verboden gebied, want de beemden met mooie sloten lagen te dicht bij de Duitse grens. Ook gevonden kikkerdril gaat in deze bak. Zo maakte ik al vroeg kennis met de metarmorfose van de kikkiervisjes tot complete kikkertjes. Mijn vriend Stef had niet zo veel op met beestjes. Hij wilde liever voetballen of lezen, maar ging wel mee salamanders vangen in de sloot bij boerderij Vaessen, dicht bij de Neutrale weg. Hij raakte voor geen geld de beesten aan.
In het najaar van 1945 heeft mijn vader een fiets voor mij op de kop getikt. De kleur is rood en het zadel heeft hij door een kussentjes vervangen. Zo kan ik net bij de trappers komen. Mijn vader trekt z’n spottenue aan en daar gaat het henen. Ik probeer te sturen en te trappen en mijn vader houdt de fiets in evenwicht. Zo verdwijnen we via Kloosterlaan en Bouwbergstraat in de grintweggetjes tussen de bossen. Het gaat steeds beter en op het eind van de route laat mijn vader mij stiekem los en ga ik zelfstandig verder. Trots passeer ik al fietsend het huis van mijn vriend Stef aan de Julianastraat. Het begin is er. Na een aantal dagen gaat het als vanzelf.
De winter van 45/46 is al weer erg streng. Er valt ook veel sneeuw. Mijn vader heeft bij zijn neef Zef Jacobs een paar zwarte latten, ski’s, op de kop getikt. Ze zijn door de soldaten achtergelaten. Hij gaat er mee aan de slag en al gauw gaat hij er mee de Keizersberg af. Hij moet dan ook een stukje springen, om zo in de weilanden aan de voet van de heuvel, terecht te komen. De hekken van een weiland staan open. In het midden van de opening staat een rechthoekig paaltje van tien centimeter hoog, om de hekken tegen te houden. Dat paaltje wordt hem op zekere dag noodlottig. Bij de, naar zal blijken, laatste sprong in die winter, komen zijn ski’s keurig aan weerszijden van het paaltje terecht. Echter bij het doorveren, om de schok te breken, komt hij met zijn stuitje op het paaltje terecht. Hij is wel thuisgekomen, maar hij kan wekenlang niet gewoon op een stoel zitten.
Het is ook in deze tijd dat hij weer plannen gaat maken om naar Nederlands-Indië te gaan. Er komt een mooie landkaart van den Indischen Archipel aan de muur. Er staan allerlei gegevens op. Nederlands-Indië telt dan 75 millioen inwoners, waarvan 50 millioen op Java wonen. Op Sumatra en Borneo wordt steenkool gedolven. Voorlopig bleef het daar bij. Er moest ook niet te veel over gepraat worden.
Carnaval 1946 is het eerste carnavalsfeest dat ik bewust meemaak. Op 11-11-1945 is een nieuwe Prins Carnaval gekozen, of beter ten doop gehouden en de wagenbouwers zijn aan het werk gegaan. Deze keer is de Prins een goede bekende nl. Thei van de Pieper (Theo Pieper). Mijn vader heeft ook een plan voor de optocht. Hij wil met zijn vrienden als babies, elk op een step, mee in de optocht. Zelf heeft hij een oude step ergens opgediept. Er is een stuk van het stuur afgebroken, maar dat wordt met een stuk hout gerepareerd. Hij heeft echter ook voor iedereen een babyhoofd nodig. Helaas zijn die nog nergens te koop. Zelf maken was kennelijk geen optie. De fietsenzaak Dummer heeft wel eenvoudige maskers te koop. Ik mag een masker halen. Thuis lag nog een groen hoedje met veer van voor de oorlog. Samen met het reeds beschreven carnavalsjasje van mijn oom Funs, was dit de uitmonstering voor mijn eerste carnaval. Iemand was zo goed om er een foto van te maken. Dat is ook de enige foto, die ik van deze carnaval heb overgehouden.

gelissen gelissen
Links: Carnaval 1946. Gestoken in het vermaakte costuum van mijn oom Funs uit 1939.
Mijn vader met zijn vriend Theo Pieper (links)
Deze zou niet veel later op 12 juni 1946 op de SM Hendrik verongelukken.


Mijn vader had geen toestel meer, was in november 1944 geruild tegen boter, en heeft ook nooit meer een toestel aangeschaft. Hij kon erg principiëel zijn. In augustus 1946 organiseert hij opnieuw met zijn vrienden een kampweek in de Heelderpeel, aan de Napoleonsweg. Deze keer mag ik ook mee. Ik ben dan net tien geworden. We zijn nu met twaalf man en kamperen weer in hetzelfde weitje van het jaar er voor. We zijn deze keer niet de enigen. In het bos kamperen twee gezinnen. Fotograaf Senden en zijn familie en de familie Tillemans van de sportzaak, beiden uit Brunssum. Er zijn opeens vier kinderen van mijn leeftijd om mee te spelen. Deze keer worden er mooie, scherpe foto’s gemaakt. Ook ’s avonds laat doet fotograaf Senden het magnesiumpoeder ontbranden, om een nachtopname te kunnen maken van het gezellig samenzijn. We hebben die week prachtig weer. Senden en Tillemans zijn goede bekenden van mijn vader, want hij is en was een goede klant van beiden.
Samen met mijn vader ga ik fourageren voor de hele club. We eten weer in hoofdzaak eieren. Het vlees is nog steeds op de bon. De mannen vermaken zich in en om het water, maar gaan er ongetwijfeld ook met de fiets op uit. Vlakbij ligt Thorn, het witte stadje. Ook Roermond ligt binnen bereik. Rond etenstijd, vijf uur, is iedereen weer thuis en doet zich weer te goed aan de aardappels, kool en eieren. Pruimen toe. Melk was er ook te krijgen, zodat er wel veel havermoutpap gegeten zal zijn.
In het najaar van 1946 start mijn vader met een cursus voor sportleider. Elke zondag gaat hij op de fiets naar Brunssum, waar de cursus gegeven wordt. Hij leert de spelregels van talloze sporten kennen.Hij zal misschien wel met de gedachte gespeeld hebben om ooit sportleraar te worden, maar geuit heeft hij dat nooit. Mijn vader had wel onderwijzer willen worden. Na de MULO had hij de kweekschool willen doen. In Zuid Limburg was er de Stichting Limpens, die het studeren van onbemiddelde kinderen geacht werd te steunen. En onbemiddeld was mijn vader. Op zijn zestiende stond hij er helemaal alleen voor. Zijn grootmoeder, die hem vanaf zijn vierde levensjaar had verzorgd en opgevoed, was net gestorven. Zijn aanvraag om steun werd echter afgewezen. ”Ga jij maar de mijn op,” was het advies, dat hij mee naar huis kreeg van de plaatselijke notabelen, bij wie zo´n verzoek moest worden ingediend. De pastoor maakte daar ook deel van uit.
Het was een publiek geheim, dat kinderen van welgestelden konden studeerden op kosten van de stichting ”Limpens”. Mijn vader komt daar niet voor in aanerking en gaat dan maar naar de mijn. Eerst bovengronds, in de leer voor mijnmeter. Het loon stelt niet veel voor. Hij is nu bij familie op de Eindstraat in de kost en kan net een beetje kostgeld betalen.
Als hij achttien is, komt er een weduwe met vier kinderen uit Essen naar Schinveld. Zij gaan verderop in de Eindstraat wonen, tegenover het huis van de familie Schröder. Daar komt mijn vader veel over de vloer. Zodoende ontgaat het hem niet, dat er in het huis van de weduwe een schone dochter rondloopt van zijn leeftijd. Ze krijgen verkering en ook trouwplannen. Hij heeft geen cent en zij ook niet. Dan zit er niets anders op dan als mijnwerker ondergronds te gaan werken. Het is dan 1930 en crisistijd. Je mag blij zijn dat je werk hebt. Ook op de mijnen worden mensen ontslagen. Hij blijft echter aan het werk en in 1933 kunnen ze gaan trouwen.
Bij de familie Rooks aan de Eindstraat kunnen ze een kamer huren met gebruik van keuken. ln 1934 wordt hun eerste kind geboren, een zoon, Franciscus Theodorus. (Deze overlijd vier jaren later). Intussen zijn op de Berg, aan de Kloosterlaan, huizen gebouwd door de Gemeente Schinveld. Zij krijgen een van de gemeentehuizen toegewezen. Het zijn goede huizen met een flink stuk tuin, maar op slechte zandgrond. Daar wordt in 1936 de tweede zoon geboren, Albert. Genoemd naar zijn peetoom Albert Van Hoeije, die drie jaar ouder is dan mijn vader en moeder.
Mijn vader verdient inmiddels als 24-jarige houwer een goede boterham. Hij mag nu ook naar de mijnschool in Heerlen, een avondopleiding tot mijnopzichter. In 1938 slaagt hij voor de mijnschool en wordt mijnopzichter op de Staatsmijn Hendrik.
Er is weer een verhuizing op komst. Kruidenier Vromen heeft twee huizen onder een kap gebouwd aan de Kloosterlaan, zoals al eerder beschreven. Daar verhuizen ze in 1938 naar toe. Een kwestie van heel schuin oversteken. In het kleine voortuintje ontwikkelt zich een acasia (Robinia pseudoacasia). De meeste andere huizen in dit deel van de Kloosterlaan hebben geen voortuintjes en ook geen boom voor het huis.
Terug naar het jaar 1946.
De plannen om naar Nederlands-Indië te gaan worden steeds concreter. Mijn vader gaat in Gouvernementsdienst, op een contract voor drie jaar, werken bij de Oost-Borneo Maatschappij. Vader gaat eerst en mijn moeder en ik mogen na een halfjaar hem achterna komen. De reden hiervoor is, dat de huizen voor de gezinnen nog in aanbouw zijn. Voor mijn moeder is dit laatste geen goed vooruitzicht. Het legt een zware wissel op hun relatie. Zij moet zich erg verlaten gevoeld hebben. Met de beste bedoelingen had hij geregeld, dat zijn neef Zef Jacobs en zijn vrouw Mia Hoen, op de bovenverdieping kwamen wonen. Er was grote woningnood en dus was het jonge stel er goed mee geholpen.
gelissen gelissen gelissen


De winter van 1946 op '47 is er weer een met veel sneeuw. Mijn vader had al eind 1944 een slee voor mij gemaakt van hout van munitiekisten en ook de rondijzers waren daarvan afkomstig. Die slee had al flink dienst gedaan in de voorafgaande jaren. In de bossen waren paden die zich heel goed leenden om er met een slee vanaf te glijden. Terwijl mijn vader de ski’s weer eens onderbindt om te gaan langlaufen, vermaak ik me bij huis met de slee. De zandheuvels voor ons huis zijn er nog steeds. We gaan ook samen naar de meertjes bij Duschak, vlak bij de grens, om er te schaatsen. Mijn vader heeft nog oude Friese doorlopers, en zoals met vele andere sporten, gaat hem het schaatsen ook heel goed af. Ik heb ook een paar schaatsen gekregen, waarschijnlijk met Kerstmis. Na veel vallen en opstaan heb ik het eindelijk en beetje onder de knie, maar remmen en daarbij een slag omdraalen, is me nooit gelukt. Het schaatsen van mijn vader was een genot om te zien. ln trui en lange broek, waarvan de pijpen in de sokken, maakte hij met lange slagen zijn rondjes op de vijver. Hij had nooit een muts op, maar wel een stel zwarte oorwarmers aan een stalen veer.
Eind december kwam er een grote hutkoffer met ijzerbeslag in huis. Vader begon wat spullen in te pakken, die in de tropen van pas konden komen. Hij nam ook een paar fotoalbums mee. Begin januari ging de hutkoffer met Van Gend en Loos naar Amsterdam, om daar in het ruim van de ”Johan van Oldebarneveldt” te verdwijnen.
We vierden nog een keer samen Kerstmis en Nieuwjaar in ons huis aan de Kloosterlaan. In januari viel er een flink pak sneeuw, dat lang bleef liggen. Er werden door neef Zef Jacobs foto’s van mij en mijn vader gemaakt met de slee in de sneeuw. Geen foto waar mijn moeder op staat. Ik denk dat het niet zo goed met haar was op dat moment. De dag van vertrek komt nu snel naderbij. Ik herinner me heel goed dat ik hem per taxi naar het station in Sittard heb gebracht en dat mijn moeder niet mee was. Ik kreeg van mijn vader tien gulden om er boeken van te kopen. Daarop volgde een stevige omhelzing en stapte hij in de klaarstaande trein naar Amsterdam. Hij moest op 5 februari 1947 inschepen op de Johan van Oldebarneveldt. Samen met hem ging nog een collega van de Staatmijn Hendrik, nl. Sam Hoeksma uit Brunssum. De derde man was Zef Slangen. Sam was vrijgezel, maar Zef was ook getrouwd en kwam waarschijnlijk van de Maurits in Geleen. Alle drie hadden als eindbestemming Loa Koeloe bij Samarinda, Oost-Borneo.
De gezagvoerder van de Johan van Oldenbarneveidt was Kapitein Roterink. Het schip was in 1920 gebouwd met een brutotonmaat van 19.500 ton en was 185 m lang en 23 m breed, met een diepgang van 8,5 meter. Alleen de Nieuw Amsterdam en de Oranje waren groter. Twee dieselmotoren van 7000 PK zorgden voor een snelheid van ongeveer 30 km per uur of 720 km per dag. Naast de gezagvoerder waren er nog 38 officieren en 241 manschappen nodig om deze boot te laten varen.
Aan boord heeft mijn vader een hut samen met 13 andere mannen. Hij is zeer tevreden over de groep. De militairen slapen op grote slaapzalen, apart van de passagiers. Zij mogen ook niet overal op het schip komen. Zij zorgen wel voor wat afleiding aan boord, door het maken van muziek en cabaret. Mijn vader leert aan boord bridgen en speelt het ook heel veel. Hij houdt een klein dagboekje bij, en aan de binnenkant van de kaft heeft hij de telling geschreven: ruiten en klaveren 20, schoppen en harten 30, sans 40, 2 sans 70 en 3 sans 100. Hij is 's morgens vroeg al op het sportdek te vinden en heeft ook zijn expander meegenomen. De hutgenoten krijgen de veren niet uit elkaar, maar hij natuurlijk wel, geoefend als hij is. De boot heeft 2 keer motorpech, maar men kan het zelf repareren. In Port Said mogen de passagiers toch nog van boord; de soldaten moeten aan boord blijven. Van het uitstapje zijn twee foto’s bewaard gebleven. Voor moeder kocht hij daar een mooi bewerkte, leren weekendtas en een leren poef (zltkussen). Beide stuurde hij op. Hij schreef ook veel brieven naar huis en naar vrienden. Waarschijnlijk is daarom het reisverslag wat onpersoonlijk geworden. Hij noemt nauwelijks namen van medereisgenoten. Alleen de naam van Jhr. Ruys de Berenbrouck wordt een aantal keren genoemd, kennelijk de hoogste bobo aan boord.
Pas in Sabang, een haven in Noord Sumatra, kunnen soldaten en passagiers een paar dagen van boord en maken voor het eerst kennis met Ned. lndië. Van hieruit is het nog een paar dagen varen naar Batavia. Waarschijnlijk zijn ze daar op 4 of 5 maart 1947 aangekomen.
Hoe mijn vader van Batavia naar Loa Kulu is gereisd, vertelt het reisverslag niet meer. Het meest voor de hand ligt een reis van zeven dagen met een KPM-boot van Batavia naar Balikpapan of Samarinda. Het alternatief kon zijn vliegen met een DC3 van Batavia via Surabaya naar Balikpapan. Van daaruit met de postboot naar Samarinda en met een klein bootje naar Loa Kulu. Reisduur 2 dagen.

gelissen gelissen
Links: Het diploma dat mijn vader kreeg op de sportdag van 9 sept 1945.
Rechts: De oorkonde die mijn vader ontving bij zijn vertrek naar Indië.
Hierop is duidelijk te zien dat hij van 1944 tot 1947 voorzitter van SV Olympia was.

Hoofdstuk 2. Mijn jeugdjaren tussen 1947 en 1951.

Tot zover de reis van mijn vader naar Ned.-lndie. Hoe verging het intussen mijn moeder en mij in het Limburgse Schinveld? Zef Jacobs en Mia Hoen trouwden en trokken bij ons in na enkele aanpassingen aan de woning. Mijn moeder sliep beneden in de voorkamer. Voorlopig sliep ik nog boven op mijn eigen kamer. Mijn vader schreef wel, maar de post deed er langer over dan de plaatselijke roddel. Dat laatste bracht mijn moeder nogal van haar stuk. De inwoning deed haar geen goed. Er was een moment waarop ze ”Tant Bil”, een in oude Limburgse klederdracht gehulde oude vrouw uit Brunssum, er van verdacht de kippeneieren in ons kippenhok te hebben vergiftigd. Ze ging in een complot-theorie geloven. Ze was bang dat ze vader zou verliezen aan een ander en ze was bang dat men haar ook iets wilde aandoen. Vanaf dat moment ging ik bij haar slapen.
Op een nacht in april was opeens het hele huis in rep en roer en mijn moeder lag niet meer naast mij. Zij bleek in haar nachtjapon naar het klooster gelopen te zijn, om daar steun te zoeken bij een goede vriend van mijn vader - kapelaan Schrijnemakers. Het resultaat was dat ik haar niet meer teruggezien heb tot eind augustus. Ze was diezelfde avond opgenomen en bleek, veel later, te zijn opgenomen in de psychiatrische inrichting ”Coudewater” te Rosmalen. Ik werd meteen opgenomen en verzorgd door het inwonende echtpaar.
Het leven ging weer gewoon door en ik paste me weer aan. Mijn oom Funs van Hoeye onderhield het contact met ”Coudewater”. Veel nieuws leverde dat niet op. Mijn nieuwe kosthuis beviel uitstekend. Het eten was lekker. Zij kon goed koken en maakte heerlijke toetjes. Hij was bakker en bracht vaak gebakjes mee. Daarnaast had ik mijn vriend Stephan en zijn ouders, waar ik goed mee kon opschieten. Ik won een fles wijn met pijltjes gooien tijdens een weidefeest van de plaatselijke Harmonie St.Caecilia. Die was natuurlijk voor de pleegouders, want met tien jaar dronk je nog geen alcohol.
In mei maakte ik kennis met mevr. Schroe uit Chevremont. Zij zou met haar zoon Nico van elf in juni naar Loa Kulu vertrekken en zou mij, op verzoek van mijn vader, mee willen nemen. Mijn voogd, Johan Schröder, had daar al mee ingestemd. Hiertegen kwam echter mijn oom Funs in het geweer. Hij zorgde er voor dat ik bij mijn moeder bleef en alleen samen met haar naar Indië zou gaan.
Zoals gezegd ging ik met mijn oom Fons ergens in de maand augustus op reis met de trein naar Den Bosch en met de bus naar de inrichting ”Coudewater” in Rosmalen. Samen met mijn moeder wandelden we door de tuin. Ze droeg een winterse jurk, verschoten door het vele wassen, nu midden in de zomer. We kregen te horen, dat mijn moeder goed herstelde en dat ze in september naar huis zou komen. Dat was goed nieuws.
Pas heel veel later vertelde ze mij, dat het een dubbeltje op zijn kant geweest was of ze was er niet meer geweest. Het onderwerp ”Coudewater” bleef altijd taboe. (Wat een naam voor een psychiatrische inrichting !).
Hoe ze zich gevoeld had, wat er met haar gebeurd was, ze hield het bij zich. Voor mij was er maar een ding belangrijk: ze kwam weer gauw naar huis en samen zouden we alles in orde maken om naar mijn vader en haar man op Borneo te gaan. De brieven van mijn vader waren nu een grote steun. Er moest van alles gebeuren. Welke dingen moesten mee naar Indië? Mijn vader had ook een hele speciale wens en dat was een stengun. Het meest simpele pistoolmitrailleurtje van de Engelsen. Het lukte mijn moeder er een op de kop te tikken. Verborgen in de buik van haar Pfaff-naaimachine maakte het wapen een voorspoedige overtocht. In de kist van een halve kubieke meter kon niet zo erg veel mee. Vooral beddegoed, bestek, porcelein en glaswerk (o.a. de zes kristallen wijnglazen), keukengerei, een radio, kerstversiering en linnengoed. De kist werd tenslotte bij de smid in het dorp, de heer Bleilebens, van stevige bandijzers voorzien en dusdanig aan elkaar geklonken, dat het elke dief moest ontmoedigen deze kist leeg te halen. Het meubilair werd door mijn moeder over familie en bekenden verdeeld.
Voordat het echter zover was moesten we eerst enkele dagen naar Den Haag. De groentenman Diederen uit onze straat ging regelmatig naar de groenteveiling in het Westland. Hij was bereid om ons naar Den Haag te brengen. Samen op de bijrijdersstoel, maakten mijn moeder en ik de lange tocht naar Den Haag. Mijn vader had een logeeradres geregeld ergens in Den Haag, bij een alleenstaande dame op één hoog. De gang rook naar een petroleumbrander. Diezelfde middag begon onze tocht langs talrijke instanties. Van vader hadden we een hele lijst gekregen. Bij de Oost-Borneo Maatschappij moesten de reispapieren worden opgehaald. Ergens anders moesten de visa geregeld worden. Ook kregen we extra bonnen voor de aanschaf van een tropenuitrusting. Mijn tropenuitrusting bestond uit een wollen pakje, maar met korte broek. Er was niet veel te koop. We moesten ook worden ingeënt en gekeurd. Dat lukte niet in een dag.
Na sluiting van de kantoren gingen we iets eten en namen een taxi naar ons logeeradres. Een straatfotograaf zette ons op de kiek: mijn moeder in een lichtgrijze jas met heel veel knopen en een bruin hoedje op haar hoofd; ik met een lichte regenjas en een soort vliegersmuts op. Ik was groot voor mijn leeftijd en mij bewust van mijn verantwoordelijkheid voor het slagen van deze ondereneming. Het logeeradres was goed en ik denk dat we wel wat geslapen hebben, ondanks het geknars en gekrijs van de trams in de straat. De volgende dag zaten we weer bijtijds aan het ontbijt en namen daarna afscheid van onze gastvrouw. We moesten nog enkele zaken afhandelen die dag. Gelukkig verliep alles voorspoedig en konden we ‘s middags bijtijds op de trein stappen naar Sittard. Operatie Den Haag geslaagd!
Begin september was ik samen met Stef aan de zesde klas begonnen, de klas van meester Senden, dle tevens hoofd der school was geworden en de opvolger van meester Baggen. Op een bepaald moment kwam er een fotograaf op school. Hij maakte foto’s van mij met Stef en André in de schoolbank en ook van mij met Frans Diederen van de houtzagerij en Jacques Joosten. De foto’s moeten in november gemaakt zijn. De jongste broer van Frans Diederen, Sjaak, was ziek. Hij kreeg van mij een heel dik boek met prachtige platen van Afrikaanse dieren (Oh wonder, ook hij is later bioloog geworden). Stef kreeg ook een paar dikke boeken, nog afkomstig uit de oorlogsbuit.
gelissen gelissen
links: October 1947 in Den Haag
In twee dagen worden alle formaliteiten voor de reis naar Indië geregeld.
rechts: Ons passagebiljet voor de Willem Ruys


Met de ”Willen Ruys” naar Nederlands-Indië.

Op 2 december 1947 vertrokken mijn moeder en ik vanuit Rotterdam met het nieuwste schip van de Rotterdamse Lloyd, de ”Willem Ruys”. Het werd de eerste reis van dit nieuwe schip en de eindbestemming was Batavla. We reisden 2de klas en we hadden een gerieflijke hut. Twee bedden boven elkaar. Ik sliep natuurlijk in het bovenste bed. Alhoewel ik nog geen twaalf jaar was, mocht ik toch met de grote mensen aan tafel. Alles aan de boot was even mooi en nieuw. De tweede klas beschikte over mooie salons met bar en bibliotheek. Ook de eetzaal was prachtig. Mijn moeder en ik aten aan een ronde tafel in de buurt van de roltrap waarlangs de bedienden (Javanen) met het eten uit de keuken kwamen. Daar ging af en toe wel eens wat mis.
We vertrokken tegen vier uur en nog voor het avondeten was er een algemene sloepenrol op volle zee. Het alarm ging af en iedereen moest naar zijn eigen sloep op het sloependek en het zwemvest moest om.
De boot hield nu koers op Southampton, een Engelse haven. Hier kwamen nog heel wat Engelse passagiers aan boord. Ook wij kregen een Engelsman aan tafel. Tijdens de lunch de volgende dag kregen we croketten. We zaten met acht mensen aan tafel en er waren ook acht croketten. De Engelsman begon direct met 3 croketten op te scheppen. Dat ging natuurlijk spaak lopen. Er zat niets anders op dan croketten bij te bestellen. Met de voeding was het kennelijk niet goed gesteld in het Verenigd Koninkrijk. De rest keek elkaar maar eens aan en deed er het zwijgen toe. Er was gelukkig van alles genoeg. De Engelse gasten gingen mee tot Singapore.
De volgende dag zaten we al in de Golf van Biscaje en natuurlijk ook in het slechte weer. Het stormde behoorlijk en het duurde niet lang of de zeeziekte sloeg bij mij toe. Mijn moeder had er totaal geen last van en zat weldra ongeveer alleen aan de eettafel. De rest was geveld. Op 4 december zaten we al in de straat van Gibraltar en op 5 december kwam Sinterklaas vanuit Spanje aan boord. Voor deze gelegenheid mocht ik ook naar het kinderdek, want anders zou ik mijn kadootje mislopen, en de pepernoten en al de rest. Ik was weer even kind, weliswaar ongelovig, want meende in Sinterklaas de hoofd-stewart te herkennen aan zijn opmerkelijke zegelring. Dit feest kon echt niet stuk.
Verder ging het nu door de Middellandse zee richting Egypte en het Suez-kanaal. Aan boord was er veel te verkennen. Er was een sportdek en er was ook een zwembad aan boord. Mijn favoriete spel was het dektennis. Dit werd gespeeld met een rubberen ring met een diameter van 15 cm. De ring moest door de tegenpartij opgevangen worden en weer teruggegooid. Je kon het met twee man spelen, maar ook met twee teams van vier of zes man. Tot nu toe had mijn wollen pakje goede diensten bewezen, want het was nog geen dag warm geweest.
Aan de lange zijden van het dek stonden rijen dekstoelen. Nu zat er nog niemand, maar dat zou in de buurt van Egypte wel anders worden. Er was ook een filmzaal en een grote recreatiezaal. Zelf zat ik graag te lezen in een van de salons. Moeder bleef graag in de hut en nam daar haar rust. Het eten vormde daarop een welkome onderbreking. Ik mocht mijn gang gaan en genoot van de zee, de vliegende vissen en de dolfijnen, die met het schip meezwommen. In de lucht een voortdurende begeleiding door meeuwen.
Na enkele dagen waren we in Port Said. We mochten niet van boord, want er heerste cholera. Rondom de boot zwommen jongetjes, die naar munten wilden duiken. Er kwamen wel een paar goochelaars aan boord: mannen in een wit gewaad en een rode fez op het hoofd. Ze toverden overal kuikentjes uit en balletjes en doekjes etc. Ik weet niet meer of ze ook koopwaar bij zich hadden, waarschijnlijk wel. De bekende lederwaren en mooie doeken. Na een paar uur moesten ze weer van boord. Op het water waren ook de verkopers in bootjes. Zij hadden vooral leren tassen, riemen en wat je allemaal nog meer van leer kunt maken. Ze wierpen een touw naar boven, handelden over de prijs, deden de koopwaar in een mandje dat aan het touw vastzat. Het geld moest in een zakje aan het andere uiteinde van het touw. Bij het omhooghalen van het mandje zakte het zakje. Zo kreeg de koper zijn waar en de koopman zijn geld. De kooplui aan boord kenden ook een zinnetje Nederlands: ”Kijke, kijke, maar niks kope.”
Langzaam voer de boot nu door het Suez-kanaal. Links of wel aan de bakboordzijde van het schip strekte zich een enorme woestijn uit. Rechts, dus aan stuurboord, was nog wat begroeiïng met palmen en gras. Af en toe een paar huizen en soms een hotel. Het werd snel donker en tijd voor het diner. Het zou me niet verbazen als we toen kip op het menu hadden. Bijna een jaar geleden was mijn vader ook hier door het Suez-kanaal gevaren. Zijn collega Zef Slangen stuurde bij die gelegenheid een telegram naar buis met de woorden: ”Berg Sinai gepasseerd, Mozes niet gezien”. Dat grapje kostte hem tien gulden. Mijn moeder en ik hadden een stel kaarten met de Willem Ruys, varend op de Nieuwe Waterweg, gekocht en naar familie en bekenden gestuurd. Ik bediende natuurlijk mijn vriendjes.
Via de Rode Zee en de Golf van Aden zetten we koers op de Indische Oceaaan. Hier kwamen voor de tweede keer in een stevige storm terecht en werd ik promt weer zeeziek. Moeder had ook nu weer geen last en had de eetzaal waarschijnlijk weer bijna helemaal voor zichzelf. De boot schoot hard op. De eerstvolgende haven die we zouden aandoen was Singapore; het einddoel van de meeste Engelse passagiers. In Singapore gingen niet alleen de Engelsen van boord, maar ook de Chinese wasvrouwen. Ze waren in staking gegaan en werden zonder pardon aan de wal gezet. Ze zaten een hele tijd op hun hurken in twee rijen op de kade. Wij konden hier niet van boord. 's Avonds ging de reis weer verder.
Op 22 december bereikten we Batavia. Iemand van het OBM-kantoor ving ons op en bracht ons naar ”Hotel de Leien” aan de Molenvliet. Een plaatje van een hotel uit tempo doeloe. Het hoofdgebouw van hout en op palen, met een brede houten trap naar de entree. Aan de achterkant in de tuin waren twee rijen kamers in steen opgetrokken. Elke kamer had een veranda met een zitje en een mandi-kamer, een aparte vorm van badkamer. Met een speciaal bakje of blik schepte je water uit de vierkante mandibak en gooide dat over je heen. Het water in de bak was altijd lekker koel. We konden ons lekker opfrissen voor het eerste diner in het hotel. Dat werd een echte rijsttafel. We zaten met tien gasten aan tafel. Een rij Javaanse bedienden stond klaar met een veelheid van lekkere gerechten. Diverse satees, gebakken pisang, vleesgerechten in diverse sauzen en een verscheidenheid aan goenten. Bij deze tropische temperaturen smaakte deze rijsttafel met nasi putih (witte rijst) heerlijk. De Nederlandse eigenaar heette ons hartelijk welkom.
Terug op de kamer maakten we voor het eerst kennis met de muurhagedijes of tjitjaks. Ze joegen op de muggen. De bedden waren voorzien van klamboes of muskietennetten. Ook ‘s nachts bleef de temperatuur hoog en dat was even wennen.
De volgende dag maakten we kennis met een jonge vrouw, die naar haar man in Balikpapan moest. Haar man gaf les op een MULO in Balikpapan en heette Wiersma. Ik ging al gauw op verkenning in de tuin. Naast ons hotel was een post van het Rode Kruis. Daar was het druk met af en aan rijden van jeeps en ambulances. Aan de overkant van ons hotel was de kali. Op regelmatige afstand waren er trappen die tot aan het water voerden. Daar zaten mannen hun tanden te poetsen, vrouwen hun was te doen en weer anderen deden er hun behoeften. Gingen we vanuit het hotel links af, dan kwamen we uit bij de Katholieke Kathedraal. Het was bijna Kerstmis. Op 24 december woonden we er de nachtmis bij. Een vreemde ervaring om in deze omgeving het kerstfeest te vieren. Toch was het ook weer erg vertrouwd door de liturgie, de liederen en de kerststal.


gelissen
Loa-Kulu 1948
Ons huis in Loa Kulu bij Samarinda aan de Mahakam.



Onze eerste vliegreis op 5 januari 1948 van Batavia via Surabaya naar Balikpapan op Borneo.

Inmiddels wisten we dat we nog veertien dagen moesten wachten op onze vlucht naar Balikpapan. Vraag me niet wat we al die tijd in het hotel gedaan hebben. Ik heb wat gespeeld met een paar kinderen die er waren. Er was een bal om wat te voetballen. Met moeder ging ik af en toe winkelen op de pasar baru, die vlakbij was. Veel geld was er niet om iets te kopen. Geen idee hoe dat geregeld was. Ook kwamen er af en toe mensen bij het hotel om iets te verkopen. Op een dag kwam er iemand met een houten kistje, versierd met koperbeslag. Moeder kocht het en mevrouw Wiersma maakte er foto’s van. Toch waren de 14 dagen vrij snel om. Opeens was het zover. We moesten heel vroeg op, want om zes uur zou ons toestel vertrekken. Voor ons was het de eerste vliegreis ooit. Op het vliegveld was het nog donker toen we daar met het busje aankwamen. De bagage werd ingeklaard en wij werden even later ook naar het toestel gebracht. Het bleek een militair toestel. Een DC 3 met alleen metalen banken langs de zijkanten . Onder de passagiers was ook een heer in korte broek en korte grijze jas. Het bleek de heer Waanders, die chef van de timmerwerkplaats in Loa Kulu zou gaan worden. Het was nog koel in het vliegtuig toen we opstegen. Het zal allemaal wel erg spannend geweest zijn, maar ik heb daar denk ik niet veel van laten merken. We zaten al gauw op drie duizend voet hoogte. Dat lijkt meer dan het is. We vlogen langs de Noordkust van Java. Alles was nog vrij dichtbij, want we zaten maar 900 m hoog.
We waren om zes uur vertrokken en om 12 uur gingen we landen in Surabaya. Het was tijd voor een goede lunch. Het was er warm en de zon scheen onbarmhartig op het verlaten toestel daar op het platform. Na een pauze van een klein uur gingen we weer aan boord. De hitte sloeg ons tegemoet toen de deur openging. Het was net een bakoven. De piloot maakte gelukkig haast met het vertrek. Eenmaal weer op hoogte, zakte de temperatuur razend snel. Het toestel zette koers op Banjermassin, een stad aan de Zuidkust van Borneo (Kalimantan). We vlogen nu over de Javazee. Een paar uur alleen maar water. Af en toe een boot of prauw. Na bijna twee uur waren we er. Enkele passagiers stapten hier uit en al gauw zaten we weer in de lucht. Het lawaai van de twee motoren overstemde elk gesprek. We vlogen nu boven de boerenkool, ofwel de uitgestrekte oerwouden van Borneo. Wat een contrast met Java. Het cultuurlandschap van Java vinden we nu eenmaal mooier dan deze bomenmassa.
Om zes uur precies werd het toestel in Balikpapan aan de grond gezet. Het doel was bereikt. En wie stond ons daar op te wachten? Inderdaad, mijn vader stond daar zo maar op het platform. Na een jaar zagen we hem eindelijk terug. Hij stond daar, helemaal in het wit, en zwaaide naar ons toen we door de deur van het vliegtuig naar buiten kwamen. Het was een hartelijk weerzien. Er werd even stevig geknuffeld, maar veel tijd voor emoties was er ook nu weer niet. We namen afscheid van mevr. Wiersma. Haar man was er ook, helemaal in kaki. Na het verzamelen van de bagage ging het snel met een taxi naar het hotel in Balikpapan. Dat was nog een flink eind rijden. Het was dan ook al donker toen onze taxi een weg naar een heuveltop insloeg. Juist op die plaats stond een grote struik met honderden lichtjes van vuurvliegjes. We waren mooi op tijd voor het diner, maar eerst een goed bad in de mandikamer en andere kleren aan. Die avond lag iedereen vroeg in bed. Mijn ouders hadden elkaar ongetwijfeld veel te vertellen, Ik kon ook alleen maar blij zijn dat die twee mensen, mijn ouders, eindelljk weer bij elkaar waren.
De volgende dag was het weer vroeg dag, want we moesten met de Postboot van Balikpapan naar Samarinda. Dat bleek ook een dag varen te zijn. Nu hoorde ik ook van vader, dat hij hier in Balikpapan 14 dagen op ons had zitten wachten. Toen we in Samarinda aankwamen was het al weer donker. Maar we waren er nog niet. Er lag een klein motorbootje, de Mary 3, op ons te wachten. Samarinda naar Loa Kulu was het nog 3 uur varen tegen de stroom van de Mahakam rivier in. De nacht was gelukkig helder. Door het meanderen van de rivier leek het alsof je constant op een meer zat. Na een half uur varen sloeg plotseling de motor af.De stuurman legde de boot aan een klein steigertje aan. De matroos dook bij de schroef het water in en haalde een kluwen van waterhyacinten en wier uit de schroef. Gelukkig konden we weer verder. Na drie uur gingen we een bocht om en zagen plotseling lichten aan de linker oever. Het werden er steeds meer. We voeren voorbij een grote steiger met enorme kolenbunkers en vier grote hijskranen. Een eindje verder was er weer een steiger bij een serie wit geschilderde nissenhutten. Hier stopte het bootje en legde aan. Aan het eind van de weg die bij de steiger uitkwam, brandde volop licht in een van de huizen.
Plotseling kwamen er mensen aanlopen. Voorop mevr. Schroe, die ik al kende. Het was een hartverwarmend welkom om half elf ‘s nachts. Ook de vrienden van mijn vader Lil en Joep Geilenkirchen, de fam. Marinus en de fam. Diederen waren er bij. Eerst eten en drinken en wat op verhaal komen en daarna door de stilte van de nacht gezamenlijk naar ons huis lopen. Dat was niet vlak naast de deur. Links en rechts van de asfaltweg, die parallel loopt aan de rivier, staan grote houten huizen op palen. Deze huizen stonden er ver voor de tweede wereldoorlog ook al. De nieuwe stenen huizen zijn hoger in de heuvels gebouwd. De lampen in de ijzeren lantaarnpalen verlichten de weg. Na 500 m moeten we linksaf in de richting van de heuvels lopen. Ook langs deze sintelweg staan ijzeren lantaarnpalen. Na honderd meter is er een vierprong. Hier moeten we rechtsaf en na 20 meter staan we voor ons huis; de rechterhelft van een ”twee onder een kap woning”. We zijn thuis, eindelijk, en ze hebben hier ook nog straatverlichting, midden in de rimboe. Wat een luxe. Veel belangstelling voor de inrichting van ons huis heb ik die avond niet meer. Ik zoek mijn eigen kamer en die is er. Lekker ruim, met een bed, voorzien van een witte klamboe, een kleerkast en een stoel. De muren wit gesausd. Snel mijn koffer uitpakken, mandiën en naar bed. Maar eerst nog een banaan. Ik moet een voldaan gevoel gehad hebben. Vanaf nu kon ik weer een beetje kind zijn, met een vader en een moeder, die hun verantwoording weer konden nemen. Ons adres is vanaf nu: Familie Gelissen, Loa Kulu bij Samarinda, Oost-Borneo, Nederlands-Indië. Meer is niet nodig. Loa Kulu bij Samarinda aan de Mahakam.


gelissen
30 juni 1948
de familie Gelissen in Loa-Kulu bij Samarinda op Oost-Borneo.
Albert en Joep zijn die dag samen jarig (12 en 36 jaar)

De rivier is het eerste wat ik de volgende dag zie vanaf ons terras aan de voorkant van het huis. Zijn bedding blijkt hier 500 m breed en gevuld met lichtbruin water. Dat water komt ook uit onze kranen in de keuken en de badkamer. De rivier stroomt hier tussen twee heuvelruggen door van geringe hoogte. De heuvels aan de overkant zijn bedekt met oerwoud. Aan onze kant zijn ze vrij kaal, in verband met de bouw van al die nieuwe huizen en de aanleg van wegen om die huizen te kunnen bereiken. Aan de voet van onze heuvel is een moeras. Een broedplaats voor muskieten. Daardoor hebben we wel vrij uitzicht op de rivier. Links van ons huis is men bezig met het bouwen van nog vier woningen. Daarmee is de bouwgrond aan onze straat ook op. Onze heuvelrug buigt naar de rivier toe. De laatste twee huizen in aanbouw, hebben uitzicht op een flink deel van de rivier, omdat ze haaks staan op ons huis en ook hoger in de heuvel gebouwd zijn. Mijn vader vindt dat uitzicht heel mooi. Toen die huizen na een paar maanden klaar waren, zijn we dan ook meteen verhuisd. Zover is het echter nog niet.
We hebben buren, maar die komen voor de afwisseling eens niet uit Limburg. Het is een nog jonge boekhouder met zijn vrouw, de fam. Weishijer. De familie Diederen en Schroe wonen om de hoek, naast elkaar. Sjeng Diederen en Nel, zijn vrouw, komen oorspronkelijk uit Hoensbroek. Ze hebben geen kinderen en hebben beide het Jappenkamp overleefd. Ze werkten voor de oorlog 40-45 ook al bij deze onderneming. Hein en Miets Schroe komen uit Kerkrade. Zij hebbenn een zoon van mijn leeftijd, Nico. Alle drie hebben ze ook het Jappenkamp overleefd. Ook zij waren al voor de oorlog hier aan het werk. Jet Marinus en haar man, uit Roermond, zijn ook overlevers en oudgedienden. Zij bewonen een van de grotere huizen op de hoogste heuvelrug. Marinus staat wat hoger in de hierarchie dan de andere ondergrondse opzchters. De baas van de onderneming is op dit moment ir.Wittich. Zijn huis staat op een lagere heuvel aan de voet van de hoge heuvelrug,en hij kijkt uit over het werkterrein, de haven met zijn kolenbunkers, de kantoren en de huizen van de gastarbeiders uit Flores en Timor. Hij woont ook vlakbij de tennisbaan en de soos, een houten gebouw van voor de oorlog, boven op de hoogste heuveltop. Het wordt nu tijd dat, ik Nico leer kennen .
Ik word op mijn wenken bediend, want hij komt er al aan. Nico loopt hier al weer een halfjaar rond. We gaan samen maar eens op pad. Eerst maar eens naar ons schooltje. We lopen richting rivier en daar is het schooltje al. Op palen aan de rivier en opgetrokken uit hout en met baboewanden. Drie klaslokalen met tafels en stoeltjes uit de eigen werkplaats van de onderneming. Klas 1 en 3 zitten bij elkaar en krijgen les van een van de Nederlandse militairen, die hier blijken te zijn. Klas 2 en 5 krijgen les van een mevrouw, echtgenote van een employer. Klas 4 en 6 krijgen les van meester Scheffer, die tevens opzichter is. De lessen beginnen om 7 uur en duren tot 1 uur. De wc’s zijn boven het water gebouwd.
We hebben het wel gezien en gaan verder richting centrum. Naast de school blijkt het echtpaar Geilenkirchen te wonen. Het is een van de grote huizen op palen aan de oever van de rivier van ver voor 1940. De palen zijn van ijzerhout (ulin) en rotten niet. Het huis zelf is van teak of ander hardhout en de dakbedekking is van ijzerhouten leien, siraps genoemd. Dit zijn donkerbruine plankjes van 10 x 25 cm en met een dikte van ongeveer 0,5 cm, uitlopend in een punt. Ze werden met koperen spijkers door voorgeboorde gaatjes vastgezet. Ijzerhout is zwaarder dan water en wordt aan de lucht en in het licht zwart van kleur.
Aan de andere kant van de weg woont de familie Mangindaan. Vader Mangindaan runt het kantoor van de OBM, de Oost Borneo Maatschappij. Hij bridged heel goed en heeft, met mijn vader als partner, al menige drive gewonnen. Nico legt uit dat bridgen hier het voornaamste tijdverdrijf is. Elke avond wordt er wel ergens gekaart, maar vooral in het weekend.
Door de week is eenderde van de opzichters halverwege de avond pas thuis van het werk en nog eens eenderde gaat dan aan het werk in de nachtdienst. Net als in Nederland werkt men in drie diensten nl. de ochtend-, middag- en nachtdienst. Zelfs op zondag moet er, zij het zeer beperkt, gewerkt worden. Enkele opzichters hebben dan pompwacht. Het uitvallen van een pomp kan een mijn onder water zetten. De mijnwerkers werden elke vrijdag uitbetaald. Naar verhouding verdienden de mijnwerkers ondergronds een behoorlijk loon. Als ze het niet meteen vergokten, zag je ze een paar weken niet meer op het werk. De beste houwers waren zij die op maandag weer kwamen werken en geld lenen, omdat het meeste geld vergokt was bij de chinezen, die op de vrijdag al bij het uitbetalingskantoor stonden te wachten met hun gokspelletjes.
De plaatselijke bevolking is in 1948 overwegend moslim. Ze zijn moeilijk voor het werk in de mijnen warm te maken. Vandaar dat er uit andere delen van Ned.-lndië, met name uit Timor en Flores, werkers en hun gezinnen naar Loa Kulu gehaald worden. Ze moeten dan nog leren om zonder al te veel risico voor zichzelf en de anderen ondergronds te kunnen werken. Ze kennen geen platte schop, laat staan dat ze er mee kunnen scheppen.
Wij lopen verder over dezelfde asfaltweg als die van gisteravond, alleen in de tegenovergestelde richting. Links en rechts staan nog enkele houten huizen. In een er van woont onze onderwijzer, de heer Scheffer. Hij woont er met zijn zuster, beiden ongehuwd. Hij werkt ook als hulpopzichter en zij heeft een kantoorbaan. We lopen verder en komen bij een open plek met rechtstreeks uitzicht op de rivier. Hier is ook een steiger, waar al de bouwmaterialen voor de nieuwe huizen en ook voor de mijnen worden aangevoerd. Het is ook een mooie plek om eens te hengelen.
We lopen verder en komen langs een extra groot uitgevallen huis aan het water. Dat is de kazerne of de tangsi. Hier liggen 30 Nederlandse militairen. Ze hebben ook een vrachtauto. Die wordt in ieder geval elke dag gebruikt om de post op te halen. Maar verder hebben ze hier niet veel te doen. Alleen de hospik. Die gaat met een paar maten regelmatig de kampongs langs om de mensen te helpen. Een van deze militairen geeft ook les aan ons schooltje. Hij noemt zijn naam, maar na tien stappen ben ik hem al weer kwijt. Er komt geen eind aan de huizen.
En hier is nu de pasangrahan of te wel het vrijgezellenhuis. We stappen via de brede houten trap naar boven en staan in een lange gang, die van voren tot achteren doorloopt. Aan weerszijden van de gang zijn de kamers. Zijn en mijn vader hebben hier ook een aantal maanden gewoond. Nu zit Sam Hoeksma er nog, want hij is nog steeds vrijgezel.
Aan de achterkant van het huis is een ruime veranda met een prachtig uitzicht op de rivier. De stroming is vrij sterk en er drijft van alles in het water. Hele boomstammen en plakken Eichornia, de waterhyacinth. We gaan even zitten. Van een van de bedienden krijgen we wat te drinken. Het ziet er troebel uit. ”Drink gerust, het is heel lekker fris.” Het is air djeroek. Geperste citroen in water. De Hollanders noemen dat kwast. Weer wat geleerd, maar dat ”ëier djeroek wilde ik nader uitgelegd hebben. Nou, air is water en djeroek is citroen. Heel simpel. Toch! Ben het geen citroenwater en ook geen kwast gaan noemen.
”Hoe komen ze hier eigenlijk aan drinkwater,” vraag ik aan Nico. ”Zie je daar die rare kast, smal van boven en breed van onder. Bovenin zit een speciale steen, een druipsteen. Daar doen ze gekookt, bruin water in, uit de rivier. De steen houdt alle vuil tegen en het heldere water valt druppel voor druppel in een emmer. Dan wordt het water nog eens gekookt en in lege Bols-flessen gedaan. Als je een koelkast hebt, zoals hier, dan kun je een lekker koel glas air jeruk maken.” Nico. bedankt de bediende met een ”terima kasih” en ik zeg het hem na.
We stappen op en gaan terug naar de weg. Nico wijst op het huis aan de overkant, van hout en ook op palen en met een echte tuin er om heen. ”Daar woont de familie Slangen met Johanna, Wim en Andre, haar kleinere broertjes. Even kennis maken.”
Johanna is iets jonger dan wij, maar ze is lang voor haar leeftijd. Ze is heel aardig en laat ons hun tuin en haar kamer zien. Achter het huis stapt een heel vreemde vogel rond. Zijn kop is kaal op een paar haartjes na. Net een oude dirigent met een pandjes-jas aan. Het is een maraboe. Ze hebben ook een hond. Die lopen er meer rond, allemaal lichtbruin met een witte vlek op de borst. Nico vertelt dat hij een aapje gehad heeft. Katten zijn er ook, maar die hebben allemaal een knik in de staart. Katten met een rechte staart blijken hier zeldzaam te zijn.
Met een opengepelde pisang in de hand trekken we weer verder. Rechts voor ons staat een groot houten kantoorgebouw, nu eens niet op palen maar op betonnen blokken. Er zitten heel veel ramen in. Aan de andere kant van de weg staan een aantal nissenhutten van golfplaat, aaneengeschakeld tot een grote gudang of magazijn. Hier zijn we vorige nacht aangekomen. Naast het magazijn loopt de weg naar de aanlegsteiger. Links zie ik nu een heel grote werkplaats, verdeeld in een timmerwerkpiaats en een garage voor auto’s. Er staat nu maar een auto in. Een oude Dodge. ”Die brengt de dames naar de naaister in Tenggarong”, is het kommentaar van Nico Schroe.” Naar later blijkt, brengt hij ook de mannen naar de sultan in Tenggarong, om er te tennissen, of te biljarten. Dit laatste meestal op zondagmorgen . De naaister wordt bij voorkeur op werkdagen bezocht. Zo rijden ze elkaar niet in de wielen. Nico vertelt me dat de meeste meubels in de nieuwe huizen in deze timmerwerkplaats gemaakt zijn. Alleen de zitjes in de woonkamers moeten zelf aangeschaft worden.
Onze verkenning voert ons nu achter het kantoor. Hier is een badmintonveldje, verderop een voetbalveld en tot mijn verbazing ook een korfbalveld. Daar blijkt mijn vader voor gezorgd te hebben. Een kolfje naar zijn hand. Achter de sportvelden zie ik nu een groot fabrieksgebouw met twee schoorstenen, waar zwarte rook uit komt. ”Dat is de electrische centrale,” zegt Nico. Dus daar komt ons licht vandaan, ‘s avonds.
We gaan terug naar de zijweg, die langs het huis van de fam. Slangen landinwaards loopt. We komen langs een groot stenen huis, dat op een lage heuvel gebouwd is. Dit is het huis van de baas, Wittich, weet Nico te vertellen. In de heuvel onder het huis hebben de Japanners gangen gegraven tijdens de oorlog. Schuilkelders?
We zijn nu ook vlakbij de tennisbaan en gaan er naar binnen. De baan is van cement en er is ook een kleine, overdekte tribune. Vanaf de tennisbaan omhoogkijkend, zie ik boven op een heuvel een mooi, houten gebouw, de soos. Via een steil weggetje gaan we naar boven om het gebouw te bekijken, waar het vertier van mijningenieurs, mijnopzlchters en andere employes zich afspeelt.
Er is op het mijnterrein ook nog een soort theaterzaal, want de ruimten in de soos zijn te klein voor grote groepen. Het belangrijkste heb ik nu volgens Nico wel gezien. Via de in de heuvel aangelegde weg lopen we nu weer naar huis. We komen langs het huis van Marinus, van ir. Klinkert, van ir. Stam en ir. B. en van Marsman, de sleepbootkapitein van de HOLLAND.
Dan gaat het weer een stukje omlaag, langs de steengroeve, tot aan de viersprong. We gaan links af naar het huis van Nico. We lopen de trap van tien stenen treden op en staan in de kleine voortuin van het huis van de fam Schroe. Via de veranda gaan we het huis binnen. Mevr. Schroe is zeer bedrijvig en vraagt honderd uit. Intussen is er wel wat te drinken en te eten. Vader Hein Schroe is de rust zelve en luistert maar, terwijl hij een pijpje rookt. Hij probeert soms wel iets nader uit te leggen, maar tevergeefs, hij komt er niet tussen. Na deze kennismaking begrijp ik, dat ik naast het Maleis ook het Kerkraads enigszins onder de knie moet zien te krijgen. En dan is er ook nog het ”Hollands”.
Intussen is het weer tijd om naar huis te gaan. Thuis is alles al gereed voor de warme maaltijd, Voor het eerst zitten we nu in ons huis aan tafel. Vader heeft wat eenvoudig serviesgoed aangeschaft, want de spullen uit Nederland zullen nog wel een tijdje op zich laten wachten. We hebben een kokki, die de toets van de kritiek van mijn vader niet kan doorstaan. Ze kan niet goed koken en is bovendien niet hygienisch. Hij vertelt over de moeite, die hij heeft gedaan, om kokki Karni over te halen om bij ons te komen werken. Tot nu toe kookt ze in het vrijgezellenhuis, maar ze wil er mee stoppen , om thuis te kunnen zijn voor haar kinderen. Haar man is bediende bij de baas. Deze wil ook graag Karni als kokki. Daar wil zij helemaal niets van weten. Ze wil niet samen met haar man ergens werken. Intussen laat ik mij de voorgeschotelde rijstmaaltijd goed smaken en vertel volop over wat ik deze ochtend al allemaal gezien heb. Moeder vertelt over de kennismaking met onze jonge buren, de Weishijers. Ze heeft haar beste Nederlands boven water moeten halen, maar het heeft haar toch goedgedaan.
Na het eten gaan vader en moeder een paar uur rusten. Daar heb ik nog geen zin in. Eerst moet ik de rest van het huis nog zien. We hebben een klein achtererf. Over de hele breedte van ons huis zijn hier de bijgebouwen. Ze liggen ruim een meter hoger dan het woonhuis. Langs al de kamertjes loopt een ruime, overdekte gang, zodat het personeel altijd droog het woonhuis en hun eigen kamers kunnen bereiken. Een van de kamers, de grootste, is de keuken. De kokki kookt op een kolenvuur. Er is een stenen aanrecht en planken voor pannen en potten. Voor de voorraden is er nog een speciale gudang of voorraadkamer, grenzend aan de eetkamer. Naast de keuken is nog een opslagruimte voor koffers en kisten en aan de andere kant een slaapkamer cq woonkamer. Daarnaast is de mandikamer met een hurk-toilet. Hier wordt ook de was gedaan door de mannelijke bediende, onze djongos. De was wordt schoongeslagen op de stenen vloer, naar ‘s lands wijs. Boven aan de stenen trap van vier flinke treden, die naar de bijgebouwen voert, staat ook onze druipsteen om schoon drinkwater te kunnen maken. Dat is ook vlak bij de keuken. Aan de daken ontbreken hier de goten. Het water loopt van het dak in stenen goten in de grond. Het wordt niet opgevangen. De huizen hebben geen riolering, maar wel een stel sceptic-tanks. Dat systeem werkt door de hoge temperaturen heel goed in de tropen.
A propos temperatuur. Het is warm in Loa Kulu en erg vochtig, rond de 33 graden en een luchtvochtigheid van 95 %. In de kleerkasten branden permanent een paar gloeilampen om het vocht er uit te houden. De groei van schimmels heeft water nodig. Het is dus zaak om het water in de vorm van waterdamp in de lucht te houden. Vooral schoenen en foto’s zijn gevoelig voor schimmelaantasting. Na de siesta komen de fam. Schroe en de fam. Diederen op de thee om nader kennis te maken. Sjeng en Nel Diederen hebben ook het Jappenkamp meegemaakt en werkten net als de Schroe’s voor de oorlog ook al in Loa Kulu. Ze hebben geen kinderen. Nel (Huibers) en ook Sjeng Diederen komen uit Hoensbroek. Zij doet me denken aan een Spaanse schone, met haar lange zwarte haar en diepe stem. Zij heeft een broer dle ook Albert heet, laat ze mij weten. Verder is het een gezellig Limburgs onderonsje. Tegen half zes is het tijd om op te stappen .
Om zes uur is het al donker en gaat het licht op de veranda en in de woonkamer aan en gaan de deuren van de woonkamer dicht. De muggen worden door het licht aangetrokken. Er is nog een insect, dat door het gloeilampenlicht aangetrokken wordt. Het is een groot insect, dat in volle vlucht tegen de witte muren opbotst en dan weer verder vliegt. De bedienden noemen het dier ”tjongkerry”. (Heel veel later leer ik dat het zangcicaden zijn). De kleine muurhagedisjes of tjitjaks worden nu ook actief en gaan op muggenjacht. Nu de woonkamer klaar is voor de avond, worden de de slaapkamers in orde gemaakt. Voor de ramen van de slaapkamers zitten houten luiken of blinden met openingen, en in de ramen zit koperen muskietengaas i.p.v. glas. Zo komt er ‘s nachts nog wat koelte door de ramen binnen. De klamboe’s gaan ook naar beneden. Daama gaan we met z’n drieën nog even in het rotanzitje op de veranda zitten. Op de veranda steekt mijn vader een groene spiraal aan, die door een koperdraad omhoog gehouden wordt. De rook die hier vanaf komt bevat pyretrine en moet de muggen op een afstand houden. Bovendien gaat het licht op de veranda uit. In het bijna donker is het heerlijk buiten zitten. We luisteren naar de geluiden van een tropische nacht.
Tegenover ons, naast het moeras, staan enkele kamponghuisjes. Hier is ook bedrijvigheid en het geluid van potten en pannen duidt op de bereiding van de warme avondmaaltijd. Er klinken stemmen en af en toe gelach. De lichtjes die we zien zijn van olielampjes. Intussen is ook onze bediende klaar met het dekken van de lange eettafel. We eten brood omdat het zondag is. De kokki heeft eerder vrij. We bedanken onze djongos. Hij kan nu ook naar huis. Heerlijk, even alleen en onder elkaar. We kijken samen terug op onze eerste dag en de vele indrukken die mijn moeder en ik al hebben opgedaan. Vader vertelt over zijn werk en zijn collega’s. Ook de school komt aan de orde. Morgen, maandag, ga ik voor het eerst naar school. Een tas met schriften en potloden, ook een kroontjespen, ligt al klaar. De school begint om zeven uur. Dat wordt vroeg opstaan. Mijn vader gaat ook zo vroeg naar zijn werk. Hij is 15 dagen weggeweest en moet de draad ook weer oppakken. Moeder en ik gaan na het eten buiten op de veranda zitten, terwijl vader met de flitspuit op muggenjacht gaat. Het hele huis krijgt een beurt. Als de rook is opgetrokken, liggen er heel wat muggenlijken op de gladde cementen vloer. Na een half uur is het binnen weer leefbaar. We gaan ons klaar maken voor de nacht. De eerste nacht aan de Mahakam. Er zullen er nog heel wat volgen.

De Nederlandse school in Loa Kulu.

Nico komt me ‘s morgens al ophalen. Het is 200 meter lopen naar het schooltje. De meeste kinderen zijn er al. Natuurlijk krijg ik behoorlijk wat aandacht. Zo‘n nieuwe, blonde bleekscheet. We lopen door naar ons eigen lokaal. Daar is meester Scheffer ook al aanwezig. Hij ontvangt me heel hartelijk en wijst me een plaats naast Nico aan. We zijn de enige bleekscheten in de klas, de rest is lekker aangebruind. Het zijn kinderen van kantoormensen en Indo-gezinnen. Meester Scheffer heeft geen gemakkelijke taak. Kinderen op twee verschillende nivo’s in één klas. De indeling van de klas is mij niet bijgebleven, wel de ingeklede vergelijkingen, die we moesten zien op te lossen. .Menno Mangindaan, met zwart, krullend haar, zit ook bij ons in de 6 klas. Hij is het, die erg vaardig is met zijn zware priktol van ijzerhout. Hij bezorgt Nico en mij ook zo’n tol en gaat ons het spelletje leren. Ik heb het een beetje onder de knie gekregen in de zes maanden, dat ik bij hem in de klas gezeten heb. In de pauzes is het ons geliefde spelletje op het asfalt van de weg, voor ons schooltje.
Om 1 uur zit de eerste schooldag er op. Samen lopen Nico en ik weer naar huis. Mijn moeder zit ons al op te wachten en vraagt belangstellend hoe het geweest is, terwijl ze voor elk van ons een glaasje kwast heeft ingeschonken en ons een banaan van de fruitschaal laat pakken. Mijn positieve verhalen stellen haar gerust. Om twee uur komt mijn vader ook thuis, op de fiets. Mijn fiets is nog onderweg, in de kist.Geen idee wanneer de kist zal arriveren. Dat kan nog wel een maand duren volgens mijn vader. Nico gaat naar huis en wij gaan eten en daarna rusten. Deze keer heb ik daar wel oren naar.
Om half vier hoor ik ergens een rinkelend geluid. Dat moet de telefoon zijn. Ja, we hebben een heuse telefoon. In de woonkamer hangt een bruin, houten kastje aan de muur. Bovenop het kastje zit de rinkelende, koperen bel. Op een haak aan de linkerkant hangt een langwerpige toeter; op de onderste helft van het kastje zit een korte, brede toeter met fijne gaatjes. Ik hoor mijn vader uit de slaapkamer komen en ik zie mijn vader de lange toeter van de haak nemen en aan zijn linkeroor houden. Hij staat met zijn mond tegenover de brede toeter en zegt zijn naam. Aan de andere kant wordt een heel verhaal afgestoken. Ik zie nu ook dat er aan de rechterkant van het kastje een koperen slinger zit. Vader geeft af en toe een kort antwoord en hangt tenslotte de toeter weer op de haak. Er zit maar een kort snoertje aan.
Mevrouw Marinus wil even langs komen om kennis te maken en ze wil ook iets aan mij vragen. Telefoneren is iets nieuws voor mij en ik wil graag weten hoe dit antieke systeem werkt. Alle gesprekken lopen via een kleine centrale die permanent bemand is. Wil je iemand bellen dan draai je een paar keer aan de slinger en haalt dan de toeter van de haak. De man van de centrale meldt zich en vraagt wie of wat je wilt spreken. Je noemt dan een naam of een locatie en de centralist maakt de verbinding. Gemakkelijker kan het niet. ‘s Nachts moet je wel eens wat langer slingeren, want de goede man wil wel eens in slaap vallen. Dat weten we dan ook weer.
Om vier uur arriveert mevrouw Marinus. Uit de begroeting van mijn vader maak ik op dat ze Jet heet. Mijn moeder komt er ook bij en de begroeting is allerhartelijks. We gaan op de veranda zitten en er komt thee met een hard koekje. Na wat heen en weer gepraat komt haar vraag aan mij op de proppen. Of ik er iets voor voel om samen met Nico misdienaar te willen worden. Zo ja, dan wil zij ons alles leren. Eens in de veertien dagen komt pater Deutekom vanuit Samarinda een weekend naar Loa Kulu en draagt dan de H.Mis op in het leeggeruimde deel van het grote kantoor. Kennelijk heeft hij dat tot nu toe zonder assistentie van misdienaars moeten doen. Ik hoef er niet lang over na te denken en stel mij beschikbaar. Ze laat er geen gras over groeien en stelt voor om dan woensdagmiddag maar meteen te beginnen. Om drie uur bij haar thuis. Nico heeft me haar huis de vorige dag al aangewezen. Dat wordt klimmen. Het ligt hoog in de heuvel, en is alleen via een heel lange, stenen trap te bereiken. Ze neemt afscheid en gaat nog even bij de familie Schroe langs om ook Nico te strikken.
Ook dat lukt en op die woensdagmiddag worden we ingewijd in de voetgebeden, alles in het Latijn natuurlijk. Het hele misgebeuren. komt aan bod. Wanneer knielen, wanneer staan en vooral wanneer de bellen laten rinkelen. Het aanreiken van water en wijn, het op tijd verplaatsen van het boek, waaruit de priester de gebeden voorleest. Kortom het hele ritueel. Helaas zijn er geen kleren voor de misdienaars, dat moet dan maar in ons eigen nette klofje. Jammer, maar je kunt niet alles hebben.
Na drie weken oefenen hebben we onze premiere. Inmiddels hebben we pater Deutekom, van de Paters van de H. Familie, al leren kennen. Een vriendelijke Brabander, die op zaterdagavond graag een kaartje legt. Hij logeert dan bij de familie Marinus. Zij hebben genoeg plaats In hun grote huis, hoog in de heuvel, In zijn lange witte toog is hij een aparte verschijning in de straten van Loa Kulu. In de vrijgemaakte ruimte van het grote OBM-kantoor is een primitief altaar klaargezet. Voor ons liggen een paar kussentjes klaar om op te knielen. Dan volgen ongeveer zes rijen stoelen, meer heeft het kantoor niet te bieden, net genoeg voor de katholieke employé's en aanhang. De rest van de ruimte wordt ingenomen door de katholieke Timorezen en hun vrouwen. Voor hen, alleen staanplaatsen. Het is niet anders en er wordt geen punt van gemaakt. Een eigen kerk is er nu eenmaal niet. Het gebruik van de landstaal in de H. Mis is nog niet aan de orde. Het Evangelie wordt wel in het Nederlands en Maleis voorgelezen, evenals de korte preek. De voetgebeden zijn er goed uitgekomen en de rest van de ceremonie verloopt voorspoedig. Zelf zijn we ook trots op onze prestatie, maar ontvangen de complimentjes met gespeelde onverschilligheid.
De mannen lopen naar de soos voor een borreltje of een biertje of voor beide. Daar is de rest van het mannelijke kader dan al aanwezig. Moeders en kinderen gaan bij elkaar op visite of gaan een balletje slaan op de tennisbaan. Rond 4 uur kan er gevoetbald worden of een partij korfbal gespeeld. Ook de tennisbaan is op dat uur erg in trek. Helaas is de baan niet verlicht, zodat het na zes uur uit is met de pret en er alleen nog een boom kan worden opgezet. De soos is nog steeds dichtbij. Er is nog heel veel op de bon in die tijd. Bier en Bols ook?


gelissen
Voor de ingang van de Lobang V in 1948
vlnr: Joep Gelissen, dhr. Scheffer, onze onderwijzer en tevens mijnopzichter; zijn zus - de latere mevr. Hoeksma en dhr. Marinus




Noodlanding op de Mahakam.

De bel voor de pauze is gegaan en de klaslokalen van het schooltje lopen leeg. Plotseling het geluid van vliegtuigmotoren. Het geluid komt uit de richting van Tenggarong en wordt steeds harder. Dan is daar vlak voor ons het Catalina-watervliegtuig, vlak boven het water en kennelijk van plan hier te gaan landen. We zien het vliegtuig bijna het water raken, maar de piloot trekt de machine even weer omhoog en dan is het uit het zicht. Het geluid van de motoren wordt langzaam zachter, maar dan wordt het weer langzaam harder en komt het dichterbij. Dan is het plotseling weer stil of er niets gebeurd is. Een motorboot slaat aan in de haven, misschien op weg naar het vliegtuig. Van lesgeven kom nu niets meer. We krijgen vrijaf. Nico en ik rennen richting de haven. Op de hoogte van het OBM-kantoor komt ons en kleine processie tegemoet met in het midden een kleine persoon in een bijzonder mooi, paars gewaad en een paars keppeltje op zijn bijna kale hoofd. Zijn gezicht is rood aangelopen of het is altijd zo? Hij is goedlachs en begroet ons vriendelijk. We horen nu dat het bisschop Groen is uit Balikpapan. Hij was op visitatie bij de Dajaks in de binnenlanden geweest en is nu op de terugweg. Helaas is de benzine opgeraakt en dus zijn ze hier maar geland. Hij blijft hier tot er benzine is aangevoerd. Dat kan een paar dagen duren. De noodlanding blijft het gesprek van de dag, en wij van de lagere school hadden het en hem gezien. Bisschop Groen en zo rood als een pioen. Laat hij het maar niet horen, alhoewel, volgens mij kan hij daar wel tegen.
Enkele dagen later zijn we getuige van het opstijgen van het toestel. Vanuit ons schooltje kunnen we het prachtig zien. Het vliegtuig maakt grote golven en een groot lawaai en maakt gekukkig ook snel hoogte. De start is gelukt en we wensen bisschop Groen een behouden aankomst in Balikpapan en zwaaien hem uit. Het leven neemt zijn gewone gang. Voor mij is er nog steeds genoeg te beleven.
Mijn vader heeft mij het mijnbedrijf laten zien. Lobang 1 (satu) is de mijn,die het dichst bij de bebouwing ligt, en ook dicht bij de electrische centrale. De mijn heeft geen schacht maar een lierhelling. Je kunt dus gewoon via een helling naar beneden lopen en ook de kolenwagens worden langs deze helling met een grote lier naar buiten getrokken of naar beneden gelaten. De lier zit bovenin een robuste constructie van hout, ijzer en beton, voor de mijningang. De kolenwagens worden door de lier uit de diepte op een vlak stuk spoor getrokken, daar tot een trein geformeerd en tenslotte met een kleine locomotief naar de centrale plaats bij de kolenbunkers aan de steiger getrokken. De rivier is zo diep, dat de grote KPM-schepen hier de kolen kunnen laden. Het laden gebeurt met vier transportbanden vanuit de vier bunkers, en deels ook met handkracht in de vorm van zakken, die in het ruim gedragen en geleegd worden. Dat laatste over smalle, doorbuigende loopplanken.
De kolen liggen hier niet diep. Gemiddeld op 100 meter diepte. De ingang van zo’n lierhelling is in beton uitgevoerd en steekt een aardig eind boven de grond. De mijnwerkers kunnen gewoon naar beneden lopen en er zo ook weer uit. Ze zijn niet afhankelijk van de techniek, zoals bij een schacht. De dikte van de kolenlagen is natuurlijk variabel, maar zit hier tussen de 50 cm en 2 m. De mijnwerkers hebben een harde pet met electrische koplamp. De accu zit aan een riem om hun middel. Na elke dienst worden deze weer opgeladen in een speciaal gebouw op het terrein. De mijn is ook voorzien van persluchtleidingen en daarop kunnen de luchthamers ondergronds worden aangesloten. Met de trillende stalen pin van deze luchthamer kan de steenkool losgemaakt worden. De zo losgemaakte brokken steen en steenkool worden dan op een transportband geschept, die dan alles naar de kop van de peiler transporteert en de mijnwagens vult. De gang waarin gewerkt wordt moet gestut worden. Daar is veel hout voor nodig, zowel rondhout als planken. De hoofdmijngang, waar ook het spoor ligt, is in deze mijn in ijzer uitgevoerd. Ijzeren stijlen en ijzeren plafond- en wandplaten. Aan het kolenfront is het stutten van meer tijdelijke aard. De dag- en middagploeg zijn de productieploegen. De nachtploeg gaat het transportmiddel verleggen en ondersteuningsmateriaal terugwinnen (dat wordt roven genoemd). De ruimte zonder ondersteuning stort nu in. Het teruggewonnen materiaal wordt de volgende dag weer opnieuw gebruikt. Zo wandelt de peiler door de kolenlaag heen.
Bij de nieuwste mijn, Lobang AB, heeft men de lierhelling en de hoofdgang in beton uitgevoerd. Duur, heel duur, maar misschien duurzaam. Men verwacht veel van deze mijn. De kolen zitten wat dieper dan normaal. Er is ook een luchtschacht gemaakt door het gesteente van een heuvel heen.ln deze mijn heeft men een lange, dure steengang moeten maken. Vooralsnog is men nog niet bij de kolenlagen.Voor het maken van een steengang moeten gaten worden geboord. Daarin gaat dynamiet in de vorm van staven, die vervolgens tot ontploffing gebracht worden. Zo moet meter voor meter steen verwijderd worden. Niet goedkoop dus.
De mijn van mijn vader ligt een behoorlijk eind buiten de kom. Vandaar dat hij gebruik maakt van een fiets, die hem door de firma is verstrekt. Hier geen lier op een bok aan de buitenkant. De lier is inpandig aangelegd. Er is hier eerst een horizontale gang in de heuvel gemaakt van enkele tientallen meters. Aan het eind daarvan is een ruimte gecreëerd voor de lier. Haaks op de eerste gang is de lierhelling naar beneden aangelegd. De kolenwagens worden met de lier naar boven getrokken, komen op een draaiplaat, worden afgekoppeld en in de gang, die naar buiten gaat, geschoven. Door een lichte helling in die gang lopen de wagens zelf naar buiten. Als er een treintje klaar is komt de locomotief van dienst het ophalen. Ze moeten dan eerst naar de wasserij of naar een sorteerband, waar de stenen uit de kolen gevist worden. Hier lette het allemaal niet zo nauw. Als de grootste stenen er maar uit waren.
De onderneming heeft ook een grote technische werkplaats om reparaties aan machines te kunnen uitvoeren. Veel onderdelen moeten zelf vervaardigd worden. Daarom is er een grote ijzer- en kopergieterij. Van speciaal zand worden hier mallen gemaakt en daarin wordt dan vloeibaar ijzer of koper gegoten. De pompen die de mijnen watervrij moeten houden gaan vaak stuk. De koperen schoepen in de pomp worden door het zure grondwater aangetast. Een pomp die het niet meer doet, moet zo snel mogelijk uitgebouwd worden en een nieuwe ingebouwd. Anders loopt de mijn onder water. In deze werkplaats gaan ze me nog vaker zien.


gelissen gelissen
Links: Loa-Kulu 31 aug. 1948
Koninginnedag in Indië en feest in onze soos.
Mijn vader gehurkt, tweede van links en mijn moeder staande achter hem.

Rechts: Balikpapan najaar 1948.
Met Nico en onze hospita (de latere mevr. van de Wiel) in de zee. We bezochten toen de MULO.

 

Inkopen doen in Samarinda.

Een keer per maand kunnen een aantal dames van de onderneming met de boot, de M 1, een klein Amerikaans landingsvaartuig, mee naar Samarinda. Op de neergelaten klep van dit vaartuig worden dan een zestal rotan stoelen geplaatst. In het ruim staan meestal een groot aantal lege olievaten of ander fust. Af en toe mogen Nico en ik ook mee. Een waar feest voor ons, want in Samarinda is een zwembad. Stoelen voor ons zijn er niet of niet aan ons besteed. Stroomafwaarts naar Samannda doet de boot er bijna twee uur over. De eerste keer kijk ik mijn ogen uit. De boot vaart dan weer eens midden op de rivier en dan weer vlak langs de kant. Dan is er de meeste kans om iets te zien. Wat hoop ik te zien? Op de eerste plaats krokodillen. Ze moeten er volop zitten. Op de tweede plaats kijken wij beiden uit naar de rivierdolfijn, die hier regelmatig gezien wordt in de Mahakam. We hebben deze keer geen geluk.
Rond het middaguur zijn we in Samarinda. De boot legt aan in de buurt van de soos en tennisbanen, aan de voet van een flinke heuvel. Nico weet dat het zwembad daar boven op die heuvel is. Voorzien van spijs en drank, handdoek en zwempak, lopen we de weg naar boven. De dames gaan op weg naar de pasar van Samarinda, in de hoop er wat groente in blik of vlees in blik te kunnen kopen, om wat variatie in een relatief saai menu te kunnen brengen. In het bad aangekomen blijkt er gelukkig water in te zitten. Voorlopig zijn we alleen met een paar bedienden die de boel goed schoonhouden. Het bad is niet groot maar erg mooi: helemaal betegeld met witte en blauwe tegeltjes. Zowel Nico als ik kunnen nog niet zwemmen en zijn dus veroordeeld tot een smalle strook van het bad, waar we nog kunnen staan. We hebben een bal bij ons en vermaken ons best. Natuurlijk schijnt de zon volop al de uren dat we in het zwembad zijn. Het is heerlijk in het heldere water. Er komen nog wat meer mensen en ook een paar kinderen. Tot half vier duurt de pret.
Dan zijn daar plotseling onze moeders. Gauw aankleden en meekomen, want de boot vertrekt zo.
Als we weer op de rivier zijn, staat de zon een stuk lager. Er is nu meer leven in de bomen langs de oevers. De apen of beter de meerkatten zijn bezig met hun stoeipartijen in de bomen. We zien nu ook een paar krokodillen rustend aan de oever van het water. Al gauw eist de blootstelling van onze niets gewende huidjes aan de zon zijn tol. Onze schouders en ruggen doen zeer en zijn erg, heel erg rood. Op het eind van de 2,5 uur durende terugreis staan er blaren op de rode huid van Nico. Zeer bezorgde moeders. Goede adviezen voor een volgende keer. Daarmee bereiken we, al weer in het donker, de aanlegsteiger in Loa Kulu.
Er volgen nog een paar van deze tochtjes naar Samarinda. We houden nu een hemd met korte mouwen aan. Twee keer staan we voor een leeg bad. Ze maken het net schoon en alle water is er uit. Vette pech dus. We moeten ons in dat geval in de societeit zien te vermaken. Daar staat ook een piano en we doen wat mislukte pogingen om daar iets van een liedje aan te ontlokken. Geen idee hoe we ons daar verder vermaakt hebben. Spelletjes?
In Samannda heeft pastoor Janssen een eigen kerkje. Het is helemaal van hout, een beetje verveloos, en het staat vlak naast de gevangenis. Waarschijnlijk is hier de grond goedkoop geweest. Pastoor Janssen en pater Deudekom bewonen hier een kleine pastorie. Regelmatig gaat een van beiden stroomopwaarts naar de gebieden, waar de Dajaks leven. Daarbij valt nogal eens de naam Longiram. Er is daar ook een groot merengebied, waar ook een watervliegtuig kan landen. De rivier is in de bovenloop moeilijk bevaarbaar door de vele stroomversnellingen. Met een grote prauw duurt zo’n tocht wel zes weken. Tegen de stroom in roeien is zwaar werk, maar het dragen van de praauw over land, langs de stroomversnellingen, is heel andere koek. Samarinda is in 1948 een bestuursstad met 20.000 inwoners. Er is een rechtbank en er is een gevangenis. Er is geen MULO of ander middelbaar onderwijs.
Bij Samarinda is de rivier extra breed en er kunnen veel grote schepen voor anker. KPM-boten leggen hier regelmatig aan. Vanuit Samarinda gaat elke dag een boot, de zgn. postboot, naar Balikpapan. Deze boot doet daar ongeveer 12 uur over. Met twee, relatief kleine, motorboten wordt deze dagdienst onderhouden. Er is een grote moskee en een bescheiden katholiek kerkje, en ... zoals we gezien hebben, er is een zwembad.

Excursie naar de oude mijnschachten.

Op een zondag, zonder kerkdienst, hebben enkele oudere opzichters, waaronder de heer Marinus, een tocht naar de oude mijnen georganiseerd. Vanaf de oude centrale volgen we het spoorlijntje, dat naar de mijn van mijn vader leidt. We komen ook langs het bedrijfshospitaaltje, waar mevr. van Alphen de scepter zwaait. Zij is verpleegkundige en haar man runt de electriciteitscentrale. Verder gaat het en we komen uit op een vlak terrein waar ook sawah’s zijn aangelegd. Rechts van ons zijn de heuvels. Hier kom je anders nooit. Na een half uur wandelen zien we de eerste restanten van een mijnschacht. De ijzeren stellage van de schachtbok is door de Japanners op het eind van de Tweede Wereldoorlog met springstof vernield. Een groot aantal technische mensen van gemengd bloed zijn hier doodgeschoten en in de schacht gegooid. Zij worden in stilte herdacht. Het gat van de schacht is nu met een betonnen plaat afgesloten. Er is even tijd om wat te drinken en te eten van de lekkere dingen die zijn meegenomen. Daarna gaat het weer huiswaarts, waar opnieuw een maaltijd op ons wacht. Met een goede kokki is elke warme maaltijd een feest. Mijn vader heeft Karni na een maand weten over te halen, toch bij ons te komen werken. Sindsdien is elke warme maaltijd inderdaad een feest.

De ware toedracht van de slachtpartij van Loa Kulu door de Japanners op 30 juli 1945.

In augustus 2010 ontdek ik op het internet bij World War II Forums wat er werkelijk gebeurd is. Na de capitulatie in 1942 namen de Japanners ongeveer honderdveertig soldaten van het KNIL (Koningklijk Nederlands Indisch Leger) krijgsgevangen in Samarinda. Een aantal militairen hadden hun gezinnen bij zich. Ze werden ontwapend en hun werd toegestaan in beperkte vrijheid binnen hun kazerne te leven. Vroeg in de morgen van 30 juli 1945 moesten de soldaten en hun families aantreden voor een Japanse officier. Deze sprak over allen, dus ook de vrouwen en kinderen, het doodvonnis uit. Zonder enige motivering te geven, werden ze in groepen in vrachtauto’s geladen en naar Loa Kulu overgebracht. In Loa Kulu waren kolenmijnen met schachten. Eén schacht lag enkele kilometers buiten het dorpje Loa Kulu aan de Mahakam-rivier. Daar werden de geboeide gevangenen naar toe gebracht. De vrouwen werden van de mannen en kinderen gescheiden. Voor hun ogen werden de vrouwen met zwaarden en bajonetten sytematisch afgeslacht tot ze allemaal dood waren. Daarna werden de gillende kinderen opgepakt, gedood en in de 180 meter diepe mijnschacht geworpen. De mannelijke gevangenen, die, op de knieën gedwongen, de slachtpartij van de vrouwen en kinderen hadden moeten aanschouwen, ondergingen een ongelooflijke mentale marteling. Vervolgens werden zij op een rij gezet om te worden gedood door onthoofding of de kogel. Toen dit verschrikkelijke ritueel voorbij was, werden de bebloede lichamen en de afgehouwen hoofden van de 144 mannen ook in de mijnschacht geworpen, bovenop de vermoorde vrouwen en kinderen. Deze verschrikking van Loa Kulu werd een paar dagen later ontdekt door Australische troepen, die op zoek waren naar de verdwenen soldaten.
Nawoord:
De Japanners bliezen de schachtgebouwen op, zodat waarschijnlijk de lichamen niet meer geborgen konden worden. In het bericht wordt er niet over gesproken. Het is heel goed mogelijk dat de soldaten of een deel er van in de mijnen heeft moeten werken voor de Japanners. Daarover is mij echter niets met zekerheid bekend, maar het zou wel verklaren wat aan ons, kinderen, tijdens de excursie werd verteld. A.G.

Een pakje uit Nederland.

Ergens in maart komt er een pakje uit Nederland aan. Het is van Frans Diederen, een klasgenoot uit de zesde klas van de Eligiusschool in Schinveld en het is natuurlijk voor mij. Vol verwachting maak ik het open. Er zit een compleet tafeltennisspel in; twee batjes en een net met 2 beugels om het aan een tafel te bevestigen. Ook een doosje met balletjes. Verder nog een aantal schriften en opschrijfboekjes. Ik ben de koning te rijk. De eetkamertafel wordt diezelfde avond al omgetoverd in een ping-pongtafel. Mijn vadere kent ook die spelregels en samen met hem heb ik toen mijn eerste balletjes geslagen.
De schriften en boekjes kwamen ook goed van pas. In een van de schriften heb ik mijn collectie sigarenbandjes ingeplakt en in een van de boekjes zitten de postzegels. Dat schrift en boekje zijn er nog steeds in 2010.

Zwemles in het waterreservoir van de onderneming.

Het is mijn vader een doorn in het oog dat Nico en ik nog niet kunnen zwemmen. De enige plaats waar water is zonder krokodillen, is het waterreservoir van de electrische centrale, bovenop een flinke heuvel. Op een zondagmiddag gaan we het uitproberen. We zijn wel even in het water geweest, ons goed vasthoudend aan de ijzeren rand, maar het was er veel te diep om verantwoord zwemles te kunnen geven. Toch was het voor ons een heel avontuur.

De kist is er.

Op een middag als ik van school thuiskom, blijkt onze kist met huisraad en andere belangrijke spullen, aangekomen te zijn. Moeder is nog volop bezig met uitpakken. Iemand van de werkplaats heeft de ijzeren banden doorgezaagd. Niets is verdwenen. De smid in Schinveld heeft zijn werk goed gedaan. Moeder heeft nu haar naaimachine en Pa heeft zijn sten en radio. Ik heb weer wat boeken om te lezen en mijn mecanodozen. Ook de fiets is goed overgekomen.We hebben weer mooie wijnglazen, maar nog geen wijn. We eten weer van een goed servies; het andere gaat naar de bedienden. Kokki Karni krijgt er ook de nodige potten en pannen bij. Moeder heeft ook nog een kleine ventilator, gemarmerd rood van kleur, op de kop weten te tikken en meegenomen. Die geeft nu enige verkoeling op het heetst van de dag. Vader had ook gevraagd om een aantal verschillende dakpannen mee te nemen. Deze moesten als voorbeeld dienen voor de steenfabriek. Zij wilden zelf ook dakpannen gaan maken, maar van een beter model dan hier algemeen gebruikt werd. De meeste kamponghuisjes hebben nog een dakbedekking van palm- en pisangblad.
Zoals al eerder vertelt zijn de huizen van de onderneming, zowel de oude als de nieuwe met de ijzerhouten leien (siraps) bedekt. Ik heb het niet meegemaakt, dat er nieuwe dakpannen gemaakt zijn. Intussen gaat de bouw van 2 woningen naast ons huis gestadig door. Ook aan het einde van onze straat is de bouw van nog eens 2 woningen onder één kap begonnen. Hier ben ik van 2 tot 4 uur ’s middags vaak te vinden. Het bouwproces is helemaal nieuw voor mij. In de oorlog en ook vlak er na heb ik in mijn dorp geen huis zien bouwen. De vaklui hier zijn allemaal chinezen; de timmerlui, de metselaars. de loodgieters en de stukadoors. Ik zie hoe een timmerman bezig is met het maken van siraps (de houten leien voor het dak). Van een voorbehouwen stuk ijzerhout worden met een bijltje dunne leien afgespleten. Ijzerhout is erg hard, maar het is vrij gemakkelijk te splijten. Het schaven van planken of stijlen doen ze van boven, schuin naar beneden, met de zwaartekracht mee.
Het grondwerk gebeurt met de padjol, een groot uitgevallen hak. Daarmee wordt een kluit grond losgemaakt en in een mand gedropt. Als er twee manden vol zijn, gaat er een stevige, platte lat van bamboe (de pikol) door de lange hengsels van de manden van rotan. Vervolgens worden ze met de lat over de schouder weggedragen en elders leeggegooid. Op deze manier wordt in Indië bijna alles vervoerd. De bakstenen, waarmee gebouwd wordt, komen uit de steenbakkerij van de onderneming. Ook is er een kalkbranderij, die de kalk levert voor de mortel om mee te metselen. Voor de vloeren wordt Portland cement gebruikt, maar die moet aangevoerd worden, evenals het zand en het grint, nodig om beton te maken.
Deze nieuwe huizen zien er iets anders uit dan de oudere. Bij de nieuwe huizen wordt de veranda overdekt door een betonnen plaat. Bij de oudere is de veranda opgenomen in de totale dakconstructie, en dat is waarschijnlijk duurder. De lage buitenmuur van de veranda is gemetseld van natuursteen, die vlak bij ons huis aan de voet van de hoge heuvels, wordt gewonnen in een kleine steengroeve. Deze stenen zijn ook gebruikt voor de verharding van de nieuwe wegen in de heuvels. Hieroverheen heeft men vervolgens een flinke laag sintels gestrooid, een bijproduct van onze kolencentrale.

De onderneming gaat op excursie.

Deze excursie, weer op een zondag, is er een met allure. Bijna alle boten van de onderneming worden ingeschakeld. De Mary 1, het landinsvaartuig, en de Mary 2, een flinke motorboot. Het kleinste bootje, de Mary 3, blijft thuis voor noodgevallen. Ook de grote sleepboot de ”Holland” gaat mee. De groep die mee mag of kan, is vrij groot.
We varen stroomopwaarts deze keer, d.w.z. in de richting van Tenggarong. Na een half uur zien we het wiite paleis van de sultan blinken in de zon. Hier even geen kamponghuisjes, maar een mooie aanlegsteiger voor zijn mooie, witte motorjacht. Het jacht is er niet en waarschijnlijk de sultan ook niet.
We varen verder en zien na weer een half uur op de linkeroever aktiviteiten die typisch bij een kolenmijn horen. Het blijkt dat hier enkele kleine kolenmijnen zijn, die door Chinezen geexploiteerd worden. De kolen worden ook aan de KPM-schepen verkocht. Na nog een uur varen leggen we aan de rechteroever aan. Er is een heel bescheiden steigertje, zodat iedereen met droge voeten aan land komt. Hier zijn geen heuvels, maar we lopen door een vlak stuk oerwoud met reusachtige bomen. Mijn vader heeft een tas bij zich, met daarin de stengun, die hij hier wil uitproberen.
Plotseling is de ondergrond als van steen. De steenkool ligt hier aan de oppervlakte, zo maar voor het grijpen. Dit is het doel van deze excursie. Tussen het geboomte bevinden zich een paar diepe plassen. Daar heeft mijn vader op gewacht. Daarin kan hij zonder gevaar voor de omstanders met zijn stengun een aantal schoten lossen. De houder met de kogels, of beter het magazijn, wordt in het wapen geklikt. Hij richt en trekt aan de trekker. Dan dreunen er een vijftal schoten door het oerwoud en ploffen de kogels in het water. De sten doet het dus, en mag straks onder het hoofdkussen, ter verhoging van het gevoel van veiligheid. Natuurlijk weet nu iedereen dat hij dat wapen in huis heeft. Dat is kennelijk geen bezwaar, misschien zelfs wel de bedoeling.
Na dit intermezzo gaat de aandacht weer naar de steenkool, die hier over een groot oppervlak zonder veel problemen gewonnen kan worden. Wie moet dat hier in de eenzaamheid gaan doen? Met deze vraag stappen we weer aan boord en stappen na anderhalf uur in Loa Kulu weer van boord.
Enkele maanden later vertrekken Sjeng en Nel Diederen naar deze lokatie, om de ontginning van deze kolenlagen voor te bereiden. Ze krijgen een prauw met een buitenboordmotor mee als vervoermiddel en verder een aantal timmerlieden die voor de behuizing van het stel en de arbeiders moeten zorgen. Nico en ik maken dat niet meer mee. Het schooljaar loopt per 1 juli ten einde. Onze ouders hebben bedacht om ons in Balikpapan op de MULO te doen. Juli is de vakantiemaand en de scholen beginnen in Indië weer op 1 augustus. Voor die tijd moet er in Balikpapan een kosthuis voor ons gevonden worden. Een kennis van mevr. Schroe, mevr. Van de Bemt, zal ons bij alles behulpzaam zijn. Haar man werkt bij de politie en blijkt later ook nog de beschikking te hebben over een motor met zijspan.
We gaan met een goed rapport over en daarmee ligt de lagere school definitief achter ons. Het is 30 juni als we van onze ”meester” afscheid nemen en natuurlijk ook van on ze klasgenoten. Het is tevens mijn verjaardag en ik trakteer op chocoladerepen. Aangezien mijn vader ook op die dag jarig is gaat het groots gevierd worden.

Ons nieuwe huis.

Eind april zijn de eerste twee nieuwe huizen, naast ons, klaargekomen. Een van de nieuwe bewoners is de eerste bedrijfarts van de onderneming, de heer Römkes. Hij draagt meestal een tropenhelm bij een kaki hemd en idem korte broek. En natuurlijk lange, kaki –kleurige kousen. Ergens in mei komen ook de andere twee huizen klaar. Daar heeft mijn vader verlangend naar uitgekeken. Hoe hij het precies gespeeld heeft weet ik niet, maar als Joep ergens zijn zinnen op gezet heeft, dan krijgt hij het ook vaak voor elkaar. Kortom, we gaan verhuizen, honderd meter verderop. Alleen de persoonlijke spullen en het zitje gaan mee. Het meeste meubilair blijft in het oude huis, want het nieuwe heeft dezelfde voorzieningen. Onze nieuwe buurman wordt de heer van Dijk. Hij is in het gelukkige bezit van een koelkast. Daar mogen wij ook een paar flessen water in zetten. Zijn vrouw en dochter moeten weldra ook overkomen of zijn al onderweg.
Vanaf onze veranda hebben we inderdaad een prachtig uitzicht op de Mahakam. We kunnen ongeveer 1,5 km van de rivier overzien. We hebben nu een grote voortuin en mijn vadere maakt warempel een tuinplan. Centraal in de tuin komt een al vrij grote cycas-boom te staan. De stam is maar een meter hoog. De stugge, harde bladeren lijken uit de verte op palmbladeren. Het tuinoppervlak wordt door smalle paden in vieren gedeeld. De zo ontstane vakken worden met graszoden belegd. Het is een ruig soort gras, dat relatief kort blijft, maar toch regelmatig gemaaid moet worden. Vlak bij huis worden de vakken begrensd door canna’s. Ook de kale hellingen aan het eind van de tuin worden met graszoden bekleed. De zoden worden met pennen van ijzerhout vastgezet, zodat ze niet weggespoeld kunnen en voldoende tijd krijgen om goed te kunnen wortelen. Op deze manier wordt erosie tegengegaan. Een flinke stenen trap van tien treden geeft vanaf de weg toegang tot onze tuin en dus ook tot ons huis. Dit huis ligt een stuk hoger in de heuvel dan ons eerste huis, maar het mooie uitzicht vergoedt heel veel.

gelissen
Deze foto is ergens in mei juni 1947 gemaakt voor de houten moskee in Tenggarong. Hier woonde de Sultan van Kutei en de witte ommuring van zijn kraton zie je nog net op de achtergrond. Op deze foto staan vln: Sjeng Diedreren (Hoensbroek), Sjaak de Man uit Eygelshoven (vrijgezel), Zef Slangen (met hoed) Joep Gelissen (korte broek) uit Schinveld, Hein Schroe uit Chevremont en Sam Hoeksma uit Brunssum (vrijgezel). Waarschijnlijk is de foto gemaakt na een bezoek aan de sultan.
De heren Diederen en Schroe waren voor de oorlog ook al werkzaam in de mijnen van Loa Koeloe en hadden de internering door de Japanners meegemaakt en tenauwernood overleefd. De vrouwen en kinderen zijn op dit moment nog allemaal in Nederland. De meesten arriveren in juli 1947, want dan pas zijn de nieuwe huizen klaar.
Het resultaat van dit bezoek aan de sultan was dat de heren regelmatig bij hem gingen biljarten en tennissen. De sultan had ook een voetbalclub en dus werd er ook gevoetbald tegen een team van de kolenboeren van Loa Kulu (nieuwe spelling). Sam en Joep deden daarin mee. Op de foto staan ze op het gras van het voetbalveld.

 
Verjaardag vieren in Loa Kulu.

Zoals reeds gezegd, zijn mijn vader en ik op 30 juni jarig. Mijn vader wordt 36 en ik 12 jaar. Het gaat een groot feest worden, verdeeld over twee zondagen. Iedereen wordt uitgenodigd. Het wordt een heel gezellig feest. Mijn moeder heeft de zaken goed voor elkaar en zorgt, dat niemand iets te kort komt. Helemaal perfect verloopt het echter niet. Laat op de avond wordt er een borrel geschonken, die niets meer aan het alcoholpercentage van de gasten toevoegt. Niemand zegt er iets van en drinkt het koele water als ware het de heerlijkste jonge Bols. De volgende dag worden er wel tegenover mijn vader grapjes over gemaakt. Mijn moeder krijgt het pas veel later te horen. Ze had per abuis de Bolsfles met koel water rond laten gaan. Een week later is de volgende groep genodigden aan de beurt en wordt er wel klare Bols geschonken.
Het Maleis van mijn moeder stelt op dat moment natuurlijk nog niet veel voor. Toch weet ze Karni en de andere bediende duidelijk te maken, wat ze gedaan wil hebben. Daarbij maakte ze soms zelfs gebruik van het Schinveldse dialect. ”Hiej loak grave”, leverde toch het gewenste gat in de grond op. Begin juli krijgt mijn moeder plotseling vreselijke pijnen in het onderlichaam. Ze schreeuwt het uit van de pijn. Dat heb ik nog niet eerder meegemaakt. Ik ben gelukkig thuis, want ik heb vakantie. Ze vraagt mij om dokter Römkes te waarschuwen, onze buurman, veertig meter verderop. Hij is gelukkig thuis en komt meteen mee. Hij constateert een ontsteking van de linker nier en geeft moeder medicijnen en pijnstillers. Na enkele dagen bedrust is ze gelukkig weer een beetje de oude. Maar geschrokken ben ik wel. Ik had haar nog nooit zoveel pijn zien lijden.

Hoofdstuk 3. De middelbare schooltijd. Albert en Nico gaan naar de MULO in Balikpapan.

De laatste weken van juli 1948 staan in het teken van mijn vertrek naar Balikpapan, samen met Nico. De Chinese kleermaker komt mij de maat nemen voor wat extra witte hemden en korte broeken. Er is voor de mannen maar een soort stof in de gudang van de onderneming te krijgen, nl. een stevige, witte, katoenen stof, die ”dril” genoemd wordt. Alle mannen lopen hierin. Voor de vrouwen is er wat meer keus. Zij laten hun kleren bij een naaister in Tenggarong maken.
In Balikpapan is inmiddels een kosthuis voor ons gevonden. We komen in huis bij een onderwijzer, die nog maar net is aangekomen. Zijn vrouw is onderweg. De fietsen gaan mee naar Balikpapan, want de afstanden zijn daar groot. In de laatste week van juli stappen wij met koffers en fietsen in Samarinda aan boord van de Postboot, die ons en onze moeders naar Balikpapan moet brengen. De M2 heeft ons in de vroege ochtend van Loa Kulu naar Samarinda gebracht. De postboot ligt klaar aan de steiger. Eerst gaan de fietsen aan boord en ook de koffers worden aan boord gedragen. De fietsen worden op de voorplecht neergezet en vastgesjord. De koffers gaan met ons mee naar de kajuitruimte. Hier staan zes bedden langs de kant, waarvan vier gestapeld.
Behalve ons gezelschap zijn er nog twee militairen aan boord. De een is nog jong, de ander een stuk ouder en hoger in rang. De jonge militair doet vreemd en de oudere is duidelijk zijn begeleider. Deze legt aan onze moeders uit, wat er aan de hand is. De jonge militair gaat terug naar Nederland, want hij lijdt aan ”tropenkolder”. Daar had ik al vaker van gehoord, maar nu was er hier iemand die het had.
In de stuurhut, boven, is ook ruimte voor de passagiers. Er staan een paar vaste stoelen, en langs de boorden ook een paar vaste banken. De kapitein en de roerganger staan klaar om te vertrekken. De matrozen gooien de trossen los en de kapitein geeft vanaf de brug via en koperen toeter een seintje naar de machinist in de machinekamer. Langzaam komt de boot los van de kade en zet koers naar het midden van de rivier. De rivier is hier extra breed. We varen nu richting zee de Mahakam af. Het is bewolkt en staat ook wat wind. Na 2,5 uur varen komen we in de brede monding van de rivier. Het water is hier al onrustig en de boot wordt dat ook. Even later zitten we al op zee en zetten koers naar het Zuiden. De wind wakkert aan en ook de golven worden hoger. De kleine boot doet met dit alles mee en het duurt niet lang of de eerste passagier gaat benedendeks. Het is de zieke militair en zijn begeleider gaat mee.
We zijn nu in een echte storm terechtgekomen. Mevrouw Schroe voelt zich ook niet goed worden, Aangezien mijn moeder weer geen enkel symptoom van zeeziekte vertoont, vertrouwt Nico’s moeder haar haar handtas toe. Nico en ik gaan met haar mee naar de kajuit, want ook bij ons slaat de misselijkheid toe. Moeder Schroe vindt een bed aan bakboord en wij kruipen aan stuurboord in een stapelbed. Ik lig bovenin en heb een goed uitzicht op de rest van de kajuit. De zieke soldaat gaat opeens overgeven. Daarna zoekt hij naar iets om zijn gezicht mee af te vegen. Dan ziet hij het zwarte gordijntje voor de patrijspoort. Met een flinke ruk scheurt hij er een stuk van af en veegt er zijn mond mee af. Hij kijkt me aan en er komt iets van een glimlach op zijn gezicht. Aan onze kant is het nog rustig.
Een poosje later is het weer raak. De moeder van Nico is opgestaan en rent naar onze kant van de kajuit, terwijl ze de historische woorden uitspreekt: ”Was ik maar dood.” Ze bereikt net op tijd de W.C., bij ons in de hoek. Dan wordt het rustig. We proberen allemaal wat te slapen en denken vooral niet aan eten.
Intussen gaat de boot van links naar rechts en op en neer. Hoe lang nog? Dan wordt het opeens weer rustiger. Even later liggen we aan de steiger in de haven van Balikpapan. Op slag is ook de zeeziekte verdwenen. Mijn moeder zit nog steeds boven in de stuurhut met de twee handtassen stevig tegen zich aangedrukt. ”God Mia, dat je niet ziek bent geworden. Hoe is het mogelijk?” laat mevrouw Schroe zich ontvallen. Dat zal mijn moeder goed gedaan hebben.
We worden opgevangen door de familie van de Bemt. De fietsen en de koffers komen van boord. De kletsnatte fietsen worden vooreerst ergens opgeborgen in een gudang. We kunnen nog niet naar ons kosthuis. Voor deze nacht worden we allemaal ergens ondergebracht. Nico en ik worden naar een grote tent gebracht, niet ver van de haven. De grote, oude legertent, is in een aantal vertrekken verdeeld. Er is ook een slaapkamer met een royaal bed. Hierin mogen Nico en ik slapen. Het blijkt dat we in de pastorie, een paleis kan ik het moeilijk noemen, van bisschop Groen beland zijn. De bisschop is weer het binnenland in naar de Dajaks, en dus mogen wij hier een nachtje logeren. Ja, het is inderdaad dezelfde bisschop, die een paar maanden eerder bij ons in Loa Kulu een noodlanding gemaakt heeft. We vinden het toch wat griezelig om in een tent te slapen. Het voelt niet echt veilig. De huishoudster laat ons zien dat de tent dubbelwandig is en dat er tussen de twee lagen tentzeil ijzeren matten zitten. Inbrekers kunnen er niet zo heel gemakkelijk in. We zijn gerustgesteld. Eerst gaan we nog ergens eten. De moeders worden op een ander adres ondergebracht en wij gaan naar ons bed van de bisschop in de legertent. Een eenvoudiger paleis is bijna niet denkbaar.
De volgende dag gaan we na het ontbijt met een busje de moeders ophalen. Samen gaan we naar ons kosthuis. Daar worden we al verwacht door de heer van der Wiel, de onderwijzer. Hij woont in een pas gebouwd huisje aan de andere kant van de stad. Van hier is het niet ver naar het mooie witte strand. Aan de andere kant van de straat staan nog geen huizen. Daar is nog ruimte om te spelen, en daar groeit ook nog bamboe. De kamer aan de voorzijde van het huis wordt nu ons domein. Als het moet kunnen we door het raam naar buiten. Er staan twee bedden, twee tafeltjes, twee stoelen en een dubbele kleerkast. De slaapkamer van onze kostbaas grenst aan de onze. Er is ook een eetkamer waar we met z’n drieën eten. Er is ook een kokki.
Dichtbij ons huis, op een heuvel, staat een groot schoolgebouw, een lagere school. Hier geeft de heer van de Wiel les. Onze MULO staat 2 km verder. Onze fietsen zijn er pas na een dag of drie. Het zeewater heeft zijn werk gedaan. Alles wat maar roesten kan is vastgeroest. Voooral de ketting heeft er onder geleden. We kunnen aan de slag om er nog wat van te maken. Met veel palmolie uit de keuken maken we de fietsen weer toonbaar en krijgen we ze ook weer aan het lopen. Nu kunnen we de omgeving gaan verkennen. We hebben nog een paar dagen voordat de school begint.
Onze MULO zit in een oud, houten gebouw, dat ook gedeeltelijk op palen staat, halverwege een heuvel. Er naast staat ook een klein Katholiek kerkje. Ook van hout. Als we de heuvel af rijden komen we uit op de belangrijke verbindingsweg tussen het vliegveld, de haven en de oude stad Balikpapan. Aan deze kant van de heuvels wonen vooral de employe’s van de BPM (Bataafse Petroleum Maatschappij). Een tiental gezinnen wonen in zogenaamde nissenhutten, vlak aan het strand. Een eindje verder staat een mooi stenen gebouw, ook aan het strand. Dit is de soos van de BPM-ers. In de heuvels staan hier en daar nog een aantal vooroorlogse houten huizen. Ook langs de hoofdweg staan nog wat huizen.
We fietsen maar weer eens terug naar ons wijkje, met naar schatting 10 nieuwe huisjes van steen. Na het eten lopen we nog even met z’n drieën naar het strand. Helaas kunnen we hier de zon niet in de zee zien zakken. We zien haar wel vrij snel achter de heuvels verdwijnen. Het strand is prachtig en vrij breed. We kunnen vrij ver de zee in lopen, zonder dat we hoeven te zwemmen. Dat kunnen we trouwens geen van beide, zodat we aan de veilige kant blijven.
De resterende dagen zijn we vrij veel met de school bezig. Er moeten boeken opgehaald worden en gekaft. Dan is het zover. Om zes uur op en douchen, aankleden en ontbijten. Veel tijd hebben we daar niet voor nodig. Een boterham mee voor in de pauze en dan gaan we. De fiets kunnen we onder de school kwijt, tussen de palen. Ons klaslokaal kan wel een verfje gebruiken. We zitten op houten banken aan houten tafels. Veel kan ik me niet meer herinneren van het onderwijs op deze school. Eén biologieles is me echter goed bijgebleven. Waarschijnlijk was het een van de eerste lessen. Onze lerares biologie komt de klas binnengestapt met een goedgevulde juten zak. Na de kennismaking begint ze met haar les over het menselijk geraamte. Ze pakt de zak en stort de inhoud uit op haar grote tafel, voor in de klas. Daar ligt dan het geraamte van een mens. Alles ligt door elkaar: de ribben, de botten van armen en benen, schouderbladen, het bekken etc,
Op het eind van de les heeft ze het geraamte enigszins gereconstrueerd. Dan tovert ze er ook nog de schedel bij, uit een andere tas. Het is het geraamte van een gesneuvelde Japanse soldaat. Enkele ribben zijn ooit gebroken geweest en niet netjes aan elkaar gegroeid, maar op elkaar. Dankzij zijn skelet weten wij al snel het spaakbeen van de ellepijp te onderscheiden en kuitbeen van scheenbeen, zwevende ribben van de echte ribben, ruggewervels van halswervels, vingerkootjes van teenkootjes, middenhandsbeentjes van middenvoetsbeentjes. We hebben de goede man vele lessen teruggezien, want ook het gebit moest aan de orde komen en de rest van de schedel.
Op ons programma staat ook het vak handenarbeid. De leraar wil met ons gaan boetseren, maar eerst zullen we zelf de spatels moeten maken en wel van bamboe. We krijgen de opdracht mee om bamboe te bemachtigen en daaruit een aantal spatels te snijden. We hebben de spatels wel gemaakt , maar klei hebben we niet gezien in de vier maanden dat we daar op school gezeten hebben.
Om half elf hebben we pauze. Ik heb geen idee of er een speelplaats was en of we iets te drinken kregen. Waarschijnlijk hebben we thee kunnen drinken bij onze boterhammen. Er zijn wel sportvelden bij de school. We zullen wel gevoetbald en rondjes gelopen hebben. Het is niet beklijfd.

Koninginnedag 1948 in Balikpapan.

Op 30 augustus is het groot feest. Koningin Wilhelmina is jarig. Deze keer is het een bijzondere dag omdat ze afstand doet van de troon en die overdraagt aan prinses Juliana. Ze is dan 50 jaar koningin geweest en heeft twee wereldoorlogen meegemaakt. Vooral de laatste heeft veel van haar gevergd. Bijna vijf jaar verbleef ze in Londen met haar regering in ballingschap, afgesneden van Nederland en de Nederlanders. Het feest als zodanig had ik nog nooit echt gevierd. In de oorlogsjaren was er weinig te vieren en zeker geen koninginnedag. Maar nu ging ik het dan eens meemaken. Onze school heeft het groots opgezet. Op het sportveld kun je aan allerlei wedstrijden meedoen en er zijn mooie prijzen te verdienen. Daar hebben we dan het 25 meter zaklopen; de 50 meter hindernisbaan,waarbij je een stuk onder een tentzeil door moet kruipen; een ongekookt ei op een lepel in de mond heelhuids overbrengen. In de loop der eeuwen zijn er heel wat spelletjes verzonnen. Mijn favorieten zijn nog altijd het koekhappen en het spijkerpoepen. Met het zaklopen heb ik een prijs gewonnen: een rubberen bal. In Loa Kulu wordt deze bijzondere Koninginnedag ’s avonds gevierd met een groot feest in de soos. Daar wordt ook een groepsfoto van al het kader van de onderneming gemaakt. In het centrum staat de opvolger van de heer Wittich, de nieuwe baas van de O.B.M., de heer Gruizen, samen met zijn vrouw. Mijn moeder staat er ook prachtig op en mijn vader zit gehurkt voor haar, op de eerste rij. Naast hem staat Miets Schroe, de moeder van Nico. Als enige staat zij er bewogen op. Net als bij de Nachtwacht van Rembrandt, staat niet iedereen er even duidelijk op. Twee echtparen mis ik op de foto, nl. het echtpaar Geilenkirchenen en het echtpaar Marinus. Daar zal wel een reden voor geweest zijn.
De dagen er na hebben we veel gevoetbald op het veld bij de school, tot het noodlot toeslaat. De bal vliegt in de prikkeldraad en dus lek en waardeloos.
Een van de klasgenoten woont dichtbij in een van de nissenhutten, die aan het strand gebouwd zijn. Ze zijn van rond-gebogen golfplaten. In de halfronde voor- en achtergevel zitten ramen en deuren. Hij nodigt ons uit om bij hem thuis wat te gaan drinken. We gaan aan de zeezijde naar binnen en komen in de ruime woonkamer. Prachtig uitzicht op de zee. Van de woonkamer loopt een lange gang door het midden van de hut. Links en rechts zijn kamers; waarschijnlijk slaapkamers. Aan de achterkant zijn de keuken en de kamers van de bedienden. We drinken wat en gaan verder op verkenning. Via een aantal andere nissenhutten komen we bij de societeit van de BPM, de Bataafse Petroleum Maatschappij. Achter het gebouw is een soort vijver gegraven met zoet water; speciaal voor de kinderen en dus ondiep. We zullen er later regelmatig gebruik van maken om het zwemmen onder de knie te krijgen. Drijven op de rug zal ons uiteindelijk lukken, maar verder komen we niet.
In september arriveert ook de echtgenote van de heer van de Wiel, onze huisbaas. Ze blijkt hoogzwager te zijn. Ze moet ’s middags veel rusten. Wij krijgen het vriendelijke verzoek om ’s middags rustig te zijn. Dat lukt natuurlijk niet altijd of altijd niet. Nico heeft moeite met autoritaire mensen. Waarschijnlijk is het Jappenkamp daar debet aan. Op zekere middag komt de heer van de Wiel boos de kamer opgestoven. Of het nu eens wat rustiger kan of woorden van die strekking. Nico zegt iets wat hem bijna doet ontploffen. Nico krijgt een flinke draai om de oren, waarbij een polshorloge door de lucht vliegt en in een hoek van de kamer belandt. De teerling was geworpen. Het komt voorlopig niet meer goed tussen die twee. Maar mevr. van de Wiel krijgt haar rust. Ze is heel aardig en ze gaat ook regelmatig met ons naar het strand.
Intussen krijg ik last van zweren aan mijn linkervoet. Er gaat een flink verband omheen. Natuurlijk wordt dat regelmatig nat aan het strand, want de golven zijn onberekenbaar.

Naar de film: Stan Laurel en Oliver Hardy.

Op een zondagmiddag komt politiechef van de Bemt ons met zijn motor met zijspan ophalen. Met z’n tweeën kruipen we in de bak. Daar gaan we dan. Heerlijk zo’n ritje. We steken dwars over de heuvels door naar de Europese wijk van Balikpapan. Daar woont de familie van de Bemt. Ze hebben een dochter en een zoon. Er draait daar een film in de bioscoop met Stan Laurel en Oliver Hardy in de hoofdrollen. Daar gaan we met z’n allen heen. Ik herinner me alleen het einde van de film: de dunne Laurel wordt in elkaar gedrukt en de dikke Oliver wordt uitgerekt in een soort martelkamer. Daarna gaan we bij de fam. van de Bemt eten. Later op de avond brengt brigadier van de Bemt ons weer met zijn motor naar huis. We hebben een gezellige zondag gehad.

Misdienaars gevraagd.

Een aalmoezenier van de Nederlandse soldaten heeft er lucht van gekregen, dat wij ”goed opgeleide misdienaars” zijn. Hij komt langs met zijn jeep en vraagt ons of we zin hebben om komende zondag met hem mee te gaan naar het vliegveld. Hij moet daar op zondagmorgen een H. Mis opdragen voor de militairen, die daar gelegerd zijn. Natuurlijk hebben wij daar wel zin in. Op de betreffende zondag haalt hij ons in alle vroegte op met zijn jeep. Het is een flink stuk rijden naar het vliegveld. Voor mij is het bijna een jaar geleden, dat ik hier voor het laatst was. Nu bij daglicht kan ik een beter idee krijgen van het vliegveld. De start- en landingsbaan is gemaakt van geperforeerde ijzeren matten. Net geschikt voor de DC3. Er is maar een klein stationsgebouw met verkeerstoren. Er staan nu enkele toestellen aan de grond, waaronder een Catalina, die zowel op het land als op het water kan landen. Er staat een witte tent en dat blijkt de kapeltent van onze aalmoezenier te zijn. Daar moet het gebeuren. Nico en ik hebben de dag te voren nog even geoefend. Het lukt dan ook heel aardig.
De aalmoezenier is of een beetje lui of hij heeft veel vertrouwen in ons. Na de mis mogen wij alles opruimen; de kelk inpakken en de kandelaars plus kruisbeeld. Dat is nieuw voor ons. De miskelk hebben we nog nooit aan mogen raken. Hier wel dus. De aalmoezenier houdt ondertussen een soort spreekuur in een hoekje van de tent. Enkele soldaten maken daar gebruik van. De meeste soldaten die bij de dienst aanwezig waren, zijn inmiddels weer naar hun kwartieren teruggegaan.
Na een uurtje vertrekken we weer richting stad. De aal zet ons weer keurig bij huis af en bedankt ons nog eens voor onze medewerking. Van een tweede keer is toen niets meer gekomen, maar dertig jaar later sta ik met mijn hele gezin weer op dit vliegveld en ben ik weer op weg naar Loa Kulu. Deze keer als tourist, want ik woon en werk dan in Malang aan de Universitas Brawijaya op Oost-Java.

Terug naar Loa Kulu, terug naar huis.

Een week voor Kerst gaan we met de postboot terug naar Samarinda en Loa Kulu. De fietsen en al onze spullen zijn mee. Thuis krijgen we te horen, dat we niet meer teruggaan naar de MULO in Balikpapan. Onze ouders hebben besloten om ons in mei naar Nederland te sturen. Daar gaan we dan in september ’49 naar de HBS. Als school hebben ze het oog laten vallen op het Canisius College in Nijmegen. Het college heeft ook een internaat. We gaan dus naar een kostschool.Tot het zover is, krijgen we in Tenggarong les van de hoofdonderwijzer van de lagere school aldaar, de heer Welling. Hij zal ons voorbereiden op het toelatingsexamen. Onze ouders zijn blij dat we weer thuis zijn. Mijn moeder heeft me wel gemist tijdens de voorbije vier maanden. Ook zij hebben koninginnedag goed gevierd in de soos. Er is daar een mooie groepsfoto gemaakt van alle medewerkers en hun vrouwen. Mijn moeder staat er heel mooi op. Ze is echt knap. Het portret van Koningin Wilhelmina aan de muur, geflankeerd door twee vlaggen, bekroont het groepsportret. De heer en mevrouw Marinus staan daar niet op.
Er is ook een echte schooljuf gekomen voor het lagere schooltje. Sam Hoeksma is inmiddels getrouwd met de zuster van onze meester Scheffer. Johanna Slangen en mijn buurmeisje Corry van Dijk zijn de bruidsmeisjes. Ook nieuw is de heer Beumer. Hij gaat nu over de electrische centrale. Als zijn vrouw en drie kinderen arriveren krijgt hij het grote huis van het echtpaar Marinus, dat weer naar Nederland is vertrokken. Mevr. Waanders is ook aangekomen. Er zijn ook weer twee nieuwe woningen in aanbouw, aan de voet van de heuvel, waarin ook het huis van Marinus staat en dat van Ir. Klinkert.
De voorbereidingen op het kerstfeest lopen op volle toeren. Een kerstboom is hier geen haalbare kaart. Wel een paar groene takken aan de muur. De enige naaldbomen staan in Tenggarong, langs de weg bij de gevangenis. Hier staat ook de grote lagere school waar de heer Welling het hoofd van is. Met de kwarttonner van de Nederlandse militairen gaan we op weg naar Tenggarong. Mijn vader en nog enkele andere mannen en Nico en ik, zijn er bij.

De naaldbomen krijgen een snoeibeurt.

Aan de onderkant van alle bomen worden enkele takken afgezaagd. Elke familie die dat wil,krijgt een paar takken thuisgebracht. Dat wordt onze taak. Wij hebben zelf ook twee mooie grote takken. Ze worden boven het dressoir tegen de muur gespijkerd. Het kribje kan er dan mooi onder staan. De onbreekbare kerst-versieringen, die mijn moeder en ik meegenomen hebben, krijgen nu een plekje in de takken. Pater van Deutekom is er tijdens de Kerstdagen ook en doet de Nachtmis. Hij heeft voor deze gelegenheid zijn zwarte toog aangetrokken. Nico en ik moeten weer dienen. We zijn als gezinnetje gelukkig weer eens bij elkaar met Kerstmis. Na de nachtmis wandelen we samen naar huis met de andere families. Moeder heeft thuis voor ieder van ons een bord met lekkere dingen klaargezet bij de boom en het kribje. Vorig jaar hebben we dat gemist. Mijn moeder en ik zaten toen in Batavia en vader zat waarschijnlijk al in Balikpapan op ons te wachten, niet wetend dat het weerzien nog veertien dagen op zich zou laten wachten.
Tussen Kerst en Nieuwjaar wordt er weer gewoon gewerkt, maar het vieren van Oud en Nieuw is voor iedereen een groot feest. We komen allemaal samen in de soos. Er zijn die avond croquetten. Nico en ik vermaken ons op onze eigen manier. Vooral de keuken van de soos wordt regelmatig door ons aangedaan en de croquetten zijn heerlijk. Er wordt volop op het nieuwe jaar geproost. Voor ons nog geen alcohol maar heerlijk lekkere kwast met suiker. Wat zal het nieuwe jaar 1949 ons brengen?

Het jaar 1949.

Al snel beginnen in januari onze lessen in de school van meester Welling in Tengarong. Om zeven uur in de ochtend haal ik Nico op en vertrekken we op ons gemak met de fiets in die richting. Het is ongeveer dertien kilometer fietsen. De weg is redelijk, hier en daar zelfs nog een stukje McAdam, een primitief soort asfalt. (In mijn dorp spraken we altijd van ”makadam”, zonder te weten waar dat woord vandaan kwam). In dat geval ligt zo’n stukje weg helemaal in de schaduw van de bomen. De weg is vlak en loopt op ongeveer honderd meter van de rivier. Tussen ons en de rivier staan meestal bomen, soms wat suikerriet en pisangbomen. Aan de andere kant hoge bomen van het oerwoud, met hier en daar een huisje op palen. Een enkele keer staat er een jongen met wat vruchten langs de weg. Nico maakt dan even een praatje en neemt de vruchten aan. Het zijn trosjes gele vruchtjes, zo groot als een kers. De schil is dun maar stevig en veroorzaakt bruine vlekken op handen en kleren. Het vruchtvlees smaakt heerlijk fris, en bestaat uit partjes. Nico weet de naam.
Naarmate we dichter bij Tengarong komen staan er ook aan de rechterkant van de weg wat meer huizen. Tenslotte gaan we een brug over van een zijriviertje van de Mahakam en rijden Tengarong binnen. Voor ons, een vlakte met veel gras en een paar woonhuizen. Rechts de bioscoop van de sultan en daarachter de witte muren van de kraton. Binnen de kraton woont het personeel van de sultan. Verderop staat een grote, houten moskee. Tussen bioscoop en moskee is het voetbalvld. Wij moeten nog een stukje verder fietsen, richting de woonhuizen. Daar achter ligt het grote schoolgebouw, waar meester Welling de scepter zwaait. De school staat ook op palen en is dus ook van hout. Gele muren en zwarte basis. We zetten de fietsen op de veranda en melden ons bij het hoofd der school.
Welling heeft een fors postuur en is wat gezet. Zijn rose gezicht wordt bekroond door een weelderige, grijze haardos. Het is een grote klas waaraan hij ons voorstelt. Wij krijgen samen een bank vooraan en meteen een aantal boekjes met taal- en rekenopdrachten. Hij legt even snel uit wat de bedoeling is en gaat dan met z’n eigen klas verder. Het taalboekje staat vol met uitdrukkingen. Het rekenboekje zit weer vol ingeklede vergelijkingen en opgaven over reizen en snelheden van treinen, die elkaar dan ergens moeten ontmoeten. Een gruwel die opgaven. Om een uur gaat de bel en iedereen naar huis, behalve wij tweeën.
Welling heeft nu tijd voor ons. De opgaven worden bekeken en besproken. En we krijgen wat huiswerk mee naar huis voor de volgende dag. Tegen half twee zitten we weer op de fiets en tegen half drie in een tropische regenbui. Wij horen de bui in de verte met veel geraas over het water van de rivier aankomen. Regenjassen zijn hier niet tegen bestand. Een pisangblad boven je hoofd is de enige bescherming die zin heeft. Gelukkig zijn de buien hier maar kort van duur. Als verzopen katjes komen we een half uur later bij Nico’s huis aan. We hebben wel trek gekregen. Op de eettafel staat een schaal met pisangs, een hele kam. We maken drie rondjes rond de tafel en van de kam is niet veel meer over.
Ik zorg dat ik gauw thuiskom. Mandiën, omkleden, eten en wat rusten. Zo’n eerste dag is toch wel vermoeiend. We zijn niet gewend om zo ver te fietsen.
De fietstocht naar Tenggarong wordt al gauw routine. In maart regent het zoveel, dat de rivier buiten z’n oevers komt en ook de weg voor een groot deel onder water zet. Toch kunnen we blijven fietsen en blijft het bijspijkeren doorgang vinden. Af en toe is er zowaar een verzetje.

Documentaire over de slag bij Arnhem

Ergens in februari van 1949 gaan we voor de eerste keer naar de bioscoop in Tengarong. Er draait een film over de Slag om Arnhem. Alles wat rijden kan wordt ingezet, want er is veel belangstelling voor. Nico en ik rijden met de vrachtwagen van de militairen mee. Het komt niet vaak voor dat de Sultan een film draait. Het is een gezellige bedoening in de filmzaal voordat het licht uitgaat. Geen reclames en geen journaal. We krijgen een documentaire te zien van de ”Slag om Arnhem”, gemaakt door de Engelsen. Meteen is het stil in de zaal. We zien de voorbereidingen van wat de Engelsen noemen, ”Market Garden”. Het vertrek van de zweefvliegtuigen achter de grote vliegtuigen, hun vlucht boven de Noordzee en Nederland maken iedereen sprakeloos. Ook zijn er opnames van de soldaten in de zweefvliegtuigen. Een heel peleton, dertig man, had er plaats in. Andere zweefvliegtuigen zitten vol voertuigen, licht geschut en voorraden. De landing op de hei bij Oosterbeek is adembenemend. Er wordt geschoten vanuit de bosrand en er vallen slachtoffers. De filmer trekt op met een groep soldaten.
Dan zijn er beelden van het vervoeren van gewonden naar een groot huis. Vooral het einde van de film is mij goed bijgebleven. In de nacht trekken de soldaten door het bos naar de rivier de Rijn. In het bos geven witte linten de route aan. Met kleine bootjes worden ze overgezet. De film besluit met een scene, waarin vier soldaten in een vliegtuig zitten, dat terugvliegt naar England. De rest van hun peleton is omgekomen of gewond geraakt.
De terugtocht naar Loa Kulu verloopt een stuk rustiger dan de heenreis. Iedereen is onder de indruk.
Het leven neemt een dag later weer z’n gewone loop, maar er wordt door de ouderen nog veel over nagepraat.
hroe. De lange Sjaak de Man is de langste tijd vrijgezel geweest. Hij is met de handschoen getrouwd, en nu kan zijn vrouw, op kosten van de onderneming, naar Borneo komen. Hun huis, aan de hoofdstraat, is inmiddels ook klaar. Zij is lekker extrovert, goedlachs, gezellig en wat mollig. Bij ons in Loa Kulu trouwen ze voor de kerk. Groot feest daarna en allemaal op de foto bij hun nieuwe huis. Nico en ik maken dat nog net mee, omdat we weer terug zijn uit Balikpapan. In 1950 wordt hun zoon Achiel geboren en ze vragen mijn vader om bij de doop Peter te willen zijn.
Ook bij de geboorte van Treesje, het zusje van Nico, is mijn vader Peter en Jet Marinus Meter. Nico en ik zitten dan al weer lang en breed in Nederland.

gelissen gelissen
1949/1950
Links: De bruiloft van het echtpaar de Man.
Op deze foto staan bijna alle kinderen van de onderneming.
Rechts: Bij de geboorte van hun zoon Achiel.


gelissen gelissen gelissen
1949
Links: De ouders Schroe met hun dochtertje Treesje op haar doopdag.
Pater Deudekom is de priester.
Midden: Mevr. Jet Marinus en mijn vader Joep Gelissen zijn resp. meter en peter van Treesje Schroe.
 
De bouw van een nieuwe electrische centrale.

Er bestaan al een hele tijd plannen om de oude centrale te vervangen door een nieuwe. De ketels en turbines, de pijpen en schakelaars, kortom alle onderdelen voor een electrische centrale zijn eind 1948 al vanuit Nederland aangevoerd en liggen opgeslagen onder een heel lang afdak, bij de scheepswerf. Al deze onderdelen zijn afkomstig van de oude electrische centrale van Nijmegen. De opslagplaats blijkt goed gekozen want de nieuwe plaats van de centrale is vlak aan de rivier, aan de voet van de heuvel, waarop ons huis staat. De voet van deze heuvel is slechts 15 meter van de rivier verwijderd. Vooralsnog is daar nu nog geen ruimte voor het bouwen van een centrale. De kern van onze heuvel bestaat ook uit gesteente. Mijn vader krijgt de opdracht, om met explosieven een gedeelte van de heuvel weg te schieten. Zo gebeurt het ook. Op de vrijgekomen ruimte verschijnen een aantal keten. In een er van werken ir. Stam en een collega aan de tekeningen voor de nieuwe centrale. Ik ga er regelmatig kijken.
In maart 1949 is er groot feest. Dan wordt de eerste steen gelegd en volgens plaatselijke traditie wordt de kop van een karbouw in een diep gat begraven. Van de rest is waarschijnlijk sate gemaakt voor het feest. Hierna gaan de betonmolens draaien. De timmerlieden zijn druk met de bekistingen. Het is nu een echte bouwplaats geworden. Als Nico en ik half april naar Nederland vertrekken, staat er een bescheiden skelet van beton. Er zal nog heel wat water door de Mahakam stromen, voordat de centrale in gebruik kan worden genomen. Pelan, pelan saja, kalmtjes aan, is hier een veelgebruikt gezegde. Toch zal hij in 1950 draaien en tot 1970 het hele gewest van stroom voorzien.

Mijn vertrek naar Nederland.

In november 1948 overkwam de oudste zoon, Frank, van de familie Marsman een ernstig ongeluk. In Samarinda drukte een vrachtauto hem bij het achteruitrijden tegen een muur. Zwaar gewond is hij toen naar Balikpapan overgebracht per Catalina. Dit vliegtuig onderhield sinds kort een dienst van Balikpapan naar Samarinda. Gelukkig lag het net in de haven. Frank komt er wel doorheen, maar is niet meer de oude. Waarschijnlijk is er ook iets met de hersens gebeurd. Mevrouw Marsman besluit op enig moment om met haar drie jongens naar Nederland te gaan. Hoe het allemaal geregeld is weten wij niet, maar wij gaan samen met haar en de jongens de lange reis naar Nederland maken. Mevr. Marsman zien we op de hele reis maar een enkele keer. Ze heeft onze papieren en zorgt dat we op het goede schip en in het goede hotel komen.
We vertrekken vanuit Samarinda met een KPM-boot, die ons via Surabaya naar Batavia zal brengen. Natuurlijk staan onze ouders ons uit te zwaaien. Wij zwaaien met de net gekregen, gevlochten verkennershoeden terug. Voor ons begint afscheid nemen al routine te worden. We varen de Mahakam af, voorbij Sanga Sanga en zitten weldra op zee. Ergens tussen Balikpapan en Surabaya doen we een klein eiland aan, Pulu Laut. Als vrouw van onze sleepbootkapitein kent Mevr. Marsman de meeste kapiteins van deze boten wel, omdat ze bij ons kolen bunkeren. Ze heeft een uitstapje naar het eiland versierd. We stappen met haar en haar zonen in een zeer labiele prauw, die bij elke wiebel water maakt.
De KPM-boot ligt een eindje uit de kust voor anker, want er is geen haven. Onze prauw moet dat stukje zee overbruggen. Het water staat in mijn handen, want zowel Nico als ik kunnen nog niet zwemmen. Het feit dat de jongetjes Marsman altijd in een soort zwembroek rondliepen zegt ook niets over hun zwemkunsten.
Het eiland is een en al cocospalm. Aan land gekomen, staat een jeep klaar om ons het eiland te laten zien. Mij zijn alleen de geur en de vele cocospalmen bijgebleven. Die penetrante geur zullen we meenemen naar Batavia. Het is de geur van kopra, het gedroogde wit van de cocosnoot. Het wit is sterk oliehoudend en de geur is dan ook die van ranzige olie. Wij worden in een mooi groot huis ontvangen en van thee en andere drankjes voorzien. Mevr. Marsman heeft de tijd en wij vermaken ons ook wel. Voor de schemering zijn we weer aan boord, en ... ruiken wat de boot ondertussen geladen heeft. Juist ja, ... kopra.

Batavia en inschepen op het "MS. Sibajak"

De reis naar Batavia duurt ongeveer zeven dagen. In Batavia verzamelt onze kloek weer haar kuikens en een taxi brengt ons naar het hotel. Tot mijn verbazing blijkt het "Hotel de Leien" te zijn, gelegen aan de Molenvliet. Voor mij heel bekend terrein, want hier logeerde ik rond Kerstmis 1947 ook al eens met mijn moeder. We hebben alle twee onze hoeden en de bamboefluiten op de KPM-boot laten liggen. Jammer, heel jammer. Hier in Batavia koop ik twee kadootjes voor me zelf. Een klein opgezet schildpadje en een kleine, mooi gesneden buste van een Balinees danseresje.
Het eten is nog steeds heerlijk in dit hotel. Ons verblijf is maar van korte duur, want we kunnen al gauw aan boord van de MS. Sibajak van de Rotterdamse Lloyd. Mevr. Marsman heeft een hut met haar drie kinderen. Wij worden door een stewart naar de mannenzaal gebracht, waar we helemaal vooraan het onderste bed van een stapelbed krijgen aangewezen. Boven ons blijken twee jongens van 18 en 20 jaar te slapen. Links van mij, aan de andere kant van een smal pad slaapt een jongen van onze leeftijd, Peter Dessens. Hij blijkt ook naar het Canisius College te gaan. We bebben elkaar voor het slapen gaan nog veel te vertellen. Peter zal naar het Gymnasium gaan, terwijl Nico en ik de HBS hebben uitverkoren, althans onze ouders hebben dat natuurlijk voor ons gedaan.
Naast onze grote mannenzaal moet er ook nog ergens een vrouwenzaal zijn, want de dames duiken regelmatig op in het brede gangpad, waar Nico aan ligt. Ook als iemand van ons zich net aan het verschonen is. Die aanblik van een naakte jongeling doet een passerend dame uitroepen: "Jongetje toch, je vat nog kou !" Grote hilariteit bij ons natuurlijk. Of de mannen ook op de dameszaal mogen komen is ons niet bekend geworden.
Op het dek onder ons en in het ruim liggen ook nog eens drieduizend militairen. Ik schat dat er ruim duizend burgerpassagiers aan boord waren. Wat een verschil met mijn reis met de MS. "Willem Ruys" Hier geen eetzalen en fraaie hutten. Ook geen zwembad. Er kon wel gedanst worden.
De reis naar Nederland gaat vier weken duren. Er mag een keer vuile was ingeleverd worden, die na drie weken terugkomt. Dat betekent voor ons; zelf wassen en strijken, want onze koffers zijn niet erg groot. Geen probleem. Overdag zijn de badkamers niet bezet. Daar kun je ongestoord je spullen uitwassen. Het drogen kan op de mannenzaal. Blijft nog het strijken.
Op mijn verkenning ontdek ik een kleine ruimte met vier strijkijzers op vier strijkplanken en vier rijen van vrouwen. Als het zo ver is sluit ik aan in de rij en wacht geduldig tot ik aan de beurt ben. De reactie van de dames is me niet bijgebleven. Het kunnen alleen maar complimentjes geweest zijn, want ik was toen al een begenadigd strijker. Dat laatste dringt zelfs door tot de losbollen boven ons, die alleen maar aan dansen en uitgaan denken. Ja, dansen in een ongestreken broek, dat kan natuurlijk niet. Moeders vertikt het om de lange witte broeken voor haar zonen te strijken. Dan is goede raad meestal duur. In dit geval valt het mee. Voor twee boordguldens wil ik beide broeken wel strijken. Zij prijzen me wel de hemel in en kunnen gaan dansen die avond.
In de Indische Oceaan stormt het al weer. Desondanks zijn Nico en ik toch aan dek en staan bij de reling naar de woeste zee te kijken. Er zijn nog een paar mensen aan dek. Plotseling loopt een meisje pijlsnel naar de reling en keert haar maag binnenste buiten. Nico staat er dicht bij en onder de wind. Hij krijgt de volle laag. Alles zit onder. Een welgemeend ”nondejuu” is het enige wat hij nog kan zeggen. Gauw mee naar een badkamer. Ik haal zijn nieuwe spullen op en even later is hij weer het heertje, en ... hangt er weer was aan de lijn.
Hoe hou je drieduizend militairen vier weken rustig? Wel, geef ze allemaal een bouwplaat van de m.s. ”Willem Ruys” en een potje gluton en ze zijn een paar weken bezig. Ik weet uit ervaring hoe slecht die Gluton lijmt. Er is natuurlijk een wedstrijd uitgeschreven. Aan het eind van de reis verschijnen de mooiste exemplaren. Met watten worden de prachtigste golven gemodelleerd en daarna beschilderd. De uitslag heb ik niet meegemaakt, maar ik had een duidelijke favoriet.
We gaan weer door het Suezkanaal en we mogen deze keer in Port Said aan land. De militairen moeten aan boord blijven. Mevr. Marsman is weer present. Twee weken niet gezien. We maken een wandeling in de haven en zijn dan toch weer snel terug aan boord. Daar is meer te beleven. De goochelaars zijn aan boord en de kuikentjes komen je de neusgaten uit. Ook uit je oren trouwens. Rond de boot zwemmen ook weer de jongens die naar munten duiken. De soldaten zijn gul en weten het duiken te waarderen.

Terug in Nederland, terug in Schinveld .

De reis gaat verder. Gelukkig zonder problemen. Het stormt nog even in de Golf van Biskaje, maar dan zijn we ook binnen een paar dagen in Rotterdam. Daar nemen we afscheid van de Marsmannetjes en worden we opgewacht door zus en zwager van mevr. Schroe, de fam Duikers uit Chevremont. Ik reis met hun mee en blijf een nacht over.
De volgende dag wordt ik naar Schinveld gebracht. Julianastraat 2 wordt voorlopig mijn nieuw tehuis. Het is het huis van Stef, mijn vriend, André zijn broertje en Thomas en Tasha (Stanie) Wojtkowiak. Ik slaap bij Stef in bed. Dat is voor ons beiden even wennen. Het is lekker warm onder het dikke verenbed. Er is geen wc in huis. Er staat een emmer in de gang voor de nachtelijke plas. Het eten wordt opeens sterk Pools getint en gekruid. Het broertje van Stef, André, is vijf jaar jonger en zit net op de lagere school.
Stef zit nog in een voorklas van de HBS-St. Jan in Hoensbroek. We gaan dus nu alle twee naar de eerste klas als alles goed gaat. Het is nog geen vakantie, dus moet ik me zelf overdag zien te vermaken. Ik ga de familie maar eens bezoeken en de vrienden van mijn vader. Die zijn inmiddels getrouwd. Hub Schröder en zijn vrouw,Tin, wonen, samen met Zef Jacobs en Mia, in ons oude huis aan de Kloosterlaan. Zef en Mia hebben inmiddels een dochtertje, Marian. Ze is net een jaar.

gelissen gelissen
Foto links: Weer terug in Schinveld, op het muurtje voor ons oude huis.
Links zit mijn vriend Stef Wojtkowiak en tussen ons in Marian Jacobs.
Helemaal rechts is nog de stam van de acacia te zien (de enigste op de Kloosterlaan).
Foto rechts, een foto met Stef uit 1956.


Johan Schröder, de oudere broer van Hub, fungeert nu als voogd voor mij. Hij onderhoudt het contact met het Canisius College in Nijmegen. Maar toch gaat er wat mis. Zowel Nico als ik missen de oproep voor het toelatingsexamen. Dat gaat dus aan ons voorbij, maar we worden toch opgeroepen voor het doen van een mondeling toelatingsexamen. Op de voorgestelde datum zie ik Nico terug in Nijmegen. In een middag worden we door een aantal leraren, Paters Jezuiten, aan de tand gevoeld. Het gaat erg gemoedelijk en we slagen allebei. Heel opgewekt gaan we dan ook weer naar huis. Ook die klip is genomen. Nu kunnen we echt vakantie houden. We hebben nog een maand.

Vakantiewerk bij de (kolen)boer.

Het is de maand dat er geoogst wordt door de boeren en keuterboeren. Het graan wordt gemaaid en daar zijn handen bij nodig. Stef had al een plek gevonden voor vakantiewerk. Hij had al gevraagd of ik ook mee mocht komen. Onze oude kolenboer, Jacob van Schwarz (later blijkt hij Jacob Primus te heten), had ook wat stukken land in het Boschveld met rogge, haver en aardappelen. Jacob leefde bij het echtpaar Schwarz als aangenomen kind. Samen met Opa Schwarz boerde hij er een beetje bij.
Jacob had Stef dus al als vakantiehulp ingeschakeld en was nu ook bereid om het zoontje van de opzichter een kans te geven. Hij zelf bracht vroeger bij ons de nootjes-vier en de eierkolen. Onze buurvrouw, mevrouw Scholten, was een dochter van het echtpaar Schwarz. Zodoende kende ik hen ook. Om acht uur worden we bij Jacob op het einde van de Emmastraat verwacht. We zijn niet de enige helpers. Vijf oudere vrouwen gaan ook mee naar het land. We klimmen op de platte wagen en Jacob rijdt ons naar het land. Opa Schwarz is al op de fiets vooruit om het te maaien veld ”in te slaan”. Dat betekent dat hij met de hand, met de zicht, een strook graan maait, zodat Jacob met zijn paard en de maaimachine op het veld kan komen. Als we daar na een kwartiertje arriveren, is hij al bijna klaar. Er liggen 20 goed geordende hoopjes op de stoppels. Het is rogge en rogge heeft heel lange stengels. De aren hebben lange naalden, die venijnig kunnen prikken. Het is de bedoeling dat wij de bundels gaan binden tot schoven, die dan later aan hopen gezet worden, zodat de aren met de graankorrels kunnen drogen in de zon en in de wind. Ook het stro moet goed droog zijn voordat het kan worden gedorst in de dorsmachine.
Stef doet me voor hoe zo’n bundel graan gebonden moet worden. Hij neemt een handvol stengels van de bundel, steekt het aarloze uiteinde van de streng onder het midden van de bundel door met zijn rechterhand en neemt dat einde met de linkerhand over. Met de streng wordt nu de bundel graan opgetild en aangetrokken. Vervolgens worden de twee uiteinden snel om elkaar heen gedraaid en onder de streng gestoken. De streng zit nu vast om de schoof. Na een paar keer oefenen heb ik de slag te pakken. Als alles gebonden is leggen we de schoven aan de rand van het veld.
Intussen heeft Jacob zijn paard voor de maaimachine gespannen en heeft hij nu de ruimte om met het maaien te beginnen. De machine heeft een mes van 1 meter. Het mes maakt een heen en weer gaande beweging in een houder die aan de voorkant voorzien is van massieve, ijzeren punten op een afstand van 10 cm van elkaar. Deze conische punten sturen het graan naar het bewegende mes. Het afgesneden graan valt tegen een houten rek. Als de bundel dik genoeg is, wordt het rek met een trap op een pedaal naar beneden geklapt en valt de bundel op de grond. Jacob ment het paard en bedient met zijn handen een stok met een flinke haak en met zijn voeten de maaimachine. De leidsels hangen om zijn bruine nek. Aan het eind van het veld gaat het mes omhoog, laat hij het paard draaien en rijdt hij weer terug naar het beginpunt. Ondertussen binden wij de bundels tot schoven en leggen ze aan de kant. Paard en machine worden weer in de goede positie gebracht en de volgende snede kan weer worden gemaakt..
Mijn armen beginnen al rood te worden van het geprik van de kafnaalden. De vrouwen hebben speciale mouwen aangetrokken om hun armen tegen het geprik te beschermen. Dan luiden de klokken van de dorpskerk het ”Angelus Dei”. Het is twaalf uur. Even later komt er eten en drinken en gaan we gezellig bij elkaar zitten op de schoven. Er zijn goed belegde boterhammen en er is koffie. Stef en ik hebben trek en laten het ons goed smaken. Jacob informeert bezorgt of het werk niet te zwaar is. Ik kan het tempo goed bijhouden en ben nog lang niet moe.
Als het vier uur is, is het graan er af. Dan gaan we met z’n allen de schoven aan hopen zetten, acht schoven per hoop. De wind moet er goed door heen kunnen waaien. Dan wacht ons nog een warme maaltijd bij de fam. Schwarz. Het eten is heerlijk. Tenslotte krijgen we ons loon van drie gulden uitbetaald en wordt er een nieuwe afspraak gemaakt, ijs en weder dienende. Ik heb er wel oren naar en Stef ook.
Later hebben we ook nog enkele percelen haver gebonden. Haver heeft erg kort stro en dat maakt het binden er niet gemakkelijker op. Tarwe heb ik nooit gebonden. In het Schinveldse Boschveld wordt geen tarwe verbouwd, omdat de grond niet geschikt is. Wel hebben we nog vaak aardappels geraapt, die Jacob en Opa Schwarz met de riek hadden gerooid. Na zo’n dag moesten we wel in de tobbe.
Tussen de bedrijven door is er nog genoeg tijd voor ontspanning. Ik heb in Indië twee, voor mij nieuwe, sporten leren kennen, nl. tennis en badminton. We spelen nu op straat, voor het huis van Stef, een eigen soort tennis. Natuurlijk hebben we geen rackets. Wel een tennisbal. Uit een 2,5 cm dikke plank zagen we twee slagplanken met een korte steel. Op de met grind verharde weg worden vier lijnen getrokken. Hierdoor onstaan drie vakken. Het middelste vak vervangt het net, dat bij het tennisspel gebruikelijk is, maar hier natuurlijk niet gespannen kan worden. Net als bij het echte tennis serveert de ene speler de bal in het vak van de andere speler. Als de bal in het middenvak terecht komt is dat een fout. De slagplanken zijn zwaar genoeg om de bal een flinke vaart mee te geven. De tegenpartij moet de bal terug zien te slaan binnen de aangegeven lijnen. Het jongere broertje van Stef, André, raakt heel bedreven in deze tak van sport. Hij weet mij en zijn oudere broer regelmatig te verslaan.
Ik bedenk ook nog een variant op het badmintonspel. Van triplex zaag ik twee langwerpige rackets en verstevig de steel. Ik heb echter geen shuttle. Geen nood, dan zelf maar een shuttle maken. Kippenveren zijn er genoeg en aan kurken ook geen gebrek. Met naald en draad kan ik ook goed overweg. Na een dag prutsen heb ik mijn shuttle. De kurk mooi bijgesneden en met hansaplast bekleed. Een groot voordeel van dit nieuwe spel is,dat we het, zonder net, op het niet al te grote erf van ons huis kunnen spelen. In tegenstelling tot het echte badmintonspel maakt mijn variant tijdens het spelen een lekker tok- tok-geluid. De kunst is natuurlijk, om de shuttle zo lang mogelijk in de lucht te houden.
Op de gemaaide velden is het ook goed vliegeren. We maaken grote vliegers, nog steeds van krantenpapier en stevige houten latjes. In de lange staart worden bosjes gras verwerkt om de vlieger de nodige stabiliteit te geven in de lucht. We houden niet van die wiebelende zenuw-vliegers. De vlieger moet staan en liefst zo hoog en ver mogelijk. Een kwestie van geld voor veel touw. Staat de vlieger eenmaal hoog in de lucht, dan sturen we berichtjes op papier naar boven via het vliegertouw.
gelissen
Op deze foto staat de Schinveldse boer van de Haufe met een z.g. zelfbinder.
Deze machine kon niet alleen graan maaien maar tevens ook al de schoven binden.
”De Haufe” was een verbastering van ”De Halve Hof”. Deze boerderij was namelijke een pachtboerderij, waarvan de pachter de helft van de opbrengst moest afstaan aan de eigenaars.

Het Canisius College in Nijmegen.

De dag van mijn vertrek naar het Canisius-college in Nijmegen komt steeds dichterbij. Met pijn in mijn hart neem ik afscheid van de mensen, die mij zo goed opgevangen hebben. Tomas en Tascha, André en Stefan. De laatste gaat nu ook naar de HBS en is druk bezig met het kaften van zijn boeken. Hij krijgt zijn boeken in bruikleen via een boekenfonds van de school en betaald daarvoor een bedrag aan huur.
Mijn voogd heeft inmiddels voor uitbreiding van mijn garderobe gezorgd. Gepakt en gezakt stap ik met hem in Sittard op de trein. In Roermond moeten we overstappen en met de stoptrein gaan we nu richting Nijmegen. Het station van Nijmegen wordt herbouwd. Met de tram gaat het verder naar de Berg- en Dalseweg, waar vrij vooraan het grote en mooie complex van het Canisius-college opdoemt. We worden opgevangen en we brengen mijn koffer naar mijn chambrette op de zolderverdieping. Daarna weer naar beneden. In de recreatierzaal wordt mij een kastje aangewezen, bestemd voor hobby-materiaal etc.. Dan gaat het naar de studiezaal. Ook daar heb ik een eigen plek. In een tafel met een schuine klep is plaats voor mijn boeken en schriften. De boeken kan ik later in een lokaal ophalen. We gaan in de grote eetzaal, de refter, van de Kleine Cour een boterhammetje eten en dan is het weer tijd om afscheid te nemen van mijn voogd Johan. Hij stopt me nog wat zakgeld toe en dan sta ik er alleen voor. Maar ja, ik ben intussen al wat gewend.
Gelukkig komt ook Nico binnenstappen. Ook Peter Dessens komt die middag binnen. De drie van de ”Sibajak” hebben elkaar weer gevonden. Samen met nog enkele andere jongens, die ook uit Indië komen vormen we later een clubje.

De Kleine Cour.

Nico en ik maken nu deel uit van de Kleine Cour. Alle interne eerste en tweede klassers zitten in dit gedeelte van het gebouw. In een ander deel bevindt zich de Middencour voor de derde en vierde klassers. De Grote Cour voor de vijfde en zesde klassers heeft een ”status aparte”. Waar ze precies zaten is mij in de tijd dat ik er was, niet duidelijk geworden. Wij hebben onze eigen slaapzaal op een van de enorme zolders, een grote studiezaal, een recreatiezaal en buiten, onze eigen speelplaats of cour. Er is een grote refter of eetzaal, dicht bij onze recreatiezaal. Wij zijn met ruim 150 man verdeeld over 4 eerste klassen en 4 tweede klassen. Twee paters Jezuieten zijn permanent aanwezig, Onze surveillanten, Pater Oomen en Pater Giesbers, worden geacht alles in goede banen te leiden. Ze wekken ons ’s morgens om zeven uur. Wassen en aankleden en om half acht is iedereen in de grote kapel voor de H.Mis. Om acht uur wordt er ontbeten in de refter. Daarna gaat iedereen naar de studiezaal om alles klaar te maken voor de lessen. De leslokalen liggen op loopafstand in het gebouw.
Biologie en tekenen hebben eigen vaklokalen in het oude gedeelte van het gebouw. Voor de andere vakken blijven we in ons eigen lokaal. De lessen beginnen om half negen. Na twee lessen van 50 min is er een pauze van 20 min, die we op onze eigen cour doorbrengen. Om half elf begint de school weer voor de twee laatste lessen. Tien over twaalf gaan we weer terug naar de studiezaal en door naar de cour. Om half een is de lunch in de refter. Brood is er altijd in overvloed; het beleg is gelimiteerd, maar voldoende. Soms wordt er spontaan een wedstrijdje ”brood eten” gehouden. Om één uur gaan we weer naar de studiezaal om de volgende lessen voor te bereiden. Om half twee beginnen de laatste vier lessen, met na twee lesuren weer een pauze van 20 minuten. Tien over vijf zijn we weer klaar. Boeken opruimen en snel wat ravotten of pillen op de cour.
Pillen is een tak van sport, die officiëel ”Canisiaans hockey” wordt genoemd. Je hebt er voor nodig: een pillat en een tennisbal. De zeventig cm lange, taps toelopende lat is aan de brede kant schuin afgezaagd .Ze zijn voor 1 gulden te koop bij de surveillant. Oude tennisballen zijn er genoeg. Je kunt je er goed in je eentje mee vermaken. Het is een sport om de bal zo hoog mogelijk op het hoge dak te slaan. De ramen van het schoolgebouw zijn aan de kant van de Kleine Cour van stevig ijzeren gaas voorzien, zodat er geen ramen kunnen sneuvelen. Als we wat meer tijd hebben, bijvoorbeeld op woensdagmiddag of in het weekend, dan wordt er in een speciaal hoekje van de cour wedstrijd gespeeld. Heel vaak is dat een wedstrijd tussen een team van zogenaamde Indische jongens en een team van Nederlandse jongens.
Om zes uur wordt er warm gegeten. Van half zeven tot half negen is het verplichte studie in de studiezaal. Huiswerk maken en lesjes leren. Ben je klaar met je huiswerk, dan mag er ook een boek gelezen worden. Van half negen tot kwart voor tien is het vrije recreatie.Tot oktober wordt er dan nog veel buiten gesport. Daarna doet de huisvlijt zijn intrede en wordt er ook veel gekaart. Er wordt veel gefiguurzaagd en gefineerd. Modelbouw in hout is erg in trek. Hele slagschepen en vliegtuigen worden nagebouwd. Ook Sneeuwitje en haar dwergen zijn zeer in trek op kapstokjes voor de kinderkamer van een zusje of broertje.
Ik heb nog steeds de stevige margarinedoos, waarin al mijn gereedschap, hout en voorbeelden bewaard werd in een eigen kastje in een grote kastwand langs de muren van de recreatiezaal. Grenzend aan de recreatiezaal is ook een werkplaats. Dit is het domein van de bouwers van zweefvliegtuigen. Daar moet je lid van zijn. Ook externe studenten kunnen lid zijn van deze club. Er zijn ook allerlei spellen die je kunt doen. Er kan geschaakt en gedamd worden. Ook het bridgen is in trek. Er is ook een ping-pongtafel. Dit hele gebeuren wordt continu gadegeslagen door een van de surveillanten. Bij hun kon je ook je bestellingen doen als je iets nodig had. Zij beheerden ook het spelmateriaal. Ik kan me geen conflict herinneren tijdens de anderhalf jaar dat ik er geweest ben.
Om kwart voor tien was het opruimen geblazen en om tien uur waren we boven in onze chambrettes.Vier houten wanden met een deuropening afgesloten met een gordijn. Een bed, een kleerkast, een stoel en een wastafel. Geen plafond. Je keek tot in de nok van de zolder. Er waren geen douches. De meeste Nederlandse kinderen gingen in het weekend naar huis. De overblijvers gingen op zondagmorgen als groep naar het zwembad. Sommigen wisten dan toch nog een snoepwinkeltje binnen te glippen.
Canisius had veel mogelijkheden om te sporten. Er waren twee tennisbanen, enkele voetbal- en hockeyvelden en een groot cricketveld. Op het eind van onze cour was een baan voor boogschieten. Er waren twee gildes waar je je bij kon aansluiten, waaronder ”Willem Tell” en ”Robin Hood”. Bogen en pijlen waren aanwezig en duidelijk van goede, vooroorlogse kwaliteit.
Op zondagmiddag waren er ook altijd wandeligen in de omgeving. Alles onder begeleiding, dat spreekt. Er was ook in het weekend gelegenheid om te studeren en huiswerk te maken. In de kastenwand aan de achterkant van de studiezaal zat een hele bibliotheek met jongensboeken. Je kon dus ook rustig gaan lezen in de studiezaal. Zelf deed ik mee aan tennissen, voetballen, cricket en boogschieten.
Het college had ook vele mogelijkheden voor muziekonderwijs. In het sousterrain waren een groot aantal studio’s gemaakt. Hokjes met veel glas, waar leraren hun leerlingen de kneepjes van het vak konden leren. Helaas gingen muzieklessen het budget van mijn ouders te boven. Zij konden maar een beperkt bedrag vanuit Ned. Indië overmaken. Het kale kostgeld bedroeg fl. 125,-. Dat was toen het maandloon van een werkman. De meeste jongens in mijn klas kwamen uit rijke zakenmilieus of waren kinderen van diplomaten in het buitenland. In ons pilclubje zat bijvoorbeeld Joep van Eechoud uit Hollandia, zoon van de gouverneur van Nieuw-Guinea. Peter Dessens kwam uit Batavia en Nico en ik uit Loa Kulu bij Samarinda. Dit laatste stond niet in de leerlingenlijst: Nico kwam uit Chevremont en ik uit Schinveld.

De kristalontvanger en vliegtuigfoto’s aan de muur.

Het luisteren naar de radio via een primitieve kleine kristalontvanger, 's avonds onder de dekens, was de grootste hobby van de jongens met wat meer zakgeld. Een goede tweede was het verzamelen van vliegtuigfoto’s. Vooral de tweede-klassers schreven prachtige brieven naar Amerikaanse vliegtuigbouwers. Ze werden beloond met grote envelloppen vol prachtige kleurenfoto’s van allerlei vliegtuigtypen. Als er weer zo’n grote envellop bij de post zat, was iedereen nieuwsgierig naar de inhoud. Meestal mochten we meegenieten van de inhoud. Met die foto’s werd dan de chambrette van de ontvager opgesierd. Mijn chambrette bleef kaal. Kennelijk was mijn belangstelling voor vliegtuigen niet erg groot. Een kristalontvanger heb ik een keer van dichtbij gezien, maar ik heb hem niet horen werken. Nog steeds geen idee hoe zo’n ding werkt.
Na enkele maanden krijg ik last van zweren, vooral op mijn linkerbeen. Waarschijnlijk het gevolg van de andere voeding. Het bleek hardnekkig en ik belandde zelfs in de ziekenboeg op de eerste verdieping. Daar zwaaide een lange, kalende ziekenbroeder de scepter, broeder Dekkers. Hij verzorgde mij en de zweren heel goed. Geen idee hoe lang dat geduurd heeft. Waarschijnlijk was het tijdens de eerste herfstvakantie toen iedereen weg was en ik niet weg kon. Ik heb er alleen één lidteken op mijn linkerdijbeen van overgehouden. Later zal ik deze broeder weer tegenkomen in het Zuiden des lands, maar in een heel andere hoedanigheid.
Ik probeer ook wat aan mijn godsdienstige ontwikkeling te doen door lid te worden van ”Hostia”. Een van de congregaties van het Canisius College. Op 13 november viert ”Hostia” haar patroonsfeest en pater Perquin houdt een feestrede en er is feest op de Kleine Cour. Er is ook Lof in de Huiskapel op de eerste verdieping. Onze moderator is pater Visser, directeur is pater Oomen s.j., tevens surveillant. Er zitten ook zes leerlingen in het bestuur. Doel is het Evangelie van Jezus ook in de praktijk van alle dag te brengen. Onze kostschoolprefect, een Jezuiten-creatie, is pater J.Koster. Hij is de ordebewaarder, maar zorgt ook voor het welzijn van de internen, door voldoende ontspanningsmogelijkheden aan te bieden. Rector is pater K.Verhofstad s.j.,die in 1944 rector werd tijdens de bezetting van het College door de Duitsers.
Het College-gebouw liep na de bevrijding nog grote schade op door granaatvuur van de Duitsers. Na mei 1945 kon hij met de opbouw en reparatie beginnen en nu in 1949 ziet alles er weer prachtig uit.
gelissen gelissen
Nijmegen, juni 1950
1ste Klas HBS van het Canisius-College.
Op de bovenste rij staan helemaal rechts de heren Lubbers, Kersten en Gommers.Ongeveer in het midden staat pater Giesbers, wij noemden hem ”de Stalen Jezus”
Onderste rij zittend helemaal rechts: Albert Gelissen.
Nijmegen, 1949/1950
Tijdens een cricket-wedtsrijd aan het Canisius-College.
Op deze foto staat ook Ron Dekkers, mijn maatje van de Sibajak.
De Aula, het culturele middelpunt.

Het Canisius-College was in het bezit van een mooie aula met plaats voor 500 man. Ik zag er mijn eerste echt goede film: ”De Roversymphonie”. De hoodrol werd gespeeld door een jongen van mijn leeftijd. Waarschijnlijk heeft de film daardoor zo’n geweldige indruk op me gemaakt. Het was de eerste film waarbij de muziek van de ”Roversymphonie” het hele verhaal bepaalde. Er waren bijna geen dialogen. In 2009 zag ik deze film weer terug in het Filmhuis ”de Keizer” in Deventer. Mooi gerestaureerd was deze film weer een belevenis. Een groot aantal scènes stonden nog steeds in mijn geheugen gegrift na zestig jaar. De film werd toen gedraaid door de amanuensis van natuurkunde met een prachtige bijnaam: Jan Potverdomme. Als iets niet lukte dan was er deze krachtterm, die meestal de oplossing bracht. Hij was de technische man en bij toneelstukken zorgde hij ook voor het licht.
In deze aula hoorde en zag ik ook voor het eerst een compleet orkest spelen. Dat was toen in het kader van ”Eén Uur Muziek” voor Middelbare Scholen. Het hele Gelders Orkest was present op het toneel. Weer een geweldige belevenis.
Ter gelegenhied van het ”Rectorsfeest” op 24 nov ‘49 werd er ook een toneelstuk in de Aula opgevoerd. KUBINSKY, een blijspel in drie bedrijven door Ladislas Fodor. Het stuk speelt in de Amerikaanse bankwereld. Er werd door de jongens van de Grote Cour goed gespeeld en er was genoeg om te lachen. In de loop van de winter kregen we nog een mooi toneelstuk te zien: ”Het proces tegen Paul Douglas”. Een goed gespeeld proces, waarbij de zaal als jury fungeert. Echt een stuk voor aanstaande studenten in de Rechten. De beklaagde was .., oei, bijna had ik de plot verraden.
Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het college wordt op 14 mei 1950 het stuk ”Het heilig Experiment” opgevoerd, een stuk in vijf bedrijven door Fritz Hochwälder. Het stuk gaat over het conflict tussen Spanjaarden en Jezuiten in hun missies. Het stuk werd gespeeld door internen en externen. Ik was er wel van onder de indruk. Tot zover de krenten in de pap van het kostschool bestaan.
Het grote toetje zou ik bijna vergeten. Op 11 mei 1950 beginnen de feestelijkheden rond het 50-jarig bestaan. Op 12 mei wordt de kermis geopend na een Pontificale Hoogmis. Bij het eten krijgen we een kogelflesje met limonade. Het flesje is afgesloten door een glazen knikker. Ze zijn niet meer in de handel en zijn in eigen beheer gevuld. Op 13 mei is de grote sportdag en op 14 mei is de slotdag waarvoor ook de ouders uitgenodigd zijn. Mijn ouders zijn net een maand terug uit Indonesie en zijn ook van de partij. Samen gaan we de kermis op. Er was een nieuw attractie bij, nl. vitrines met hijskraantjes, waarmee je allerlei prijsjes kon oppakken en winnen. Er lagen mooie horloges bij, maar helaas … .
Er was ook een heerlijk koud buffet in de middaguren. Daarna hebben we in de aula nog naar de collegefilm "Fiat lux" gekeken. Daarna gingen mijn ouders weer terug naar Schinveld.
Tijdens de Paasvakantie in april waren ze in Schinveld aangekomen met een paar koffers. Mijn moeder dacht dat ze voor huisvesting bij familie aan de Eindstraat terecht konden. Daar aangekomen wordt er echter niet opengedaan. Daar stonden we dan met z’n drieën. Het was gelukkig goed weer. Twee huizen verder woonden twee vrijgezellen, Sjeng en Mat Heinen, samen in een oud boerderijtje. Zij waren ook familie en bleken wel thuis. All gauw zaten we bij hen aan de koffie. Ik stelde mijn ouders voor om mee naar Thomas en Stani te gaan. Sjeng en ik zouden met paard en wagen de koffers er naar toe brengen. Vader en Moeder gingen te voet de Berg op. Ze werden door Stani gastvrij ontvangen en even later arriveerden wij met de koffers. Ik weet niet meer hoe lang zij daar gelogeerd hebben.
Ik ging na de Paasvakantie op 24 april weer terug naar het college. Uiteindelijk vonden ze onderdak bij onze slager Jansen aan de Kloosterlaan. Ik bleef tijdens de vakanties bij mijn vriend Stephan logeren.
Er moest natuurlijk ook gestudeerd worden en de meeste tijd brachten we natuurlijk door in de klaslokalen, samen met onze leraren. Enkelen daarvan hebben een diepe indruk nagelaten. Voor geschiedenis hadden we pater Scheerboom, klein van stuk maar met een mooie bos lang grijs haar. Hij kon prachtig vertellen over de Griekse oorlogen, over de Spartanen, het Trojaanse Paard. Een gevleugels woord van hem was: ”En toen ging het schorum weer aan het knokken.” Als bijnaam had hij: Jan Zwam.
Voor het vak tekenen hadden we een apart vaklokaal. Hier ging de heer Claase met ons aan de gang. Zijn tekenlessen waren tevens lessen in de kunstgeschiedenis. We begonnen met de kunst van de Egyptenaren. In een tekencahier werden de foto’s van beelden ingeplakt en daartussen kwamen dan de tekeningen die we zelf met kleurpotloden moesten maken van bijv. de pyramiden van Gizeh en van een mastaba. Ook papyrusplanten en palmen in een oase. Verder gaat mijn herinnering niet.
De heer Baart was onze sportleraar, maar de gymzaal behoort niet meer tot mijn gedachtengoed.
Biologie was een lievelingsvak. Pater van Nieuwenhoven was onze leraar. Hij had een eigen vaklokaal en ik herinner me de vele opgezette vogels in de vitrines.
Dr. Lelyveld, bijgenaamd ”de pukkel”, bracht ons de eerste beginselen van de algebra en de meetkunde bij.
Pater Visser zorgde voor godsdienstige verdieping. Hij was ook mijn mentor.
Drs. Romijn leerde ons Frans. Mij is een anekdote bijgebleven tijdens een vertaalbeurt. Door een verkeerd verstaan van een voorzegger maakte de vertaler van de ”bevallige gemzen”, de ”bouwvallige gemzen”. Grote hilariteit.
Tijdens de Nederlandse les moest ook door iedereen een gedicht voorgedragen worden. Dat was niet mijn sterkte: van buiten leren. Ik herinner me de voordracht van het gedicht: ”De tuinman en de dood”. Ik vond het prachtig en had grote bewondering voor de voordrager.
Op het eind van het schooljaar had ik een redelijke lijst met een hoog cijfer voor biologie, want daarin was ik de beste van de klas volgens Dr. van Nieuwenhoven. Ik kreeg daarvoor een oorkonde uitgereikt. Iedereen die in een bepaald vak nr 1 was, kreeg een oorkonde. Dat gebeurde in de grote aula tijdens de afsluiting van het studiejaar.
Dan was het vakantie. Ik was over naar de tweede klas en zou ook na de vakantie intern blijven tot mijn ouders weer een eigen woning zouden hebben.
Mijn maatje Nico Schroe kon de HBS niet aan, bleef zitten, en kwam ook niet meer terug. Zijn ouders waren al iets eerder terug in Nederland. Hij gaat naar de Ambachtschool, doet daarna de MTS en vervolgens slaagt hij ook nog voor de HTS. Maar dan zijn we vele jaren verder.
Mijn vader en ook de vader van Nico hebben weer een baan bij de Staatsmijnen gevonden. Mijn vader wilde niet meer terug naar zijn oude mijn , de Staatsmijn Hendrik, dus had hij voor de Staatsmijn Emma gekozen. Zo ook Hein Schroe. Het wachten was nu op de toewijzing van een woning. De huizen,twee onder een kap, waren in aanbouw aan de Voltalaan in Hoensbroek/Mariarade, maar zouden pas in december 1950 klaar zijn.
Mijn moeder wordt in november in het ziekenhuis te Heerlen geopereerd. Het is een heel zware operatie, waarbij een geatrofieerde nier wordt verwijderd en de oorzaak van de incontinentie wordt weggenomen. Daarna is ze van al haar klachten verlost.
Als ik met kerstvakantie thuis kom is het huis opgeleverd. Samen met vader ga ik aan de slag. Behangen, gordijnrails bevestigen, vloerbedekking leggen op de slaapkamers. De woonkamer heeft parket. Bij Stevens in Schinveld zijn nieuwe meubels gekocht. Een kolenfornuis voor de keuken en twee kolenhaarden voor de eet- en woonkamer. De kolenkelder wordt van anthraciet voorzien en ook van gezaagd mijnhout om de kachels aan te maken. Voor de woonkamer was de keuze gevallen op vier stoelen en een ronde kaarttafel. Ook een radio mocht natuurlijk niet ontbreken. In het schuurtje in de tuin kwam een Miele-wasmachine met houten kuip, maar zonder electrische wringer. Voor de ouderslaapkamer werd een compleet slaapkamerameublement aangeschaft. Een tweepersoonsbed van hout en een kleerkast, kommode en twee nachtkastjes van hetzelfde hout.
Op mijn kamer kwam een twijfelaar. Ik had een ingebouwde kleerkast. Tussen mijn slaapkamer en die van mijn ouders was een soort badkamer met een lavet en douche aan het eind van een smalle gang. Verder waren er nog twee kleine slaapkamers. Boven was nog een grote zolder via een vaste trap bereikbaar. Er was geen centrale verwarming, dus was het boven koud in de winter. De keuken was wel voorzien van een geyzer boven het aanrecht.
Mijn moeder moet het nog kalm aan doen. Ze krijgt dagelijks hulp van een nicht uit Schinveld, Tring Theunissen.
In het voorjaar gaat deze weer naar haar vaste stek in een hotel in Scheveningen. Moeder kan het dan wel weer helemaal aan en is de koning te rijk, nu ze geen klachten meer heeft.

gelissen gelissen
Hoensbroek, voorjaar 1951.
In de tuin van ons nieuwe huis aan de Voltalaan 8.
Foto links: Mevr. Schroe met haar dochter Treesje die nog in Loa Kulu geboren is, mijn moeder en een vriendin van mevr.Schroe, waarmee ze op Java in een Jappenkamp had gezeten (Kamp Ambarawa bij Salatiga).
Foto rechts: Mijn vader Joep, onbekend, mijn moeder en vooraan Treesje en ik.

Hoensbroek 1951. R.K. HBS St. Jan.

In de eerste week van januari beginnen de lessen op de HBS St. Jan te Hoensbroek aan de Akerstraat. Via het boekenfonds kan ik nog een aantal boeken bemachtigen. O.a.voor Engels is geen boek meer te krijgen. Ik zit nu bij mijn vriend Stephan in de klas. Tussen de middag gaat hij met mij mee naar huis en eet daar zijn boterhammen op. Voor die tijd moest hij zijn lunch opeten in een overblijf lokaal, buiten het schoolgebouw. Dat was niet erg gezellig. Op het eind van het studiejaar zijn mijn studieresultaten desastreus. Voor biologie, tekenen en gym heb ik prima cijfers, maar de rest laat veel te wensen over.
We hebben een prachtig tekenlokaal. Iedereen heeft een eigen losse tekenplank waarop het papier vastgezet kan worden. We werken allemaal met waterverf, Oost-Indische inkt en tekenpotlood. De tekenleraar Fillot zet onze fantasie aan het werk door regelmatig titels op het bord te zetten. Tussendoor moet er ook af en toe een stilleven gemaakt worden. Enkele titels die mij zijn bijgebleven zijn: Vuur, Feest, Oude Dorpspomp, Oud Kerkje, affiche voor bloembollencorso, affiche Potterie St.Joost. Charles Verdier, die naast me zit, heeft een voorkeur voor de meer abstracte titels, zoals Vuur en Feest. Ik neem de meer concrete titels, waarbij ook veel getekend moet worden. Mijn productie is niet hoog, maar de waardering wel.
Stephan is over naar de derde klas en ik doe de tweede klas nog eens over. Wel jammer, maar wel begrijpelijk. Mijn ouders vinden het vervelend voor mij, maar hebben er zelf geen problemen mee. Bij Stephan ligt dat anders. Hij mag niet doubleren, omdat zijn ouders dat niet kunnen betalen. Thomas werkt al vanaf zijn veertiende jaar in de mijnen en heeft een flink percentage stoflongen. Hij mag ondergronds alleen lichte werkzaamheden doen en dat wordt natuurlijk ook maar ”licht” betaald. Voor Stanie is het woekeren met een klein inkomen. Stef moet in vijf jaar klaar zijn, want zijn vijf jaar jongere broertje André kan dan ook naar de HBS. Het is nu al te zien dat hij erg begaafd is.
De fam. Schroe woont vlak bij ons; wij op nr 8 en zij op nr 12. Nico heeft er op zijn ”oude dag” een zusje bij gekregen. Treesje is in Loa Kulu geboren toen Nico en ik al lang en breed in Nederland waren. Mijn vader was bij haar doop Peter, en Jet Marinus was haar Meter. Het onderlinge contact is uitstekend. We komen veel bij elkaar over de vloer. Ik trek wel een stuk minder met Nico op, nu we op verschillende scholen zitten. Maar in de zomervakantie gaat mijn vader met ons beiden een fietskampeertocht door Nederland maken. Zowel Nico en ik hebben nog niet veel van Nederland gezien. Nico heeft een fototoestel bij zich, zodat we van deze tocht aardig wat foto’s hebben.

Vacantie in het buitenland.

In 1951 zijn er mogelijkheden om een vakantie in het buitenland door te brengen. De White Cars uit Heerlen organiseren busreizen naar Reute in Tirol (Oostenrijk). Voor tachtig gulden tien dagen in de oostenrijkse bergen.

Fietstocht door Nederland. Zomer 1951

Van Hoensbroek fietsen we in een dag naar Nijmegen en logeren daar bij mevrouw de Bemt (Balikpapan), die na de dood van haar man, met haar dochter en zoon teruggegaan is naar Nederland en nu in Nijmegen woont. We zijn blij dat we nog geen tent hoeven op te zetten, want het was een lange, vermoeiende ruk. De volgende dag gaat het richting Winterswijk, waar bij ”de Italiaanse meren” de tent wel wordt opgeslagen. Het is een oude, tweepersoons tent, zoals in gebruik bij de Amerikanse soldaten. We blijven er één dag. Daarna gaat het via Loenen (waterval) over de Veluwe naar de camping ”Rabbit Hill”. Vandaar fietsen we naar Amsterdam en kamperen bij het Olympisch stadion. Hier blijven we twee dagen. Bezoeken Artis en Schiphol. Ook het Rijksmuseum wordt met een bezoek vereerd. Daar zien we voor het eerst de Nachtwacht en al die andere prachtige schilderijen. Artis is ook een belevenis, maar Schiphol valt wat tegen. Er staan een paar hangaars en een paar vliegtuigen, waaronder een DC3. Daar had ik dus in 1948 in Indië mee gevlogen.
Van Amsterdam gaat het via Alphen aan de Rijn naar Avifauna, een net nieuw aangelegd vogelpark. Veel heel mooie vogels, maar nog wat kaal. Via Den Haag bereiken we de duinen van Kuikduin. We kamperen in een duinpan, waar de zeewind boven op onze tent valt en het geklapper van het tentdoek ons lang uit de slaap houdt. Ook hier blijven we enkele dagen; gaan naar het strand, zwemmen en bezoeken Scheveningen. Daarna gaat het weer naar huis. We kamperen nog ergens in Brabant en fietsen via Eindhoven en Weert weer naar Hoensbroek.
Er gaat enige tijd overheen voordat de onderweg ontstane spanningen tussen Nico en mijn vader zijn bekoeld. Logisch toch? Voor Nico was het de eerste keer dat hij kampeerde. En zo´n fietstocht was ook niet niks.

gelissen gelissen
Fietstocht door Nederland, zomer 1951.
Foto links: Vertrek bij mevr. de Bemt in Nijmegen. In het midden Albert en rechts Nico Schroe.
Foto rechts is gemaakt bij de zg. Italiaanse meren in Winterswijk. Vlnr: Albert, Joep en Nico.



In september start ik met frisse moed (en nu wel met een compleet stel boeken) aan de tweede klas. Ik heb wat meer tijd voor sport. Ik neem een abonnement van een zwembad in Vaesrade. Na een paar weken elke dag zwemmen, heb ik eindelijk de schoolslag te pakken. Op de rug zwemmen was ik al enige tijd machtig.
Onze sportleraar Dekkers laat ons veel volleybal spelen en af en toe ook zitvoetbal. Een keer per jaar gebruiken we alle toestellen. Hij ging ook wel eens met ons zwemmen in bovengenoemd bad. Ik ben ook lid geworden van de tennisclub in Treebeek, maar doe het nog met mate, want de studie gaat nu voor.
Het lerarencorps van de HBS- St.Jan wordt aangevoerd door directeur Schreinemakers. Een lange, statige man, die ook een goede toespraak kan houden en gezag uitstraald.
De heer Verjans, leraar Nederlands. Pedant, goed in het pak, niet sportief en adjunkt-directeur.
Voor bijna alle leraren geldt dat ze geen ordeprobleem hebben.
Drs. de Wit geeft Geschiedenis op een prettige manier.
Dhr. Renkens is onze wiskundeleraar met gevoel voor humor, klein en sportief.
Dhr. Dirks is een gedreven leraar Engels. Dwingt tot Engels spreken in zijn les.
Drs. Kuipers geeft Natuurkunde en heeft een eigen vaklokaal en een speciale manier van opdrachten overhoren. Hij rookt daarbij z’n pijpje en kijkt quasi onverschillig naar buiten, terwijl de leerling voor het bord op een opgave zit te zweten. Als het te lang stil blijft, draait hij zich om en vraagt: ”Gaat het een beetje?” Het ging dan meestal helemaal niet.
Dhr. Sterken is mijn biologieleraar. We moeten een herbarium aanleggen en hij gaat er ook een aantal keren met ons op uit. We maken een excursie naar het orchideeëndal in Zuid-Limburg. Hij bezorgt mij ook een abonnement op ”Zwerven in de Natuur”.
De heer Zwitserloot heeft de eer om ons Duits te mogen bijbrengen. Daar heb ik een goede affiniteit mee.
De heren Dekkers en Fillot zijn al eerder ter sprake gekomen: de eerste als gymleraar en de laatste als leraar tekenen.
Onze leraar Frans kan helaas geen orde houden en dientengevolge leren we dus minder goed Frans. Ook zijn jonge opvolger ging het later niet goed af, zodat er weer een nieuwe aangesteld moest worden.
Godsdienstlessen krijgen we van onze schoolmoderator, wiens naam mij niet te binnen schiet. Waarschijlijk omdat we hem met Moderator aanspraken. Aan hem heb ik ook goede herinneringen. Hij was hier de enige priester in het gezelschap van docenten, altijd in zwart habijt en met witte boord. Hij bleek later ook diocesaan aalmoezenier van de verkennerij te zijn.
In de derde klas leerde ik onze scheikunde leraar kennen. Ook voor dit vak hadden we een vaklokaal. Allemaal stenen labtafels, met kranen en afvoeren. Rekken voor chemicalien en gaskranen met bunzenbranders. Een van de bekendste uitspraken van onze scheikundige ingenieur was: ”Geduld en schudden, dat is de hele chemie”. Een base plus een zuur geeft een zout plus water. Bijvoorbeeld: NaOH + HCl < NaCl + H2O. We mochten af en toe enkele reacties zelf uitvoeren. Enkele keren per jaar rook het in de hele school naar rotte eieren. Dan had de reactie in het reageerbuisje H2S opgeleverd, ook wel zwavelwaterstof geheten. Ik was geen hoogvlieger in zijn vak. Ir. Rietveld blonk niet uit in de didactiek van zijn vak en hij had een probleem en dat kon je soms ruiken.
Muzikale vorming was er ook en wel in de vorm van ”Een uur muziek”. Dat was altijd voor mij een belevenis. De hele school was dan verzameld in de sportzaal, die dan omgetoverd werd in een concertzaal. Op die manier heb ik kennis kunnen maken met Henkemans, een pianist, die ook vaak als begeleider van andere artiesten optrad. Diepe indruk op mij maakte Rosa Spier met haar prachtige harp. Jaap Stotijn van het Concertgebouworkest maakte met zijn hobo veel indruk.
Prachtig waren ook de concerten van een Franse cellist, begeleid door Henkemans. De voordrachtskunstenaar Albert Vogel, broer van Ellen Vogel (actrice), kwam in dit circuit ook regelmatig voorbij. Ook diverse, mij minder bekende, vocalisten deden met Henkemans onze kleine school aan.
Een keer hadden we een heel bekend poppentheater op bezoek, dat gespecialiseerd was in het opvoeren van opera’s met marionetten. Voor grotere gezelschappen was onze school kennelijk te klein.

Sport op school.

Tegen het eind van het jaar organiseerde gymleraar Dekkers altijd een sportdag. De leraren lieten zich dan ook niet onbetuigd. Ze vormden een volleybal- en een voetbalteam en traden tegen hunne leerlingen in het krijt. Er kon dan gelachen worden. Wie er won was niet zo belangrijk, althans bij mij is dat niet blijven hangen. Bij de school was toen nog ruimte voor sportterreinen. Meestal waren we toch in de sportzaal bezig. Favoriete bezigheid was volleybal, met als goede tweede zitvoetbal. Een keer per jaar kwamen de klimtouwen en de ringen omlaag. Dan begon het gestuntel. Toch stond er altijd voor gym een negen op mijn rapport.

Pogingen tot emigratie.

Intussen probeert mijn vader nog te emigreren naar Australië, maar wordt afgekeurd (te veel stoflongen’). Daarna probeert hij naar Liberia te komen. Door wisseling in de directie gaat dat op het laatste moment niet door. Als laatste probeert hij het nog eens met Canada. Nu wordt mijn moeder afgekeurd. Dan is de drang om er op uit te trekken een beetje geluwd.
Hij is lid van een bridgeclub in Treebeek en speelt twee avonden in de week in het beambtencasino aldaar. Eén avond competitie en een avond voor de club.
In de zomer van 1952 gaat mijn vader voor de tweede keer met de White Cars uit Heerlen op vakantie naar het buitenland. Voor tachtig gulden 10 dagen naar Weggis bij Luzern in Zwitserland. Een Carl Denig trekvogeltentje.
We hebben een kruidenier, die een bus heeft omgebouwd tot rijdende winkel. Als ik me niet vergis heet hij Drees Rook. Hij wijst me op zeker moment op een reclame van Eyssens Kaas. Ze hebben drie smeerkaasjes verpakt in een tentvormig karton. Er is een wedstrijd aan verbonden. Te winnen zijn 5 Carl Denig trekvogeltenten en 2 fietsen, door een tekening van een kampeertafereel op te sturen. Ik doe mee. Maak een fraai tafereel van twee kamperende verkenners, in een weiland, met een tent die erg aan vervanging toe is. Enkele maanden na de sluitingsdatum van de actie, valt er een brief in de bus van de betreffende kaasfirma. Ik heb een trekvogeltent gewonnen. De vreugde is groot. Na een paar weken, in september 1952, wordt het pak met de tent en toebehoren door van Gend en Loos afgeleverd.
De vreugde is groot en de tent wordt meteen in de tuin op het gazon opgezet. Het is een simpel rechttoe rechtaan tentje, zonder muurtjes, gedragen door twee stevige houten stokken, in 2 delen. Acht pennen om het doek en grondzeil vast te zetten en 2 houten haringen voor de scheerlijnen. Het doek is van stevige, dichtgeweven stof en lichtbruin gekleurd. Het genieten van dit mooie bezit duurt maar kort, want de zomer is voorbij. De tent krijgt een droge plaats op zolder in afwachting van een nieuwe zomer.

De school, de voetbalclub en de verkennerij.

Inmiddels ben ik bezig met de 3e klas van de HBS. In juli 1953 ga ik over naar de 4e klas. Ik kies voor de B-richting, alhoewel wiskunde niet mijn beste vak is. Ik ben beter in de talen. De grote vakantie wordt besteed aan werken bij de boer en bij een aannemer, die bij ons in de buurt een hele nieuwe woonwijk aan het bouwen is. Ik graaf sleuven voor de fundering van de huizen. Eén meter diep in de löss en gevuld met gewapend beton tegen mijnschade. Vorig jaar heb ik op deze akkers nog mijn vlieger opgelaten.
Het afgelopen jaar heb ik gevoetbald in het jeugdelftal (C-elftal) van Mariarade. Een ware oefening in bescheidenheid, want we wisten niet één keer een wedstrijd te winnen.
Het toeval wilde, dat opzichter Jos Boss, ook wonende in onze Voltalaan, eind augustus bekend maakte dat hij een senioren patrouille van de Katholieke Verkenners wilde oprichten. Dat was wel iets voor mij. In september begonnen we met de bijeenkomsten. We waren met een volledige patrouille van zes man. Ons hoofdkwartier was een houten keet op het voetbalterrein van Mariarade. We maakten deel uit van de St.Christoffelgroep. De Welpen en de Junioren hadden een houten gebouw in de speeltuin van Mariarade. Hopman Boss was ook hoofd van de O.V.S.-opleiding op de Staatsmijn Maurits. Van hem leerden we elke week een nieuwe vaardigheid.
Op de zaterdagmiddagen gingen we op stap met een bepaalde opdracht. Dat kon een kaartleesoefening zijn, maar ook het bakken van brood of cabob in een open vuurtje. Een oude grindgroeve in Vaesrade was daarvoor een prachtige plaats.

Allen in touw voor ons nieuwe gebouw.

Op 10 november ontvangen alle bewoners van Mariarade een brief van de leiders en leidsters van de Welpen en Verkenners van de St. Christoffelgroep. In die brief wordt duidelijk gemaakt, dat de verkenners zonder gebouw zitten. De leiding wil een nieuw hoofdkwartier gaan bouwen. Daarom willen ze van 14 november tot en met 21 november 1953 een actie houden om geld te verdienen. ”Allen in touw voor ons nieuwe gebouw”, is het motto. We gaan een week lang karweitjes doen bij de mensen. Iedere welp en verkenner krijgt een werklijst. Aan het eind van de week heb ik 9 adressen gehad en 15 gulden verdiend. Volgens mijn logboek brengt de actie 262,75 gulden op. De leiding had gehoopt op 200 gulden. Dus was de aktie een succes.

De nieuwe patrouilletent.

Ondertussen was mevrouw Boss-Zeyen, oud akela van de welpen, gestart met het naaien van een zespersoons verkennerstent. Een geweldig karwei om soms wel zes lagen stof over een lengte van 280 cm door de naaimachine te halen. Bij het naderen van de zomer van 1954 was de tent klaar. We konden dus op zomerkamp. Maar eerst kwam er nog een plechtig moment: de installatie tot Verkenner. Boss maakte daar een onvergetelijk gebeuren van. Nu liepen we er als echte verkenners bij, compleet met de hoed met vier deuken. Lange grijze kniekousen, korte Manchester broek en kaki-hemd, vol met insignes, en de bruine groepsdas als bekroning. We hadden ook nog allemaal een essenhouten verkennersstok van 1,65 m.. Met twee stokken en een paar jassen kon je een draagbaar maken. Eén van de vele dingen die je met zo’n stok kon doen.

De eerste buitenlandse vakantie met de Vespa.

In het voorjaar van 1954 heeft mijn vader een Vespa gekocht (1395 gulden). Daar gaat hij in mei mee naar Essen. De stad waar hij geboren is in 1912. Hij gaat op zoek naar familie en vindt twee nichten terug: Hannie en Sophie Gelissen. Hannie is getrouwd met Willie Schilling en heeft twee kinderen: Marianne en Wolfgang. Sophie is gescheiden.
Natuurlijk wil hij ook met de Vespa op vakantie. Maar eerst gaat hij met een collega Zef Gerits met een busreis naar Lugano, Milaan en Locarno. Na terugkeer moet ik hem helaas mededelen, dat ik de vierde klas nog eens over moet doen. Dat is een tegenvaller, maar hij vindt het erg voor mij. Ik mag met hem mee op vakantie met de Vespa. De reis gaat naar Reutte in Oostenrijk en naar Weggis in Zwitserland. Twee plaatsen waar hij al eens is geweest met de White Cars uit Heerlen.
Achter op de scooter wordt een speciaal rek gemonteerd voor een koffer. Er onder is plaats voor mijn tentje. Ik zit op twee dekenzakken achter mijn vader. Aan het stuur hangt een flinke tas met proviand. Zo snellen we met 60 km per uur over de Duitse autobanen naar het Zuidoosten, richting Oostenrijk. We zijn niet de enige Vespa. Ook Lambretta’s komen we tegen. Er wordt altijd even gegroet met de claxon.
De eerste overnachting is in een pensionnetje bij München in Zuid-Duitsland. Op de tweede dag rijden we via Oberammergau (bekend om zijn passiespelen) in de stromende regen Oostenrijk binnen. Gelukkig is inmiddels het doorzichtige plastic uitgevonden, zodat we de spullen droog kunnen houden.
In Reutte aangekomen zoeken we het hotel op, in de tuin waarvan de White Cars hun grote tenten hebben opgeslagen. De hernieuwde kennismaking van mijn vader met o.a. de kokkin van de busonderneming is allerhartelijkst. Onder het drinken van een stevige kop soep en lekkere sterke koffie worden terloops zaken gedaan. Wij mogen ons tentje ook op het grasveld neerzetten. Door de overvloedige regen staat het grasveld helemaal blank. Wat nu? Achter het hotel staan een flink aantal planken. Als we die eens onder het grondzeil schuiven, dan liggen we voorlopig wel hard maar in ieder geval droog.
Het lag inderdaad hard. Luchtbedden hadden we niet en heupkuiltjes konden niet gegraven worden. De regen wist niet van ophouden. De volgende dag scheen gelukkigde zon en maakten we een voettocht naar een bergmeertje boven Reutte, de Plansee. We maakten ook een dagtrip met de scooter naar Innsbruck. Een prachtige stad met veel barok. Ik had toen nog geen fototoestel of schetsboek bij me, zodat ook mijn herinneringen sterk gereduceerd zijn.
Na een week stappen we weer op. We rijden weer terug naar Zuid-Duitsland. We kunnen met ons volgepakte scootertje niet via allerlei passen naar Zwitserland. Dat kan bruintje niet trekken. Onze Vespa heeft maar een 125 cc motortje en dus moeten we de vlakte opzoeken. Via Basel rijden we zonder veel problemen Zwitserland binnen, richting Vierwoudstedenmeer. Hier ligt een klein dorpje aan het meer, hemelsbreed tegenover Luzern. Het weer is ons nu wat beter gezind. Mijn vader heeft het kampement van de White Cars snel gevonden. Ook hier is plaats voor onze hondenhut. Ook hier ziet mijn vader weer bekenden. Hij was hier in 1953 geweest. Tien dagen Weggis voor 80 gulden. Net als in Reutte staan hier ook enkele grote tenten en een aparte keukentent. Wij mogen ons tentje hier ook opslaan. Deze keer hebben we geen planken nodig en kan er ook een bescheiden heupkuiltje van af.
De volgende dag sliepen we eerst maar eens goed uit en namen een duik in het meer. Mijn vader kon er niet genoeg van krijgen. Ons volgende doel is een bezoek aan de stad Luzern. De lange brug, die ver in het meer doorloopt, is heel karakteristiek voor Luzern. Op de achtergrond altijd en overal de bergen met hun witte toppen, mooi weerspiegeld in het wateroppervlak van het meer. Voor mij is dit de eerste kennismaking met de echte bergen. Het Grüss Gott is snel geleerd. Waarschijnlijk zijn we hier ook een week gebleven, her en der uitstapjes makend.
We konden zelf alleen een kopje soep, koffie of thee maken. We hadden een kleine benzine-brander en een waterketeltje bij ons. Voor het warme eten moesten we elders terecht. Via hetzelfde Basel hebben we Zwitserland weer verlaten en zijn door Frankrijk en via Luxemburg en Belgie weer thuisgeraakt. Geen pech onderweg gehad.

Voor het eerst op kamp met de seniorenverkenners.

Het eerste zomerkamp hadden we in de dennebossen bij Baexem in aug. 1954, vlakbij een hoogspanningsmast aan een zandweg. Het was niet ver van de plaats Grathem, waar ik in 1946 met mijn vader had gekampeerd. Onze tent stond hier lekker onder de bomen en ook onze eettafel hadden we aan de dennebomen gesjord. Het tafelvuur was op een veilige afstand van de bomen gepionierd. Aan de overkant van de weg was ruimte voor het carré. Hier stond de vlaggemast, waaraan elke ochtend op een vast tijdstip de Nederlandse driekleur gehesen werd, terwijl we er in een carré omheen stonden. Hopman Boss maakte dan het programma voor die dag bekend en inspecteerde daarna de tent en haar omgeving. Bij goed weer werd de tent goed gelucht; de muurtjes konden opgerold worden, zodat de wind vrij spel had gedurende enkele uren. Als we op stap gingen werd de tent eerst weer slaapklaar gemaakt.
Op zondag gingen we eerst in Baexem naar de kerk. Na de lunch vertrokken we met een opdracht naar Thorn, het witte stadje. Tijdens dat bezoek heb ik toen een drietal tekeningen kunnen maken. De rest moest andere dingen aan de weet zien te komen, o.a. over de geschiedenis van het stadje. (Als ik dit opschrijf in mei 2011 heeft onze koningin Beatrix net een bezoek gebracht aan dit witte stadje Thorn). De tekeningen zijn er nog anno 2011.
gelissen gelissen
Het ”Witte Stadje Thorn”
Foto rechts: Baexem 1953.
Hopman Boss installeert Harrie Boesten.
Links staat pater Felix.

Toen we weer thuiskwamen had Hopman Boss het eten klaar. Hij had hete bliksem gemaakt: een stampot van aardappelen en appeltjes met speklapjes. Ik at het voor het eerst en ik was er niet kapot van, maar ja: hoger maakt rauwe bonen zoet. Nou ja, zoet was het wel. Je moet er van houden. Mijn lievelingsgerecht is het nooit geworden.
De andere dagen kookten we weer zelf: gekookte aardappelen met boontjes en gehakt; andijvie stampot met braadworst; macaroni met kaas en verse sla; gebakken aardappels met gebakken ei en tomatensla. Appels en pruimen waren altijd ruim aanwezig. Toetjes kenden we toen nog niet als dessert. Wel pap van rijst of havermout.
Op een andere dag bracht een opdracht ons bij de Leumolen in het Leudal. Op de gebruikelijke bezoekdag, meestal de donderdag, kwam Pater Rector uit Mariarade op bezoek, met in zijn kielzog een aantal ouders. Allemaal op de fiets of bromfiets. Auto’s waren toen nog dungezaaid. Tussendoor werd er ook nog gezwommen en werden avondwandelingen gemaakt. De vrijdagmiddag was voor onze goede daad voor de boer die ons op zijn land liet kamperen. Het werd een middag aardappelen rapen.
Dit eerste kamp van de seniorenpatrouille werd een groot succes. De tent had goed voldaan en hopman Boss had voor mooie opdrachten gezorgd. De sfeer binnen de patrouille was ook prima gebleven. De junioren hebben later hun kamp in Geulle. Ik ga mee als fourageur en wordt in de staf opgenomen. Pater Felix Berbers gaat mee als aalmoezenier. Boss heeft van de OVS-opleidingen van de Staatsmijn Maurits twee grote, afgekeurde, tenten van 4 meter gekregen. Eén tent is nog heel goed te gebruiken en met het stevige stof van de andere wordt een eenvoudige, rechthoekige kapeltent genaaid.
Er zijn drie patrouilles; de Eekhoorns, de Zwaluwen en de Houtduiven. De grote tent, die al gauw ”Het Nijlpaard” wordt genoemd, gebruik ik als fouragetent. Langs de muurtjes van de tent heb ik fruitkisten neergezet. Bij slecht weer kunnen we hier met zijn allen in en dat komt nogal eens voor. Rond een denkbeeldig kampvuur (petroleumlamp) kan er dan toch gezongen worden en naar mooie, spannende verhalen geluisterd. Als fourageur moet ik met het beschikbare geld zien uit te komen. De verkenners betalen 25 gulden voor 7 dagen. Van dit geld moeten bijltjes en pioniertouw; petroleumlampen en allerlei kleine dingen worden aangeschaft. De boer moet betaald worden voor de wei. Wat dan over is, is voor het eten en drinken. Bij de slager baarde ik opzien door de verse worst per meter te bestellen. De speklappen gingen ook per stuk.
De aalmoezenier ging de eerste avond al meteen bij de boer op bezoek. De volgende dag kon ik een kist aardappelen en een kist pruimen bij de boerin ophalen. Dat scheelde al weer een slok op een borrel. Als er een avondspel was, dan was er na afloop een beker chocolademelk voor iedereen. Als de jongens in hun dekenzakken lagen, ging de staf de plannen voor de volgende dag doornemen in het ”Nijlpaard”.
Er zaten honderden kleine gaatjes in het dikke canvasdoek van deze tent, veroorzaakt door schimmel. Toch bleef de tent waterdicht. Het is heel belangrijk dat tenten heel goed gedroogd worden voordat ze opgeborgen worden, anders komt ”het weer” er in.

Houthakkerskamp St.Walrick.

Van 2 januari tot en met 6 januari 1954 deed ik mee aan een houthakkerskamp op St Walrick in Overasselt. Hier kon ik het insigne Houthakker verdienen. Met 24 verkenners uit het hele land kwamen we in dit Buitencentrum bij elkaar om alle kneepjes van het houthakken en bomenvellen onder de knie te krijgen. Natuurlijk moesten eerst de bijlen geslepen worden. Die kunst hadden we snel onder de knie.
Jonge bossen bij de Hatertse Vennen moesten uitgedund worden. Dat was de volgende opdracht. Tenslotte kwam het grote werk aan de beurt. In Berg en Dal bij Nijmegen moesten op een landgoed 6 grote beuken met wortel en tak verwijderd worden.
Op een donkere, koude en winderige maandagochtend brengt een bus ons naar de Ooypolder bij Nijmegen. Daar worden we afgezet bij het kerkje van Persingen. Bij het kleine kerkje staan ook nog een paar woonhuizen. In het kerkje, zonder electrisch licht en zonder verwarming, maar bij romantisch kaarslicht, doet de aalmoezenier de H.Mis. Het kerkje wordt alleen door de verkenners gebruikt. In het halletje staat een prachtig beeld van St. Joris. Vanaf het kerkje is het drie kwartier lopen naar het landgoed waar de beuken gerooid moeten worden. Vanwege een dikke knie, opgelopen tijdens een partijtje rugby, mocht ik met het autootje van de hopman mee. Onze patrouille was dienstpatrouille en kreeg tot taak om voor een flink houtvuur te zorgen. De andere drie patrouilles kregen elk twee flinke beuken toegewezen. Er moest flink doorgewerkt worden, maar tegen vijf uur lagen de zes stammen keurig klaar om weggehaald te worden.
Op dinsdagmorgen worden we, nu met een veewagen, naar het landgoed gebracht. Nu mag mijn patrouille ook graven en hakken. Elke patrouille krijgt een joekel van een eikeboom aangewezen. Voordat we de bomen konden laten omvallen, moesten eerst een aantal grote takken er uit gekapt worden. Er werd iemand in de boom gehesen die daar rustig begon te hakken. Ondertussen waren de anderen bezig rondom de stam een grote kuil te graven, om op die manier de wortels van de boom bloot te leggen. Die werden dan vervolgens doorgekapt. De hakker in de boom werd regelmatig afgelost.
Met dit karwei zijn we de hele dag bezig geweest. Het was erg spannend, want tegen 4 uur was er nog geen boom tegen de grond. Maar om 6 uur lagen ze er wel en de takken waren er ook af.
Het was al donker toen we weer in de veewagen klommen. Met een voldaan gevoel gingen we zingend terug. Na een warme douche en een flink bord warm eten was er nog een afscheidskampvuur in het hoofdkwartier, bij de open haard. Hier vond ik ook een postkaart van het St. Jorisbeeld in het kerkje van Persingen. Later zou deze kaart nog goed van pas komen. We gingen die avond wat vroeger naar bed. De dag was lang en zwaar genoeg geweest, bovendien moesten we al weer om half zes op.
De volgende dag, eerst ochtendgymnastiek, douchen en aankleden. Dan om half zeven een H. Mis en om zeven uur ontbijt. Daarna werden de groepsfoto’s uitgedeeld en dan kwam het grote moment: de uitreiking van de certificaten. Ik had voldaan aan de eisen voor het insigne ”Houthakker”. Het insigne zelf zou in de eigen groep door de hopman worden uitgereikt. Hierna ging iedereen inpakken en afscheid nemen van de leiding. Met een overvolle lijnbus vertrokken we weer richting Nijmegen. Ik had in de trein gezelschap van een knaap uit Geleen.

Nog andere insignes.

In mijn korte verkennerscarriere zal in nog twee insignes behalen. Op 24 april 1954 voldoe ik aan de eisen voor het insigne ”Handige Jongen” en op 3 mei 1954 voldoe ik aan de eisen voor het insigne ”Kunstenaar”. Voor Jos Boss had ik een ex-libris ontworpen en ik had al een flink aantal voorpagina’s getekend voor de Christoffel-Yell. Verder had ik al met drie tekeningen ergens een prijs gewonnen (2 keer een boek en in sept 1952 een tentje).

Een ouderavond van de Jeugdraad Mariarade.

De zaterdagse bijeenkomsten in januari en februari van 1954 worden gebruikt als voorbereiding op een Ouderavond van de Katholieke Jeugdraad van Mariarade. Behalve Welpen en Verkenners, zijn er ook nog Kabouters en Gidsen een de KAJ (Katholieke Arbeiders Jeugd), ook wel de Kajotters genoemd. Op 21 februari, een zondag, loopt om 7 uur het rectoraatshuis helemaal vol met ouders en andere familieleden van de leden. Toegang is gratis. Het programma kent 12 nummers, waaronder dansjes, sketches, tumbling en jackard, pyramides bouwen en een blijspel door de Kajotters: De patatten van Sint Felix.
Gelukkig ging er hier en daar wat mis, zodat het publiek heel wat te lachen had. Persoonlijk heb ik geen tweede ouderavond van de Jeugdraad meer meegemaakt.

Speciale activiteiten binnen de verkennerij.

Op dinsdag 2 maart vieren we ook carnaval, met junioren en senioren samen. Met Albert de Vries als Prins Carnaval en Twan Wiermans in de buut (redenaarston). Hij strooide zijn grappen kwistig over ons uit. Vaandrig Steenbakker had nog een aantal leuke spelletjes op zijn repertoir en hopman Boss had voor iedereen een plakje peperkoek meegebracht zodat we geen honger hoefden te lijden. De vasten kon nu echt beginnen.
Op 9 mei 1954 wordt het Buitencentrum ”De Heikop” in Brunssum geopend. We gaan met de hele groep er op de fiets naar toe. De opening wordt opgeluisterd door de St Jorisband van Heerlen. Het is een prachtig gebouw aan de rand van de Brunssummerhei gelegen op het hoogste punt. Vandaar de naam Heikop.
Op 15 mei 1954 vertrekken we met 6 man en de grote tent naar Valkenburg. We gaan de KNWU assisteren bij het houden van het jaarlijks wielerkampioenschap van Nederland. Van zaterdag op zondag kamperen we boven op de Cauberg in onze nieuwe tent. We moeten de volgende dag vroeg paraat zijn bij de kassa’s om de kaartjes te controleren. Verder genieten we natuurlijk ook van de wedstrijd. Vroeg in de avond zijn we weer thuis, waar nog heel wat huiswerk ligt te wachten.

Op school gaat het deze keer ook goed.

Ik ga in juli 1955 over van 4B naar 5B, de eindexamenklas. Alom vreugde en blijdschap. Er kan nu aan vakantie gedacht worden. Deze keer gaan we met 2 scooters op pad. Collega Brouns en zijn vrouw op de ene en mijn vader en ik op de andere. Er is bij de ANWB een route besteld naar Zuid-Frankrijk (Frejus, Cannes en Nice).Vandaar gaan we via Italië naar Lugano in Zwitserland.
Als de route naar Zwitserland erg steil gaat worden, stappen mevr. Brouns en ik met de koffers op de trein naar Lugano.
De eerste camping is in Dijon en heet l’Arc en Ciel, de Regenboog. We hebben niet veel plaats nodig voor onze twee kleine tentjes en de twee scooters. Tot hier is alles goed gelopen. Voor het echtpaar is alles nieuw, maar ze hebben er veel plezier in. Mijn vader heeft weer iemand die hij een beetje plagen kan, maar dat is ze al van hem gewend. Het is een stuk gezelliger met zijn vieren.
De tweede avond kunnen we voor donker geen camping vinden. Op een stuk gras tussen twee drukke wegen slaan we onze tentjes op. Mevr. Brouns doet die nacht geen oog dicht. De blaffende honden en de gedachte overvallen te kunnen worden zijn daar debet aan. Onlangs heeft hier in de buurt een boer (Drammond) een Engels echtpaar doodgeschoten. Ook dat speelde ook een zeer grote rol. Er gebeurt die nacht niets en bij het krieken van de dag staan we op en pakken de spullen weer in. Bij het eerste tankstation worden de scooters en wijzelf van nieuwe brandstof voorzien.

En route!

Langzaam maar gestaag zakken we af naar het Zuiden. Via Lyon en Valence komen we in Montelimar. Deze plaats is beroemd om zijn nougat of noga. Natuurlijk worden er flink wat nogablokken ingeslagen. Dan gaat de reis via Orange naar Avignon. Even het paleis van de pausen bekijken. Dan naar Aix en Provence en verder naar St. Raphael en Frejus. Hier is onze camping onder de Pinusbomen en direct aan zee. Voor de kust ligt een eilandje met een enkele vierkante toren: Ile de Fer. De camping staat vol met grote bungalowtenten. Wij zoeken een plekje vlak aan zee. Het is hier een echt kiezelstrand en het kost nogal wat moeite om een vlak en steenloos stukje te creëren voor onze twee tentjes.
Van een aantal grote stenen maken we een bankje om op te zitten. Een gespannen laken beschut ons tegen te veel zon. Mijn vader ligt al snel in het water van de Côte d’Azur. Wij volgen, heerlijk. Er worden foto’s gemaakt, want het echtpaar Brouns heeft een camera bij zich. Daarna moet er gefourageerd worden. Ik ga op zoek naar de kampwinkel en doe de boodschappen. We kunnen nu ook zelf koken, want we hebben twee brandertjes en twee pannetjes. Een eenvoudige doch voedzame maaltijd is gauw gemaakt en nog sneller opgegeten.
De volgende dagen brengen we een bezoek aan Cannes en aan Nice. De Tour de France komt ook nog voorbij met heel zijn spektakel en mevr. Yvette Horner met haar accordeon. We genieten van het prachtige weer; geen spat regen.
Stadsbezoeken in de ochtend worden afgewisseld met zwemmen en zonnebaden. Na een dag of vijf gaan we weer verder. Bij Menton gaan we de grens over naar Italië. We hebben nog even in Monaco Monte Carlo bezocht. We kopen aan de grens een kilo perzikken, maar vergeten ze mee te nemen. Heel handig. Langs de Italiaanse Rivera gaat het nu richting Genua. In die haven kwamen mijn ouders in april 1950 aan land met een Italiaanse boot, waarop ze zich in Jakarta ingescheept hadden. Veel tijd om hier rond te kijken hebben we niet. We moeten naar het Noorden, naar Milaan.
De rit naar Milaan is me niet zo bijgebleven. Wel het San Marcoplein in Milaan zelf, met die prachtige kathedraal. Van hieruit naar Lugano in Zwitserland is niet zo ver meer. Mevrouw Brouns en ik gaan in Milaan met de koffers op de trein. De twee mannen gaan met de scooters de bergen tegemoet en moeten daar de San Gotardo-pas van 2091 meter over, om Zwitserland te betreden. Ergens op een station worden we weer door de heren opgepikt en begint de laatste korte etappe naar Lugano aan het meer van Lugano.
Er is een camping vlak aan het meer en dicht bij de stad. Het water is heerlijk warm. Er campeert nog een Nederlands echtpaar met een dochter. Ze zijn erg gastvrij en nodigen ons op de koffie. Gelukkig hebben ze voldoende stoelen. De volgende dag gaan we, keurig in de lange broek, de stad in. Opvallend zijn de vele fonteinen in de prachtige parken. Lugano is mooi, maar het eten en drinken is er behoorlijk duur. Maar dat was bekend.
Hoe lang we er gebleven zijn weet ik niet meer. Ook de terugreis is uit mijn herinnering verdwenen. Waarschijnlijk hebben we Zwitserland via Luzern en Basel weer verlaten en zijn we via Luxemburg en Belgie weer in ons Limburg thuisgekomen.
In Hoensbroek was mijn moeder weer blij dat we heelhuids thuis waren. Ja, ze had onze kaarten ontvangen en met haar was alles goed. Zij had de nodige bezoekjes aan familie in Schinveld afgelegd. Mevrouw Schroe was regelmatig aan komen wippen voor een kopje koffie. Ze had zich niet verveeld.


Leiderscursus Verkennerij.

Op 29 januari 1955 trekken Frans en ik op de fiets naar ”de Heikop”, voor het eerste weekend. Achterop een flinke plunjezak met slaapzak en kleren. Tegen half vijf vertrekken we. We moeten er om vijf uur zijn. Dat halen we net niet, want het laatste stuk is langer en steiler dan gedacht. De andere cursisten zijn al aanwezig en net aangetreden voor de opening. We moeten vier patrouilles maken en daarna onze slaapplaatsen op zolder klaar maken. Natuurlijk wordt er ook een dienstpatrouille aangewezen, die de voorkomende klusjes moeten doen.
Om zes uur begint de eerste sessie over de rol en het nut van dicipline. We krijgen een aantal methodieken aangereikt om snel en effectief met een grotere groep te kunnen werken zoals bijvoorbeeld de opstelling in carré, in estafette, in open colonne, in linie, in een halve cirkel of in een hoefijzervorm. Natuurlijk komen de daarbij te gebruiken gebaren ook aan de orde.
Dan volgt een sessie over een aantal doelstellingen van het spel van verkennen. Persoonlijkheidsvorming is een belangrijk doel. Jongens zoeken het avontuur en zijn doeners. Voor wat ze doen moeten ze zich wel verantwoordelijk leren voelen. De leider is er om hun daarbij te helpen door goede voorwaarden te scheppen. De verkennerswet en de belofte zich daaraan te houden zijn hulpmiddelen.
Het verkennen is een buitenspel. Training in handvaardigheden en opmerkzaamheid zijn voorwaarden om er plezier in te hebben. Na deze sessie wordt een troepraad gehouden om samen een avondspel te verzinnen. De keuze valt uiteindelijk op een spelletje vlagveroveren in het donker. De bewakers van de vlag zijn in het bezit van een ”dodende straal” om de veroveraars uit te schakelen. Om negen uur is het spel gespeeld en zoeken we de Heikop weer op.
Rond de open haard wordt er dan nog gepraat over hoe de jongens verkennerij zien. Iedereen heeft wel een voorbeeld uit eigen ervaring bij de hand. Daarna is het nog gezellig nakaarten bij de open haard. Rond elf uur zoekt iedereen de slaapzolder op. Een paar cursisten gaan buiten slapen in een tentje. De dienstdoende vaandrig vraagt nog of er liefhebbers zijn voor een veldloopje in de vroege ochtend. Vele vingers gaan de lucht in. Tegen half een is het pas rustig op zolder. Ik slaap erg onrustig vanwege de kou. De ramen staan tegen elkaar open.
Die zondagochtend melden zich maar een paar bij de veldloopvaandrig. Om 8 uur is er een H.Mis en daarna ontbijt. Bij de opening krijgen alle patrouilles en opdracht van de hopman. Frans Verdier is PL (patrouilleleider) van onze patrouille ”De Sperwers” en ben zijn APL (assistent-PL). Wij moeten het terrein in Zuidelijke richting in kaart brengen. Over een uur weer terug. We zijn deze keer keurig op tijd. Eén patrouille ontbreekt nog.
De aalmoezenier houdt nu een sessie over de ”goede daad”, die elke verkenner elke dag moet zien te doen, zoals in de verkennerswet omschreven wordt. Hij benadrukt om de technische vaardigheden in dienst te stellen van de hulpvaardigheid en niet alleen maar te spelen.
Vervolgens houdt de vaandrig een sessie over ”Lichamelijke vorming”. Hij geeft talloze mogelijkheden aan om de lichamelijke gezondheid te bevorderen. De gevaren van het roken duidelijk maken en zelf daarbij het goede voorbeeld geven. Dan is de hopman weer aan de beurt met een verhaal over het patrouillesysteem.
Hierna is er weer een buitenaktiviteit. Wij moeten nu de routeschets van de ”Vossen” lopen en daarvan verslag doen. Na terugkeer worden de tochten besproken en beoordeeld. Voor de volgende bijeenkomst op 5 februari 1955 krijgen we een hele lijst mee van dingen die meegenomen moeten worden en van huiswerk dat gedaan moet worden. We beginnen een uur vroeger. Als groepsgoededaad gaan we bomen planten. Zo geschiedde het.
Ook in dit weekend leerden we weer nieuwe facetten van het spel. Er volgde nog een weekend op 12 en 13 februari. Daarmee was de opleiding tot AVL (assistent- verkennersleider of vaandrig) bijna voltooid. Er moest nog stage gelopen worden. Van nu af aan zit ik in de staf van de St.Christoffelgroep. Hopman Jos Boss is er voor de senioren (boven de 14 jaar) en Hopman Gordebeke is er voor de junioren. Hij heeft ook een vaandrig, die al enkele jaren meedraait.
Na de winter wordt er met de bouw van het nieuwe hoofdkwartier begonnen in de speeltuin van Mariarade. Het materiaal voor de bouw kwam voor een groot deel van de Staatsmijnen. Het hout voor het dak, vier grote betonnen raamkozijnen, de houten blokjes voor de vloer en de stenen voor de binnenmuren. Ook voor de mooie bakstenen van de buitenkant werd een sponsor gevonden. Alleen de metselaar moest betaald worden. Voor het eerst kregen we nu een gebouw met enig sanitair. Enkele vaders zorgden voor de aansluiting op het riool. Er was geen centrale verwarming, maar wel een mooie open haard.
In het zicht van de openingsdag kwam hopman Boss bij mij met de vraag of ik nog gauw een St. Joris voor de schouw van de open haard kon maken. De tijd was kort bemeten. Ik trok naar de Brunsummerheide waar ik een kleigroeve wist te vinden. Met de ruwe klei, vol steentjes en plantenresten, naar huis en aan de slag. Met de St Joris van Persingen als voorbeeld, maakte ik een tegel van 35 cm bij 35 cm en boetseerde daarin met mijn verkennersmes, in basrelief, de St Joris met de draak. Bij de opening was de beeltenis klaar, maar nog niet droog, laat staan gebakken. Voor mij was dit de eerste keer dat ik iets in klei boetseerde.
Op zaterdag 4 juni 1955 was de grote dag voor Frans Verdier en mijn persoon, Albert Gelissen. In het nieuwe hoofdkwartier zijn horde en troep aangetreden en als gasten zijn aanwezig Mevr. Verdier en mijn vader, Jos Gelissen. Eerst is Frans aan de beurt om geinstalleerd te worden en daarna krijg ik de rode linten en de rode veer voor de hoed, ten teken dat ik nu officieel Assisten Verkennersleiden of Vaandrig ben geworden. Gelukwensen volgen. Het feest bewaren we tot de volgende dag, want dan gaan we ons nieuwe gebouw officieel openen. Mijn St Joris staat dan, kersvers, op de schouw aan de verkenners kant.
Er zijn vier patrouillehoeken gemaakt; aan elke kant van de schouw twee. Aan de kant voor de welpen hebben we vier nesten gemaakt van schaalhout. Commissaris Jo Hoenen heeft de achtermuren van fraaie afbeeldingen voorzien. Bij de welpen is dat een sluipende Mogli met een zwarte panter uit het Jungle Book. Wat hij aan de verkennerskant heeft gemaakt, kan ik me niet meer voor de geest halen.

Opening van ons nieuwe hoofdkwartier aan de Weyenbergstraat in Mariarade op zondag 5 juni 1955.
gelissen gelissen

5-6-1956
Op de linker foto: De inzegening van ons nieuwe verkennersgebouw.
vlnr. Hopman Boss, pater Felix en vaandrig Albert Gelissen.

Rechts: De tegel die ik maakte voor bij de open haard.

De dag begint met een H.Mis in het kerkje van Mariarade. Frans Verdier en ik zijn de misdienaars of acolieten, en doen dat in ons nieuwe leidersuniform (hemd, korte manchester broek en kniekousen). Voor mij was het 7 jaar geleden dat ik voor het laatst gediend had. Onze aalmoezenier Pater Felix Berbers gaat voor in de dienst en gebruikt zijn preek om iedereen te bedanken, die zijn of haar bijdrage aan het tot stand komen van het nieuwe gebouw, heeft geleverd. Hij feliciteert de St. Christoffelgroep met het prachtige resultaat en nodigt de aanwezigen uit voor de opening om 3 uur. De horde en de troep worden om 2 uur in de speeltuin verwacht.
Om kwart over twee vertrekken we vanaf de speeltuin naar het viaduct aan de Kastanjelaan via de Amstenraderweg. Daar is de hele verkennerstroep uit Nuth ook al aanwezig. Even later voegt de troep van St.Gerlach uit Hoensbroek zich ook bij ons. Om half drie arriveert de St. Jorisband uit Heerlen.
Met Frans en mijn persoon voorop vertrekt de hele stoet via de Kastanjelaan naar de Dr. Philipsstraat. De groep van de Passart en de groep uit Treebeek sluiten aan bij de rest. Via de Hommerterweg, Amstenraderweg slaan we rechtsaf naar het Wolfhoofdplein. Hier komt het geluid van de band goed tot zijn recht. De mensen komen de huizen uit. We zijn niet ver meer van ons doel verwijderd . Bovenaan het langgerekte plein komen we op de Paadweg. Daar slaan we rechtsaf en komen even later in de Weyenbergstraat en zijn dan vlakbij de speeltuin. Hier staat het al zwart van de mensen. Hopman Boss, Vaandrig van de Velden en enkele leidsters hebben de genodigden hier opgevangen. Precies om 3 uur draaien we, met de band voorop, de speeltuin in. Helemaal achterin staat het nieuwe gebouw te pronken. De genodigden, waaronder de locoburgemeester Mannens en de districts-commissaris Jongmans van de Katholieke Verkenners, staan bij de ingang van het gebouw opgesteld. De band speelt totdat alle verkenners en welpen ook een plekje gevonden hebben. Vaandrig van de Velden en ik hijsen twee vlaggen aan de voorgevel van het gebouw, de Nederlandse Driekleur en de vlag van de Katholieke Verkenners.
Vervolgens worden er een aantal toespraken gehouden. De voorzitter van ons Groepscomité, Ir. Van der Velden, mag iedereen welkom heten. Vervolgens is de loco/burgemeester aan bod. Na zijn toespraak, mag hij het gebouw openen. Er is een mooi lint gespannen bij de voordeur en de loco mag dit lint met een bijltje door midden slaan. Dat lukt pas na drie pogingen tot grote hilariteit van welpen en verkenners. Desalniettemin beloofde hij de omstanders te zorgen voor meer subsidie voor het jeugdwerk. Applaus is zijn deel.
Nu is het de beurt van Pater Felix om het gebouw in te zegenen. Ik mag hem daarbij assisteren. Hij is nogal kwistig met het wijwater, zodat iedereen beleefd een paar stappen achteruit doet. Ik kon echter de volle laag niet ontlopen. Aan weerszijden van de ingang zijn boven in de gevel geboetseerde tegels in de gevel gemetseld. Links het Krukkenkruis met de Verkennerslelie en rechts St. Christoffel, gemaakt door de kunstenaar Quanjel uit Heerlen. (Hij zal later ook de Maria-staties maken bij de Lourdesgrot en de ramen van de nieuwe kerk van Mariarade). Boven de deur prijkt ook een mooie buitenlamp.
Na de inzegening krijgt de Districtscommissaris Jongmans het woord. Hij houdt een korte kernachtige speech, en oogst daarmee veel bijval. Nu mogen de genodigden eindelijk naar binnen, terwijl de buitenstaanders naar het machtige geluid van de Jorisband mogen luisteren. Binnen worden de genodigden op sigaren en bonbons vergast. Op de schoorsteenmantel van de welpen staat een grote tekening van het gebouw, met daarop aangegeven welk deel er van al betaald was en welk deel niet. Aan giften van de verschillende verenigingen halen we nog eens 120 gulden op. Van de Katholieke Vrouwenbond, waar mijn moeder lid van is, krijgen we vier prachtige bijltjes cadeau.
Het blijft een komen en gaan tot half vijf. Iedereen is vol lof over het gebouw en feliciteert ons er mee.
Voor de groep is het feest nog niet voorbij, want ´s avonds is er nog een kampvuur. Maar eerst naar huis om te eten. Om negen uur ´s avonds is iedereen weer present en wacht tot de duisternis invalt.
Als het donker is verschijnt er plotseling met veel kabaal een witte vuurgeest op het dak van het nieuwe gebouw. Een prachtige rol voor Vaandrig Frans. Daarop komen twee vuurgeesten met fakkels vanachter het gebouw te voorschijn (Broer v.d. Velde en ik), en steken het kampvuur aan. Na een aantal liedjes komt het eerste kampvuurnummer door de senioren. Ze hebben een mooie schaduwspel ingestudeerd en voeren het prima uit. Echter het maskerspel van de Houtduiven spant de kroon met de geschiedenis van de bromvlieg”.
De welpen weren zich ook kranig met hun stukjes. Tussen de bedrijven door wordt de heer Arets door hopman Boss gedecoreerd met het dankbaarheidsinsigne. Hij is de vader van Jos Arets en heeft een garage en een vrachtwagen. Vooral die laatste is regelmatig ingezet om de materialen voor het gebouw aan te voeren. Voor hem klinkt dan ook van harte de St. Christoffel-yell.
Aan alles komt een eind, zo ook aan dit kampvuur. Hopman Boss besluit het kampvuur op zijn bijzondere manier en wenst iedereen ”Wel thuis”.
De leiders en leidsters, samen met de heer en mevrouw Arets en Dirx, vieren nog een feestje met koffie en vla bij de fam. Boss thuis. Er wordt heel veel gezongen en zelfs nog gedanst. Om één uur gaat iedereen voldaan naar huis. Van Voltalaan 31 naar 25 is niet ver. Ik ben dan ook snel thuis.
gelissen gelissen gelissen
Foto links: 1953. Installatie van Lenie Mannens.

Foto midden: Kamp Baexem 1957.
Ben de Vries hijst de vlag.

Foto rechts: Kamp Vijlen 1961


Eerste kamp als verkennersleider in ”Waterval" bij Meersen 1955.

In augustus beginnen de voorbereidingen voor het zomerkamp weer. We hebben ook een weekend met de troep gekampeerd bij de paters Jezuiten in Schinnen, als voorbereiding op het echte zomerkamp. De nieuwe kampplaats is een boomgaard achter een boerderij. Aan de boomgaard grenst een flink stuk bos. Een ideale plek. Frans Verdier en ik gaan er lopend naar toe. We gaan een ”hike” maken. We lopen de eerste dag tot Schinnen en slaan ons tentje op bij de paters in Schinnen. Vandaar gaat het de volgende dag door naar Meersen. Het materiaal is al gebracht en de verkenners zijn op de fiets onderweg met de rest van de staf.
Frans en ik hebben de fouragetent al staan en zijn net met de kapeltent bezig als de troep aankomt. Het weer is nog goed en elke patrouille gaat snel hun tent opzetten op de aangegeven plek. Als de tent opgezet is en klaargemaakt voor de nacht wordt er eerst brood gegeten met ranja. Dan gaat elke patrouille een tafelvuurplaats pionieren, want er moet straks wel gekookt kunnen worden. Tussen vier palen in de grond wordt een tafel gepionierd. Op de tafel worden flinke graszoden, met de aarde naar boven, gelegd. Een paar bakstenen van de boer en het meegebrachte ijzeren rooster maken het tafelvuur compleet. Het hout om mee te kunnen stoken, mag uit het bos gehaald worden.
Ondertussen ben ik op een fiets het dorp ingegaan om te fourageren. We zijn met drie vaandrigs, een hopman en de aalmoezenier. Broer van de Velden en Frans Verdier assisteren hopman Boss bij het spelprogramma en ik ben de Fourageur. De fouragetent, die al gauw ”Het Nijlpaard” gaat heten, heb ik vol gesleept met fruitkisten en zodanig neergezet, dat we er op kunnen zitten. In de kisten kan ik toch mijn fourage of voedselvoorraad kwijt. Voor elke patrouille heb ik een vaste set met eetwaren, voor het ontbijt, de lunch en het avondeten. Daar gebruik ik lage kistjes voor, die ik in de grote appelkisten kan schuiven.
Helaas deed ”Waterval” zijn naam alle eer aan. Het was maar een bui, maar hij duurde bijna zes dagen. Heel wat aktiviteiten vielen in het water. De grondzeilen (canvas) raakten uiteindelijk door en door nat, waardoor de jongens niet meer in de tenten konden slapen. Na overleg met de boer mochten we een schuur gaan gebruiken. Stro op de vloer en alle leed was weer geleden.
Door de aanhoudende regen doen we nu allerlei aktiviteiten in het ”Nijlpaard”. Er wordt hierin heel wat afgezongen bij het namaakkampvuur in de vorm van een petroleumlamp. Boss kan goed verhalen vertellen en Frans heeft een pracht gedicht over Jantje, die vertelt over een jachtpartij van zijn vader, die daarbij - de varken schoot.
”Maar Jantje, dat moet toch het varken wezen”.
Nee juf, het was de varken; het was een mannetje. Heb zelf gezien.”
Gelukkig is iedereen tevreden over het eten. Bij het opbreken van het kamp is het wonderwel weer droog. Bij het afrekenen met de boer vergeet ik een bepaald bedrag met zeven te vermenigvuldigen. Toch gaat hij er mee accoord. Dat is een flinke meevaller, want er liggen thuis nog een paar te betalen rekeningen. We zijn blij dat we de jongens weer gezond en wel bij de ouders kunnen afleveren.
In september begin ik aan mijn, naar ik hoop, laatste jaar op de RK. HBS. St. Jan te Hoensbroek. Het boekenfonds van de school heeft weer voor iedereen een stapel boeken klaargemaakt. Je leent de boeken voor een jaar tegen een bepaald bedrag. Er is op die manier geen boekenbeurs nodig om van je oude boeken af te komen. Intussen hebben we veel plezier van ons hoofdkwartier. De door mij gemaakte St. Joris is helemaal droog, maar vertoont overal diepe scheuren. Het beeld kan alleen gered worden als ik er een gipsen afdruk van maak. Dat heb ik nog nooit gedaan.
Ik ga er mee aan de slag op zolder. De tegel van ongebakken klei prepareer ik nog wat met verse klei om lastige holtes te voorkomen. Ook de scheuren moeten worden opgevuld. Dan gaat het geheel in een ruim passende doos. Vervolgens giet ik er enkele bakken gips overheen, zodat ik later een stevige vorm krijg, waarmee ik een nieuwe St.Joris kan gieten.
Als het gips hard is, haal ik de nu weer week geworden klei er uit. Na veel wassen en borstelen heb ik de negatieve voorstelling van St. Joris op het paard, die de draak doodsteekt, in handen. De vorm laat ik een paar dagen goed drogen en ga dan beginnen met de voorbereidingen om een nieuwe tegel te gieten. Alle holtes moeten schuine hellingen hebben anders kan het nieuwe gips er straks niet meer uit. Dat is een secuur werkje. Gips hecht zich op gips. Dat moet ik zien te voorkomem. Ik kreeg van iemand een tip om dat met vaseline te doen. De hele mal wordt nu goed met vaseline ingesmeerd.
Nu kan ik de mal met gips vullen. De achterkant versterk ik met kippengaas, dat ik in het gips duw. Nu maar weer wachten tot het gips goed droog is. Het uur van de waarheid is aangebroken. Ik moet het beeld uit de mal zien te krijgen. Dat lukt niet. Ik moet er geweld bij gebruiken. Gelukkig is de mal zwakker dan het beeld. De mal breekt in vier stukken en het beeld komt er nagenoeg ongeschonden uit. Nu heb ik een gipswitte St.Joris in handen, maar dat is niet mooi. Een bronskleurtje lijkt me wel wat.
Ik heb nog een potje bruine beits. Daarmee ga ik aan de slag. De volgende dag staat er weer een St.Joris te prijken op de schoorsteenmantel van de open haard van de verkenners. Je zou kunnen denken dat hij van brons was. De tegel kan nu ook opgehangen worden, dankzij de bewapening van kippengaas.
Voor de hoofdprijs van een fancy fair, die we in 1957 voor de Christoffelgroep houden maak ik ook nog een exemplaar. Deze keer kleur ik hem in met waterverf en lak hem af met een laag vernis. Nu is het net een stukje keramiek. Ik heb nu de smaak te pakken en maak er ook nog een voor mezelf.
De hoofdprijs wordt gewonnen door Wim Hendriks, een van de verkenners die ook mee was op het kamp in Putbroek.
Eind september gaan pa en ik naar de Gruga in Essen, en bezoeken ook de familie Schilling, Buckmannshof 5 in Altenessen. Hannie, Willie, Marianne en Wolfgang. Hannie kan heel goed zingen en is huisvrouw en een nicht van mijn vader. Willie is aan de dikke kant en chauffeur van de RuhrGas-directie. Hij is geliefd omdat hij onderweg een heel repertoire aan moppen weet te vertellen. Hij heeft wel een drankprobleem, snurkt en knarst daarbij ook nog met de tanden. Zijn salaris gaat naar zijn gezin, maar zijn extra toelagen zet hij ’s avonds in de kroeg om in bier. Hier doet hij natuurlijk wel weer nieuwe moppen op voor zijn ritten van Essen naar Den Haag. Als hij nuchter is, is hij een heel aardige man. Als hij wat gedronken heeft, wordt hij vervelend. Hij mag dan op de couch in de kamer gaan slapen.
Marianne is iets ouder dan ik. Ze zingt samen met Hannie in een koor en heeft een kantoorbaan. Wolfgang is rond de tien en zit nog op school. Hannie heeft nog twee zussen; Sophie, gescheiden en zonder kinderen, en Maria (?), getrouwd met Theo Metz, wonende in Reinbek, bij Hamburg. Zij heeft twee zonen. Hannie en Willie zijn in 1955, 25 jaar getrouwd. De ouders van Willie leven dan nog.
Er is nog een nicht van mijn vader in Essen, nl. Tante Trude Theunissen. Zij is niet getrouwd en niet zo sterk, tengevolge van een kanker aan de eierstokken, vlak na de oorlog. Na de bestralingen had ze alleen maar trek in augurken in het zuur. Ze is wat klagerig, maar ook wel lief. Ze komt later veelvuldig op bezoek in Hoensbroek.
In november vraagt mijn moeder me of ik voor een paard kan zorgen voor de Huisvrouwen-sinterklaas. Een paard met twee mensen er in wel te verstaan. Dat paard moet wel gemaakt worden. Ze vindt dat een mooi karwei voor mij. Zo komt het dat ik boven op zolder aan de slag ga. Het belangrijkste is de paardekop en hals. Van draad maak ik een geraamte en bespan dat met jute. De oren, manen, ogen en een mooie rode tong maken er een echt paardenhoofd van. De rest is niet zo moeilijk. Het lijf maak ik uit een grote lap jute en dat naai ik vast aan de hals van de kop. Dan nog vier jute benen en een mooie staart. Met witte muurverf wordt het een echte schimmel. Frans Verdier zal als achterman fungeren en ik loop voorop.
De sinterklaasavond wordt in het rectoraatshuis gehouden. Als iedereen binnen is kruipen we in de pastorie in het paard. Daar is ook Sinterklaas in haar ornaat gehesen. Samen lopen we naar de zaal. In het portaal wordt de Sint op de rug van Frans gehesen.
gelissen gelissen


Ons verschijnen in de zaal gaat met veel hilariteit ge-paard. De Sint(ien), geen lichtgewicht, heeft voelbaar en zichtbaar moeite om het evenwicht te bewaren. Toch weten we het podium zonder ongelukken te bereiken. Het paard gaat nog even met de Sint op de foto en dan gaan beide zitten. Nieuwe hilariteit. Frans wordt op een stoel bij het podium gedrukt en ik ga op zijn schoot zitten met de benen keurig over elkaar. De dames in de zaal vinden het prachtig en komen niet meer bij van het lachen. Arme Frans begint het warm en benauwd te krijgen in het paardepak. Ik stel hem voor om de zaal maar weer te verlaten. Tot grote verbazing van iedereen komt het paard weer in de benen en loopt in een drafje al stijgerend en hinnekend naar de uitgang. Hiermee is onze act ten einde en de stemming in de zaal optimaal.
Het paard heeft nog heel lang geleefd en is nog op menig kamp in de benen gekomen om de een of andere ridder, Napoleon of Indiaan te dragen.
gelissen

Begin december gaan de hoogste klassen van St Jan op retraite bij de Jezuieten in Spaubeek. Daar kom ik warempel na 5 jaar mijn ziekenbroeder van het ”Canisiuscollege” in Nijmegen weer tegen, Broeder Dekkers. Hij is hier de grote regelaar. Hij is ook blij verrast mij terug te zien. We krijgen allemaal een kamer aangewezen en een programma van de komende dagen.
Veel is daar niet van blijven hangen. Eén van de paters houdt ’s avonds een lezing met dia’s over de lijkwade van Turijn. Die lezing maakt grote indruk op mij. We krijgen een fotootje van de gelaatsafdruk in de lijkwade. Op het negatief is een duidelijk gezicht te zien. Het vertoont grote gelijkenis met de vroegste afbeeldingen die we van Jezus Christus kennen. De pater is er wel van overtuigd, dat de lijkwade echt is. Hij heeft er heel wat argumenten voor gevonden en maakt ons daar deelgenoot van.
Het kerstrapport ziet er redelijk goed uit en zo gaan we het nieuwe jaar 1955 tegemoet. Op school werken we hard aan allerlei examenopgaven van voorafgaande jaren. De wiskunde vakken blijven een zwak punt.
In mei beginnen de schriftelijke eindexamens. Dan is het wachten op de uitslagen. Daarna komen de mondelinge examens voor Nederlands en de talen. Voor scheikunde, biologie en natuurkunde heb ik een vrijstelling. Voor de twee wiskundevakken niet. Bij de meeste mondelinge examens zitten examinatoren van buiten de school (lectoren en professoren van universiteiten). Ik ben niet ontevreden over het verloop. Op de dag van de diplomauitreiking is er geen telefoontje gekomen, dus ben ik geslaagd.
Mijn vader heeft het allemaal niet afgewacht. Hij is met een collega Gerits met een busreis naar Italië. Naar de zon, is zijn motto. Hij zit het hele jaar al onder de grond en wil in de vakantie graag veel zon en water om te zwemmen. Hij bezoekt Rome, Napels en tenslotte Capri met zijn prachtige grotten aan zee. Daarheen stuur ik een briefkaart met mijn puntenlijst. Die begint met een 5 en een 6 voor de wiskundevakken. Dan volgen negen maal een 7 en een 8. Aan de andere kant van de lijst staan nog een 8 en twee keer een 9. Toch geen gekke lijst. Ik denk dat hij na ontvangst van de kaart wel een paar pilsjes is gaan drinken met zijn collega.
Mijn moeder is weer eens trots op haar zoon maar laat dat nooit zo openlijk blijken.
Nu heb ik dan eindelijk vakantie. Ik heb intussen ook toelatingsexamen voor de kweekschool in Heerlen gedaan. Van de directeur, de heer Houwen, krijg ik te horen dat ik geslaagd ben. Maar ik zal eerst nog in militaire dienst moeten. In december moet ik me in de kazerne in Venlo melden bij de Limburgse Jagers. Mijn plan is om de kweekschool met Hoofdakte te doen en daarna M.O. Duits te gaan halen.
Maar eerst moet ik een goede invulling voor al die maanden vrije tijd gaan vinden. Tegenover ons huis aan de Voltalaan ligt nog een heel terrein braak, maar daar gaat binnenkort op gebouwd worden. Vorig jaar heb ik ook een aantal weken bij een aannemer gewerkt als sleuvengraver voor de funderingen van nieuw te bouwen huizen. Hier in de mijnstreek moeten de huizen gebouwd worden op flinke funderingen van gewapend beton. Dit om zogenamde mijnschade in de toekomst te voorkomen. Dat is nu weer het geval bij de huizen die tegenover ons gebouwd gaan worden. Het duurt niet lang of ik sta ook hier sleuven te graven. Dat gebeurt met een speciale maat steekschop. De sleuven zijn 25 cm breed en 90 cm diep. Ik speel nu een thuiswedstrijd. Ik kan tussendoor even naar huis om een kopje koffie of iets anders te drinken. Wat schuift het? Niet zo erg veel: 20 gulden in de week. Het is hard labeur voor weinig geld. Ik ben geen uitgaanstype en kom uit met 10 gulden zakgeld per maand. Voor mij is die 20 gulden per week, waarvan ik thuis niets hoef af te geven, toch een hele luxe. Met dit baantje kom ik de maand juli door.
De zaterdagmiddag is voor de verkennerij, waarin ik nu volledig meedraai in het programma. De woensdagavond wordt als instructieavond gebruikt voor de PL’s en APL’s van de patrouilles. Knopen leren, seinen, kaartlezen, toneelspelen, maskers maken, zijn allemaal vaardigheden die dan aan de orde komen. Op de zaterdagavond ga ik al jarenlang op de fiets naar Schinveld, mijn geboortedorp. Ik breng dan de avond door bij mijn vriend Stef Wojtkowiak. André, de vijf jaar jongere broer van Stef, speelt prachtig accordeon. Hij speelt van muziek, die door familie in Polen naar Nederland gestuurd wordt. Dat is hun mogelijkheid om iets terug te doen voor de vele voedselpakketten die moeder Stani naar Polen stuurt. (Dit jaar zijn haar vader en moeder enkele weken op bezoek. Ze heeft haar ouders al zeker 25 jaar niet gezien. Datzelfde geldt ook voor haar stiefzuster Lenie, die getrouwd is met Zef Rademakers).
Als het uurtje muziek voorbij is, gaan de mannen kaarten. De woonkamer is inmiddels van de achterkant van het huis naar de voorkant verhuisd. Vaak is ook de vriend van André, Hans Vermeulen, aanwezig en doet ook mee. We spelen een Duits kaartspel, dat vader Thomas ”Mauschelen” noemt. Voor hem heeft moeder Stani, door mij met tant Tascha aangesproken, een paar flesjes bier in huis. Dit op aanraden van mijn moeder. Sindsdien gaat hij niet meer naar de kroeg. Thomas werkt nog als houwer ondergronds, maar hij heeft lichter werk gekregen in verband met zijn stoflongen. De verdiensten zijn daardoor flink achteruit gegaan, want hij werkt niet meer in accoord. Zijn café bezoek paste sindsdien ook niet meer in het huishoudbudget van Tascha. Het schoolgeld voor Stef heeft nu plaatsgemaakt voor het schoolgeld voor André.
Stef is al in 1954 geslaagd voor zijn HBS-B. En sinds september 1954 zit André daar op de HBS. Hij is een nog betere leerling dan Stef al was. Stef is na zijn afstuderen meteen gaan werken als leerling analist op het chemiebedrijf van de staatsmijnen. Hij is nog geen Nederlander en hoeft dus ook niet in militaire dienst. Hij heeft intussen al aan een landelijk examen voor Wetenschappelijk Analist deelgenomen. Voor theorie had hij een negen, maar hij zakte voor zijn praktijk door onveilig werken. Een jaar later zal hij wel zijn diploma halen.
Als analist moet hij de producten van de kraakinstallaties controleren. Dat betekent bij weer of geen weer de trappen van de torens op om monsters te nemen, om die vervolgens in het lab te analyseren. Hij wordt zelfs een keer op zondag door zijn vadere uit de kerk gehaald, om met spoed naar het bedrijf in Beek gebracht te worden. (Zijn wederwaardigheden gedurende 40 jaar DSM heeft hij vastgelegd in een boek: ”Geduld en Schudden”).
Onze kaartavonden zij gezellig en eindigen meestal rond half een. Dan stap ik weer op mijn fiets en rij via de westkant van Brunssum en Treebeek naar Mariarade, waar ik dan rond één uur ’s nachts arriveer. Er is dan meestal geen mens meer op straat en het fritenzaakje bovenaan de berg van het Leeuwstuk staat er dan ook erg verlaten bij. Ook in de Voltalaan heerst grote rust.
Na ”Negen heit de klok”, een zeer goed beluisterd radioprogramma van de KRO, gaan de meeste mensen op stok. Zo ook mijn vader en moeder. Ik doe zachtjes en lig al snel, zonder veel plichtplegingen, lekker onder de wol in mijn ruime twijfelaar. Op de zondagmorgen kan ik uitslapen, want er is nog een mis om half twaalf.
We hebben een nieuwe rector gekregen, die kennelijk als taak gekregen heeft om geld bij elkaar te krijgen voor een nieuw kerkgebouw. Zijn preken gaan daar steeds vaker en meer over. Hij doet mevrouw Boss verzuchten: ”Straks heeft hij een nieuwe kerk, maar geen gelovigen meer.”
Het is inmiddels augustus en het Verkennerskamp staat weer voor de deur. Maar ook de Welpen gaan op kamp en rekenen weer op de steun van de verkennersstaf bij de inrichting van hun kamp op de boerderij. De verkenners gaan dit jaar naar Putbroek. Ik ben weer fourageur. We hebben een mooi weiland en er is weer een bos in de buurt. Pater Felix is ook weer mee. We hebben goed weer, want .. U raadt het al, we hebben St. Clara een worst beloofd.
De namen van de verkenners die mee zijn per patrouille: Houtduiven; Pl. Wim Dirks, Apl. Wim Hendriks, Henk lenselink ’42, Alex Lenselink ’44, Jos Dirks’ 42.
Valken; Pl Harry Boesten, Apl Jozef Zwart, Knibbeler, Menjel Koopmans, Bert Kleine, Johan Frölich. Eekhoorns; Pl Reinie Krikke, Apl Jozef de Smet, Cor Jansen, Ger van Bree, Leo Frölich.
Het kampgeld is nog steeds 25 gulden. Als ik terug ben van het kamp kan ik weer bij een aannemertje gaan werken, die allerlei klusjes doet op de Staatsmijn Emma. Hij heeft een heel stel scholieren aan het werk. Ik ben inmiddels al twintig en stevig uit de kluiten gewassen. Voor mij heeft hij een speciaal karwei. Hij neemt me mee naar een grote werkplaats. Een gedeelte van de werkplaats is afgeschot van de rest. Tussen de houten blokjesvloer zijn cementen fundamenten zichtbaar, waar grote machines op gestaan hebben. Die fundamenten moet ik er uit zien te halen. Als gereedschap krijg ik een afbouwhamer die ook de mijnwerkers gebruiken, een kruiwagen en een platte schop.
Ik sluit mijn afbouwhamer aan op de luchtdrukleiding en begin in het beton te boren. Er gebeurt hoegenaamd niets. Beton is nl. wel wat harder dan steenkool. Zeker deze staatsmijnenbeton. Daar werd niet mee grommeld. De aannemer is vertrokken naar een andere klus. Ik kan niet verder en neem er mijn gemak van. Het heeft geen zin om hem op dat uitgebreide terrein te gaan zoeken.
Als hij na een tijdje weer eens komt kijken, heeft hij snel in de gaten dat er een veel zwaardere hamer nodig is. Hij zal er een moeten kopen en tot zo lang ga ik naar een andere klus. Met nog drie andere vakantiewerkers en een voorman gaan we naar een betonnen toren op het terrein. Bovenop de toren staat een halve hoogspanningsmast. Ergens bovenin de toren moeten een paar muurtjes gemetseld worden. Aan ons de taak om cement en stenen naar boven te heisen.
Beneden in de toren staat een kleine lier waarmee zaken naar boven gehesen kunnen worden. Wij staan boven in de toren bij een ijzeren reling, zodat we niet uit de toren kunnen vallen. Boven ons is een katrol aan een balk bevestigd. Naar beneden kijkend zie ik de eerste kruiwagen met stenen naar boven komen. Het is de bedoeling dat ik de kruiwagen bij de handvaten pak en over de reling, op borsthoogte, naar binnen trek. Op dat moment moet de lierman beneden kabel vieren en kan ik de kruiwagen een zachte landing op de vloer laten maken.
Bij de eerste lading stenen gaat het perfect. De kruiwagen gaat weer leeg naar beneden. Even later wordt er weer geroepen dat hij naar boven komt. We zitten minstens 20 meter hoog. De kruiwagen komt er aan en ik pak te handvaten weer vast en trek aan de kruiwagen. Nu moet de lierman kabel vieren, maar hij doet het te snel, waardoor de kruiwagen met zijn bomen op de balustrade blijft hangen. Er liggen 2 zakken cement van elk 25 kilo in. De kruiwagen zit met drie kabels aan de haak van de lierkabel vast. Twee kabels zijn met ringen over de handvaten geschoven tot vlak aan de bak; de derde kabel zit met een haak boven het wiel van de kruiwagen. De lierman krijgt een teken dat hij moet trekken, zodat de bomen weer los van de balustrade kunnen komen.
Dan blijkt, tot ieders ontzetting, dat de haak aan het wiel is losgeschoten. De kruiwagen wordt mij nu uit de handen getrokken en verdwijnt plotseling in de diepte. Over de reling kijkend zien we alleen een grote stofwolk van cementstof. Van de kruiwagen geen spoor. Hij moet op het platform van eerste verdieping terechtgekomen zijn. Wij rennen de trappen af naar beneden en komen in de grote ruimte van de eerste verdieping. Daar midden in die ruimte ligt de kruiwagen, helemaal leeg en met een lekke band. De lierman staat er bedremmeld bij te kijken. De kruiwagen blijkt door een vrij kleine deuropening naar binnen gevlogen te zijn. Bij die opening stond altijd de man die de seinen aan de lierman moest geven. Op dat moment gelukkig niet, want dan had hij het waarschijnlijk niet overleefd.
Nu zag ik pas dat de haak aan het wiel van stevig betonijzer was gemaakt en natuurlijk niet voorzien was van een veiligheidssluiting. De haak had nooit los mogen schieten.
De aannemer kwam er bij en zei niet veel. De klus werd afgeblazen en wij konden, nog natrillend van het gebeuren, naar huis.
De volgende dag was de zware luchtdrukhamer gearriveerd en kon ik gaan boren aan de fundamenten van de zware machines in de werkplaats. Weldra vlogen de stofwolken de lucht in. Dat kon natuurlijk niet in een nog gebruikte werkplaats. Al gauw had ik er een scholier bij, die met een waterslang de boel moest nat houden.
De door mij losgemaakte brokken beton kruide ik naar buiten. Eén fundament leverde een geweldige hoeveelheid puin op. Nu bleek ook hoe diep de fundamenten in de grond zaten: 1,20 meter. De onstane kuilen moeten ook weer met zand opgevuld worden.
Op vrijdagmiddag kreeg ik mijn eerste loon uitbetaald. Ik kreeg mijn 25 gulden zoals afgesproken, maar de aannemer gaf me nog 2,50 gulden extra, omdat ik zo goed gewerkt had. Het was zwaar werk, maar je werd er ook sterk van. Na nog twee weken was de klus geklaard en nam ik afscheid van mijn werkgever.

Werken en wonen in Duitsland. Essen 1956.

Intussen was er door de familie in Duitsland voor mij het een en andere geregeld. Er bleek in Essen nog iemand Albert Gelissen te heten. Hij was net een jaar uit Franse krijgsgevangenschap terug en woonde bij de familie Kress. Hij had geen werk maar wel connecties in de bouw. En waarschijnlijk een uitkering. Hij zou uiteindelijk een werkplek en een werkvergunning voor mij versieren.
De oude vriendin van mijn moeder, Rita, wonende aan de Isenbergstrasse 51, is ook weer teruggevonden. Bij haar kan ik een paar maanden in de kost. Zij heeft een dochter van 13, Ruthchen, en haar man, Peter Türk, is ook net weer terug uit Russische gevangenschap. Hij werkt al weer als huisschilder. Rita heeft overleefd door voor een textielfabriek thuis schorten te naaien. Dat blijft ze ook doen als haar man weer terug is. Peter is een rustige, hard werkende man. Hij moet ook vaak in de weekends werken, vooral in winkelpanden. Hij komt altijd na de timmerman en die is meestal op het nippertje klaar met zijn werk.
Ruth gaat al naar de Middelbare school en is niet dom, maar wordt door haar vader flink verwend. Bij dit gezinnetje neem ik mijn intrek. De woning is niet groot en het is een beetje behelpen. Mijn oom Albert heeft voor mij werk gevonden bij een Hoch- und Tiefbauwgesellschaft Möller und Co. Samen met hem maak ik kennis met de Polier (uitvoerder, N.) op de toekomstige werkplaats en gaan dan de werkvergunning bij het ”Arbeitsambt” in orde maken.
De werkplek is niet ver van mijn kosthuis. Daar kan ik lopend heen. Het is een grote bouwput, waarin een enorme kraan staat. Hier moet een hotel verrijzen op de fundamenten, die ik nu mag leggen. Mijn aandeel is het ter plekke maken van de betonspecie met behulp van een grote betonmolen. Zand,grind en cement moeten in de juiste verhoudingen in een grote bak geschept woren. De inhoud van de bak wordt vervolgens in de ronddraaiende molen gestort, waarna er de juiste hoeveelheid water aan wordt toegevoegd. De electrische schuiver om de bak met grind of zand te vullen, is na een paar dagen al stuk. Dus moet er voortaan geschept worden. Behoorlijk zwaar werk dat scheppen aan de betonmolen. Overal zijn timmerlui bezig met het maken van de houten bekistingen, waarin het beton gestort moet worden.
Op het eind van de eerste week is het al feest. De eerste steen wordt feestelijk aangebracht en de fles met Wacholder gaat rond. Ook ik moet er aan geloven en wordt voor het eerst in mijn twintigjarig leven heel licht in mijn hoofd. Dan maar na het eten wat vroeger naar bed. In de bouw wordt veel gedronken, meestal bier. Er is geen cantine waar je thee of koffie kunt kopen. Dan is bier een alternatief. Er wordt wel héél veel bier gedronken door de bouwvakkers. Vandaar de bewering, dat in Duitsland de specie met bier wordt aangemaakt.
Mijn kosthuis heeft douche noch bad. Gelukkig kan ik op zaterdagmiddag bij Tante Hanny in Altenessen een heerlijk bad nemen. Het stof van een week hard werken komt lekker los. Dat doet een mens goed. Ook de vermoeidheid valt van me af, maar de slaperigheid neemt toe. Het wordt tijd om deze staat van genade weer te verlaten. Als nieuw kan ik me even later weer bij de familie Schilling voegen. Hannie is weer iets lekkers aan het koken en ik mag mee eten. Marianne heeft een vriend en die komt zich na het eten ook melden. Ze gaan die avond met vrienden uit en ik mag ook mee. We gaan naar de binnenstad van Essen. Hier ligt nog veel in puin en er zijn veel open plekken. Er wordt wel driftig gebouwd. Hier en daar zijn nieuwe winkelpanden verrezen.
Wij gaan naar een café waar gedanst kan worden. Ik ben natuurlijk de vreemde eend in de bijt en mag me iedere keer weer aan aanschuivende vrienden van het stel voorstellen. Ik maak het niet al te laat en neem de tram naar de Isenbergstrasze. Peter en Rita zijn nog op en zijn erg benieuwd naar mijn ervaringen. Het ontbijt op de zondagmorgen bestaat uit verse Duitse broodjes. Die zijn elke ochtend vers bij de bakkers te krijgen. Gesmeerd met margarine en marmelade beginnen ze erg lekker te worden. Een gekookt eitje gaat er ook goed in.
Ik informeer naar de dichtstbijzijnde katholieke kerk om daar de Dienst bij te wonen. Bij de bombardementen op Essen zijn ook veel kerken verwoest. De nieuwe kerken zijn eenvoudig en sober. Willie betitelt ze als ”Seelengarages”, garages voor de ziel. Ik probeer de Duitse gezangen een beetje mee te zingen. Een volle kerk, die meezingt, heeft wel wat. De preek is goed te volgen, maar er blijft weinig van hangen.
Die zondagmiddag ga ik mijn oom Albert opzoeken. Hij woont aan de rand van de stad in een mooie burgerbuurt. Zoals reeds gezegd woont hij in bij een ouder echtpaar, de heer en mevrouw Kress. Ze omringen hem met veel zorg. Dat is ook wel nodig, want de oorlog en de nasleep er van, hebben hem vroeg oud gemaakt. Hij heeft ook een alcoholprobleem en zit bovendien krap bij kas. Tijdens dit bezoek kom ik er achter, dat hij als bouwkundige is afgestudeerd.
Over de gevangenschap in Frankrijk en over de oorlog kom ik maar weinig aan de weet. Hij is een neef van Hannie Schilling-Gelissen. Ik doe hem een groot plezier met de sigaretten, die ik voor hem heb meegenomen. Voor de fam. Kress heb ik een tablet chocolade bij me. Albert zal mij in de loop van die week nog een fles Wacholder ontfutselen, die hij nodig heeft voor de uitvoerder (Polier,D.) van de bouwplaats. Wie die fles opgedronken heeft weet ik niet. Wel weet ik, dat ik na twee weken aan de betonmolen gestaan te hebben, opeens op een maandagmorgen te horen krijg, dat ik met twee metselaars naar een bakkerij in de binnenstad moet.
Het betreft Bäckerei Dassel. De bakkerij is bijna klaar, maar er moeten zaken afgemaakt worden en andere dingen weer veranderd. De aangeschafte bakoven maakt het noodzakelijk, dat er een stuk van de vloer verlaagd moet worden. Mijn taak wordt het om met hamer en steenbijtel het aangewezen deel van de vloer weg te hakken. De metselaars gaan intussen aan de slag met de muren. Tegels zetten is te duur geworden, dus moeten de muren weer verder afgepleisterd worden. Ook de vloer zou oorspronkelijk betegeld worden. Gaat ook niet door. Het moet nu een estrich- of stenenvloer worden. In de kelder moeten extra voorzieningen voor een grote wasmachine gemaakt worden. De heer en mevrouw Dassel komen regelmatig kijken naar de vorderingen. Als ik na een week mijn gat in de vloer klaar heb, moet er vijftig cm lager weer een nieuwe vloer gemaakt worden.
Na een week is ook dat karwei weer klaar. Na weer een week komt de oven en met hem twee ovenbouwers, uit Keulen. Die knapen werken ook ’s avonds door, en hebben graag, dat ik ook blijf overwerken. Ze hebben af en toe een emmertje speciale specie nodig om de binnenkant van de oven te metselen. De oven moet nog met bruinkoolbriquetten gestookt worden, vandaar. De twee mannen uit Keulen gaan op de vrijdagmiddag weer naar huis en hebben zo een lang weekend. Door de week zitten ze ook ergens in een kosthuis in Essen.
Nog even moet ik hard aan het werk bij het maken van de cementen vloer. Hiervoor moet ik een speciaal mengsel van zand en portlandcement maken met weinig water. De vloer wordt met latten van 2 cm dik en 4 cm breed in vakken van 1 meter breed in de lengte verdeeld. De lengte gaat van muur tot muur. Tussen de latten deponeer ik de specie en de metselaars verdelen de massa met hun troffel, kloppen die goed aan en strijken met een stevige plank de overtollige massa over de latten naar voren. Het aanstampen van de massa is erg belangrijk. Meter na meter wordt zo de betonnen vloer van een toplaag voorzien. Na een dag worden de latten weggenomen en worden de smalle banen ook met specie opgevuld. De kunst is natuurlijk om uiteindelijk een mooie, egale vloer te krijgen. Om de vloer goed glad te krijgen, wordt deze afgewerkt met pure cement, opgelost in water. Met deze ”guli” of cementoplossing wordt nu de cementlaag afgewerkt. Daardoor wordt de toplaag sterk en mooi glad.
Alhoewel ik enkele keren het verzoek krijg ”um ein Kasten Bier zu holen”, wordt mijn specie niet met bier aangemaakt en houden mijn metselaars het biergebruik binnen de perken. Ze leveren vakwerk af.
Door het overwerken komt er niet veel terecht van het bestuderen van de Duitse grammatica. Wel gaan in de laatste maand de verdiensten flink omhoog. Normaal verdiende ik ruim 400 Mark in de maand. Daar ging dan 250 mark aan kostgeld van af. Door het overwerk in de laatste maand hou ik in totaal toch een kleine 400 Mark over aan mijn Duitse avontuur.(1 DM is 0,90 gulden).
Veel tijd voor ontspanning is er niet en op cultureel gebied is er ook nog niet zoveel te doen. In november is er echter een optreden van het Don Kosakken koor, onder leiding van Serge Jarov. Daar ga ik heen. Het wordt een prachtige avond en het koor van 26 mannen met de kleine Serge als dirigent, zal ik niet meer vergeten.
In de binnenstad ontdek ik een kleine winkel, die gereedschap voor kunstenaars verkoopt. Ik koop een setje gutsen voor linoleumsnedes en wat grotere gutsen voor houtsnijwerk. De kwaliteit is niet altijd geweldig. Daar staat tegenover, dat de prijs laag is. Bij een groentenwinkel koop ik regelmatig wat fruit om mijn vitamientjes op peil te houden.
De twee maanden zijn om. Tijd om van iedereen weer afscheid te nemen .Wat heeft het gebracht? De familiebanden zijn een stuk hechter geworden. Ook de band met de fam. Türk is hernieuwd en blijft ook in de toekomst hecht. Ik weet nu wat hard werken is en heb er een vak bijgeleerd nl. het vak van opperman. De Duitsers maken er iets heel moois van : ”Bauhilfsarbeiter”. Zo staat het op mijn officiële ontslagbrief. Verder hou ik er nog een paar honderd marken aan over, voor een nieuwe regenjas.
Eind november neem ik de trein van Essen naar Heerlen en stap daar in de bus naar Hoensbroek. Ik ben blij als ik de schacht van de Emma aan de Akerstraat weer zie. Hier stap ik uit en loop de Kastanjelaan af naar huis. Der zoon is weer thuis en zal zich een heerlijke doch voedzame maaltijd laten smaken.
Moeder is blij dat haar zoon weer thuis is en aan vader zie ik dat hij trots is. Ik kan me nog een paar weken laten verwennen, voordat ik mijn volgende avontuur begin. Tijdens mijn verblijf in Essen is op 23 october in Hongarije een opstand uitgebroken. De regering onder premier Imre Nagy wil hervormingen doorvoeren. Op 1 november kondigt hij de uittreding van Hongarije uit het Warschaupact aan. Op 4 november komt het Russische leger weer terug en slaat de opstand bloedig neer. 2.500 mensen vinden de dood en 200.000 Hongaren vluchten naar het Westen. In deze sfeer ga ik straks als dienstplichtige het leger in.

Hoofdstuk 4. Vervulling van de dienstplicht.

Op 6 december 1956 moet ik mij in de kazerne van de Limburgse Jagers in Venlo melden. Het blijkt de Frederik Hendrikkazerne te zijn. We zijn met 44 man, in kamer 7. Een compleet peleton. We kunnen onze weekendtassen op de kamer achterlaten en gaan met een loopbriefje langs de administratie, de keuringsarts en tenslotte naar de fourier. Bij deze laatste hebben we wel even werk. We moeten uniformen passen, het eerste en tweede grijs en twee werkpakken. We krijgen 4 stel groen ondergoed, legergroene handdoeken, dito zakdoeken, een vechtpet, een baret , een helm, kaki hemden, een trui, sokken, 2 paar hoge schoenen (zwarte kistjes, met ijzerbeslagen zolen), 1 paar puttees of beenkappen, schoenborstels en schoensmeer, Handboek Soldaat, een Garand geweer met poetsmiddelen. Verder nog een rugzakje, pukkel genaamd, met daarin etensblikken en bestek; een drinkfles met grote beker in een foudraal; een koppelriem met 2 koppelstukken, schouderbanden, een bajonetmes en een pionierschop. Verder nog een regencape, die tevens als grondzeil voor een tent kan dienen; 2 dekens, een sloop voor een kussen en een strozak. Tenslotte is daar nog een heel grote plunjezak, waar alles in kan en een hangslot. De fourier vult alles in op een grote , die we vervolgens moeten tekenen.
We sjouwen allemaal onze plunjezak met inhoud naar de kamer. De dienstdoende sergeant gelast ons een werkpak aan te trekken en ons burgerpak gaat in de kast. Na deze metamorfose worden we afgemarcheerd naar een schuur, om daar onze strozakken te vullen. Daar zullen we de komende twee maanden op moeten slapen. Het bed wordt opgemaakt en de ijzeren kleerkast, tussen de bedden ingeruimd. Pukkel en helm komen op de kast te liggen. Met het hangslot wordt de kleerkast afgesloten. De rest van de dag is iedereen bezig, de door de fourier verstrekte wasnummers in de van rijkswege verstrekte kleren te naaien .
We liggen met 44 man op een grote kamer, 22 bij 7 m. , in stapelbedden. De gelijkenis met de mannenslaapzaal op de Sibajak is treffend.Tussen de rijen bedden staan grote, ruwhouten tafels met banken om op te zitten. De tafelbladen kunnen omgedraaid worden. De bovenkant wordt als eettafel gebruikt; de onderkant is de poetstafel voor het schoonmaken van de geweren. Buiten de kamer zijn de WC’s en er is één grote wasruimte, echter geen douches. Er zijn wel twee grote ronde wasbakken met veel kranen, waar alleen koud water uit komt. Verder is er nog een kamer voor de sergeant van de week, die dag en nacht aanwezig is.
Om 7 uur is het reveille. Om half acht aantreden voor appèl. Daarna ontbijten, de boel opruimen. Kasten op slot en weer aantreden voor het volgende programma onderdeel. Per dag hebben we een aantal uren les in een leslokaal, afgewisseld met exercitie, stormbaan, bajonetvechten en andere takken van sport. Het gaat er fanatiek aan toe, want de Russen komen. Daar is het kader heel duidelijk over.
De inval van de Russen in Hongarije drukt een grote stempel op onze opleiding. Op 8 december staan we al op de schietbaan. Om de beurt gaan we op de kiek, want er is een echte fotograaf meegegaan. We zijn voor het eerst in ons tweede ”grijs”, in feite het Engelse uniform, met op het hoofd een Amerikaanse helm en in de hand een Amerikaans geweer. We zijn er ’s morgens met een paar vrachtwagens heen gegaan, maar gaan ’s middags lopend, dwars door Venlo, weer terug.
Na het avondeten is het ”onderhoud geweer” geblazen. De tafelbladen worden omgedraaid en de geweren uit elkaar gehaald, zoals we dat in de eerste lessen wapenkunde hebben geleerd. Vooral het schoonmaken van de loop is ingewikkeld. De roetaanslag in de loop moet met olie losgeweekt worden. Een lapje in olie gedrenkt en aan een lange staaf, de loopstok, bevestigd, wordt op en neer door de loop gehaald. Dan wordt er een koperen borsteltje aan de loopstok gedraaid en daarmee wordt de roetaanslag losgemaakt. Met een aantal droge doekjes wordt de loop vervolgens droog- en schoongemaakt. Alle andere onderdelen worden ook droog en schoongemaakt, en opnieuw geolied.
Als alles klaar is mogen we naar de cantine voor een kopje koffie of thee, met of zonder gevulde koek of cano. Daar staat een voetbalspel en een ping-pong-tafel voor de mensen , die nog niet moe genoeg zijn. Natuurlijk wordt er ook veel gekaart. Klaverjassen is een geliefd spel. Helaas heb ik er geen kaas van gegeten.
Tussen de bedrijven door leren we ook het regimentslied van de Limburgse Jagers. Onze kazerne is de thuishaven van onze eigen militaire kapel. Ze oefenen zowel in als buiten het kazernegebouw. Het zijn onze arbeidsvitaminen. Er zijn geen radio’s op de kamer, zodat we ook weinig nieuws en muziek te horen krijgen. De eerste maand hebben we de status van recruut. Deze is te herkennen aan het feit, dat het bovenste knoopje van het jack gesloten is. De stropdas blijft daarom voorlopig ook nog in de kast. We mogen de hele maand niet naar huis en ook niet het kazerneterrein verlaten. Voor Kertmis wordt een uitzondering gemaakt. We mogen in ons burgerpak een paar dagen naar huis.
Er worden vrijwilligers gezocht om te helpen bij het Kerstdiner van de officieren in de officiersmess op 22 december. Daar voel ik wel wat voor. Dus sta ik die avond, in werkpak in de keuken. De restjes van het diner zijn heerlijk. Daarna natuurlijk ook heerlijk afwassen. De volgende dag kan ook ik mijn vrijvervoertje bij de administrateur ophalen en reis ik af naar Hoensbroek.
De Nederlandse soldaat heeft om de twee weken recht op vrij vervoer.Het soldij bedraagt 70 cent per dag. Dat is geen vetpot en onvoldoende om ook nog eens treinkaartjes te kopen Op de kazerne in Venlo kom ik Albert Welling tegen. Een klasgenoot van de lagere school in Schinveld en een achterneef. Hij is sergeant-instructuur en kortverbander. Hij kon na zijn dienstplichttijd van 21 maanden bijtekenen. Ik zie hem niet zo vaak, want ik heb zelf een stel andere sergeant-instructeurs. Aardige kerels, maar, zoals ik al gezegd heb, erg fanatiek.
In de eerste week van januari 1957 is het dan zover. Het knoopje van het jack mag los en de kraag moet nu opnieuw geperst worden, zodat hij mooi open blijft staan. We zijn recruut af en er wordt opeens veel meer tijd besteed aan het persen en verfraaien van het eerste grijs. De normale baret is wat groot uitgevallen, maar er is ook een buitenmodel baret te koop. Ik heb er geen probleem mee. Ik doe ook niet mee aan het persen van extra naden op de rug van het jack. Bij het eerste vrije weekend worden we, keurig in het eerste grijs, afgemarcheerd naar het station in Blerick. Het burgerplunje zit in de weekendtas. Tegen 11 uur zitten we in de trein naar het Zuiden. Op zondagavond moeten we weer voor 12 uur binnen zijn.
De rest van de maand wordt de basisopleiding voltooid. We krijgen ook diverse films te zien over de tweede wereldoorlog en een aantal instructiefilms. Hoe noodlottig kunnen een paar losse veters zijn? Kortom, soms hebben kleine fouten grote gevolgen. Oefeningen met het gasmasker staan ook op het programma. Iedereen heeft er nu een. Het gasmasker zit in een foudraal en dat wordt met riemen om het rechterbovenbeen vastgemaakt.
Eind januari worden allerlei tests afgenomen. Daarna krijgen we te horen wat er na de basisopleiding gaat gebeuren. Ook de Commando’s komen op een dag kijken of er nog goede candidaten voor hun corps zijn. Ze kijken naar de blote voeten en kunnen zo zien of je enigszins geschikt bent. Ik ben kennelijk niet geschikt.
Ze hebben mij geschikt geacht voor de onderofficiersopleiding. Ik moet mij dan ook begin februari bij de Isabella kazerne in Vught melden voor een kaderopleiding van 6 maanden. Isabella Kazerne in Vught, kaderopleiding onderofficieren. Vanaf het station in Den Bosch is het een hele wandeling naar de Isabella Kazerne. De kazerne ligt tussen de spoorlijn van Den Bosch naar Eindhoven en een dijk langs een wetering ingeklemd, op de grens van Vught en Den Bosch. Het is een grote kazerne. Er wordt ook een chauffeursopleiding gegeven.
De legering is identiek als in Venlo. Van mijn lichting zie ik niemand meer terug. Er zit in ons peleton een groene baret. Die heeft er al een hele commando-opleiding opzitten en kan er goed over vertellen. Mijn slaapmaatje is een blonde lange Fries. Het duurt even voor ik zijn aparte Nederlands kan verstaan. Hij slaapt boven een ik heb nu voor het onderste bed gekozen.
”Ik moet nog even mijn geweer immekaarsetten,” is een voorbeeld van zijn taalgebruik. Behalve een stel dekens krijgen we hier van de fourier ook weer nummertjes voor in het wasgoed en een stapel handboeken. We eten hier in een grote kantine en worden op vaste tijdstippen er naar toe afgemarcheerd. Het eten is goed en overvloedig. Natuurlijk wordt er ook hier over het eten geklaagd. Dat hoort bij verwende jongetjes.
Elke maandag hebben we velddienst in de Drunense Duinen. Na het ontbijt gaan we er met een paar vrachtwagens naar toe. De rit eindigt dan altijd bij het restaurant ”De Rustende Jager”. Van daaruit trekken we dan dit bizarre duinlandschap in. Een landschap dat je hier midden in Brabant niet verwacht.
Het peleton wordt in vijf groepen van negen man opgesplitst. Bij elke groep is een sergeant-instructeur. We leren op linie lopen, dekking zoeken, voortbewegen in de tijgersluipgang en robbengang. Dat alles met volle bepakking en geweer. Om de buitenhelm zit nu een camouflagenet. Daar moeten graspollen of takjes van de aanwezige bomen ingestoken worden. De vijand ziet je nu wat minder goed als je stil ligt of staat. Aan het eind van al die oefeningen moeten we ons op linie ingraven. Ieder maakt z’n eigen schuttersput en wel zo snel mogelijk.
Dan komt er een seintje, dat de cantinewagen gearriveerd is. Het is lunchtijd en we krijgen koffie en eten ons meegenomen lunchpakket op. Wie daaraan nog niet genoeg heeft, kan er nog een cano of gevulde koek bij nemen.
’s Middags kunnen we laten zien wat we allemaal al kunnen en tegen half vier verzamelen we weer bij de ”Rustende Jager”. We gaan lopend terug naar de kazerne. Dat lopen is geen gewoon lopen, maar het gaat in ”speed mars”. Onze commando weet wat dat is en mag het tempo aangeven. In anderhalf uur zijn we inderdaad weer op de kazerne. Goed moe en trek in een maaltijd.
Eerst maar even uitrusten, wassen en verschonen en dan kan er gegeten worden. Na het eten moet alles weer schoongemaakt worden. Het zand zit overal. De schoenen moeten gepoetst en ook het koper van de uitrusting, want morgenvroeg is er inspectie.
De rest van de week zit vol met lessen over allerlei wapentuig, zoals daar zijn de lichte mitrailleur of bren, de bazooka of raketwerper, de handgranaat, de Punt Vijftig of zware mitrailleur en ook het pistool. Alles moet uit- en in elkaar, hoe te laden en hoe te schieten. We krijgen ook les in oorlogsrecht en in hoe het leger georganiseerd is. We worden ook ingevoerd in de ABC- oorlogvoering. De A staat voor atomere, de B voor biologische en de C voor chemische. Er moet soms serieus gestudeerd worden om de testen goed te maken.
Na vier maanden, dus eind mei, worden we allemaal tot korporaal bevorderd. Je wordt nu met korporaal aangesproken. Er moet een brede, bruinige , omgekeerde V op de twee mouwen van elk jack genaaid worden.Bij die gelegenheid gaan we met zijn allen op de foto.
Op 23 mei moet ik mij in Amersfoort melden voor een officierstest. Mijn luitenant zag in mij wel een toekomstig officier en had mij kennelijk voor deze test opgegeven. Kennelijk was ik toch niet helemaal uit het goede hout gesneden, want ik slaagde niet voor die test. Ik blijf dus gewoon bij de onderofficiersopleiding.
Intussen ben ik ook lid geworden van het wandeldetachement van de Kaderschool Infanterie. Het is de bedoeling, dat we ook de Vierdaagse van Nijmegen gaan lopen. Dat wordt dus kilometers maken. In mei en juni lopen we in de weekeinden met heel wat wandeltochten mee, vooral in het Brabantse. We lopen fanatiek en gaan dan ook meestal met een beker naar huis voor de beste militaire groep of zoiets.
Nog twee maanden training voor de bevordering tot sergeant. Kaartlezen en lopen op kompas krijgen nu wat meer aandacht. We worden ook ´s nachts ergens gedropt en moeten dan zelf met kaart en kompas thuis zien te komen. In juli is er een grote oefening in Zuid Limburg. De data van de oefening komen overeen met de data van de Vierdaagse. Helaas, het lopen van de Vierdaagse gaat niet door.
De oefening is best aardig. Het weer is goed, lekker zomerweer. We liggen met onze tentjes in het Bovenste Bos bij Vijlen. Vandaaruit moeten er patrouilles gelopen worden in vijandelijk gebied. Om wegen en kruispunten te vermijden, gaan we dwars door weilanden en door het water van de Geul om ons doel onopgemerkt te bereiken. Andere groepen zijn niet zo fortuinlijk, want er wordt regelmatig door de vijand geschoten in het Geuldal. We komen ook weer ongezien terug in ons kamp en kunnen de natte plunje uittrekken en snel in de slaapzak.
Natuurlijk moet er ook wacht gelopen worden. Voor de meesten van ons wordt het een kort nachtje. Na drie dagen zit de oefening er op.
Eind juli krijgen we onze bevordering tot sergeant. De meesten van ons peloton gaan nu naar de parate troepen. Voor mij is echter een ander pad uitgezet. Ik ga nog in opleiding voor groepscommandant in het V en I peloton van een infanteriebataljon. Ik krijg eerst nog een maand rijopleiding op de Isabellakazerne en vervolgens nog een maand een specifieke Verkenning en Inlichtingen opleiding in Harderwijk.
De rijopleiding is vrij intensief. Elke dag enkele uren rijden met een kwarttonner. Er moet in deze wagen nog dubbelgeclutched worden bij het schakelen. Dat vergt heel wat tijd om dat schakelen met tussengas geven, onder de knie te krijgen. De rustige weg bij ”Coudewater” in Rosmalen is de eerste weken mijn oefenterrein. (Hier was ik in 1947 ook al eens geweest om mijn moedere op te zoeken, die hier verpleegd werd).
Naast het rijden komt ook de motortechniek aan bod. We leren storingen oplossen, bijv. een verstopte carburateur, banden verwisselen, olie verversen en bijvullen, bougies schoonmaken en vervangen, etc..
We zijn weer met een heel nieuw peloton, weer nieuwe gezichten. Er zijn ook nu weer speciale lessen over het functioneren van een V en I peloton. Het peloton staat in dienst van de S2, de inlichtingenofficier van de bataljonssstaf. Zijn rang is die van kapitein. Hij wordt weer bijgestaan door de S2-toegevoegd, een onderofficier. Het peloton bestaat uit 3 groepen van negen man, en elke groep heeft drie jeeps. De groepscommandant heeft in zijn jeep een grote radiozender, de ANGRC-9. De andere twee jeeps hebben een draagbare radio. De pelotonscommandant, luitenant of vaandrig, heeft ook een jeep met een grote zender. Hij verzamelt de berichten van de drie groepen, die op zoek zijn naar de vijand. De S2 geeft deze berichten dan weer door aan de bataljonscommandant, die dan zijn maatregelen moet nemen.
In oorlogsttijd hebben de V en I soldaten niet lang te leven, zo werd ons ook terloops medegedeeld. Tijdens oefeningen was het leven goed te noemen. In de weekends waarin ik niet naar huis ga, bezoek ik regelmatig het Protestants Militair Tehuis in Den Bosch. Daar hebben ze een goede bibliotheek, waar ik rustig een boek kan lezen. Eén titel kan ik me nog goed herinneren, nl. ”Eeuwig Zingen De Bossen”, een deel van een bekende Noorse trilogie. De koffie was er ook prima, maar het was er nooit druk in het weekend. De meeste knapen gingen toch naar huis en de anderen zochten vaker een café in de stad op of in Vught.

Harderwijk. September 1957

Een belangrijk deel van de V en I opleiding krijgen we in Harderwijk. We leren de bediening van de radioapparatuur. Oefenen in het versturen van berichten zowel in het klaslokaal als buiten in het veld. Ook de tactiek van het verkennen met drie jeeps wordt hier beoefend. In een ander deel van de kazerne worden mensen voor de militaire inlichtingendienst opgeleid. Dat worden de ondervragers en ze leren bovendien Russsisch. We hebben er geen contact mee.
In Harderwijk is ´s avonds niet veel te beleven. In het weekend is het een mooi oud stadje, voor een deel nog ommuurd, met twee mooie stadspoorten. Onze kazerne ligt buiten het oude centrum, dichtbij het station. Eind september krijgen we onze eindbestemming te horen. Ik moet mij begin october melden bij de Stoottroepen in de Generaal de Bonskazerne in Grave, de zgn parate hap. Maar eerst gaat het met de zware plunjezak naar huis, naar Hoensbroek, voor een lang weekend. We hoeven ons pas op maandagmiddag bij ons onderdeel te melden.

Stoottroepen in Grave. October 1957.

Melden bij de wachtcommandant en doorverwezen naar het gebouw van de Stafcompagnie. Daar weer melden bij de administrateur. Met een loopbriefje verder. Sergeantenkamer van het Ven I peloton opzoeken en de plunjezak droppen. We liggen met een zevental sergeanten op een kamer. Op de bedden een echte matras en normaal beddegoed. Geen stapelbedden meer. Eindelijk gerechtigheid.
Naar de fourier om nieuwe insignes en emblemen te halen. Natuurlijk ook weer de nummertjes voor het wasgoed en 2 slopen en 4 lakens. Daarna moeten de nieuwkomers zich melden bij de kapitein van de stafcompagnie, Heiligers. Van hem krijg ik te horen, dat ik mij moet melden bij de S2. Mijn funktie is die van S2-toegevoegd. Sergeant Jacobs en sergeant van Loon gaan het V en I-peloton versterken.
Ik moet op zoek naar mijn S2, een kapitein. Samen met de bataljonscommandant, de S1 en de S3 zit hij in een apart gebouw, achter in de kazerne. De S2 en de S3 delen een grote werkruimte. Ik maak kennis met de S3-toegevoegd, de beroepssergeantmajoor Lambermon. Wij zullen in deze ruimte ons werk moeten doen. De Sectie 3 is verantwoordelijk voor de organisatie van trainingen en oefeningen op bataljonsnivo. Aan de muur hangen dan ook planborden waarop de oefeningen staan in geplanned. Van hem hoor ik, dat we al heel gauw een grote oefening gaan houden in Duitsland, nl. in Sennelager.
Mijn eerste taak wordt het, om alle compagniën van een stel stafkaarten van het oefeningsgebied te voorzien. Mijn kapitein , zijn naam is mij niet bijgebleven, is een vlotte vent, maar is niet vaak op zijn kantoor te vinden. Hij is ook verantwoordelijk voor de veiligheid op de kazerne. Op gezette tijden controleert hij of iedereen zijn persoonlijke bezittingen goed achter slot en grendel heeft. In elke kast staat een geweer en dus hoort die kast op slot te zijn. Zijn gecontroleer levert mij een paar dagen arrest op. Ik had mijn kast niet op slot en hij had mijn geweer meegenomen. Geen goede beurt van mij tegenover mijn eigen directe baas. Dat was één keer en nooit meer. Als onderofficier moet ik een paar dagen lang na de dienst op mijn kamer blijven.

Oefening Sennelager. Oktober 1957.

Tijdens deze oefening zal ik als groepscommandant met het V en I-peloton meedraaien. Korporaal van Boxtel is mijn chauffeur. Commandant van ons peloton is een vaandrig. Hij straalt niet veel vertrouwen uit en is erg zenuwachtig. Hij is natuurlijk ook maar dienstplichtig en na deze oefening zal hij weldra afzwaaien. Het zou mooi zijn als hij voor die tijd zijn bolletje voor een ster zou kunnen inruilen. Van deze oefening hangt het af of hij zich straks luitenant mag noemen. Bij het kader en de soldaten is hij wel geliefd en ze willen wel voor hem werken. Een paar dagen voor vertrek is iedereen behoorlijk druk. De chauffeurs moeten zorgen dat hun jeeps in orde zijn. Ook de radio’s moeten uitgetest worden; ook de draagbare. Daar moeten extra batterijen voor meegenomen worden. Twee van de drie jeeps zijn voorzien van een brengun (L.M.), die moeten straks ook het vuile werk doen. Zij spelen een soort haasje over tijdens het rijden en dekken elkaar daarbij. De wagencommandanten hebben een verrekijker. Ze moeten goed kunnen kaartlezen en ze bedienen in geval van nood ook de brengun. Als groepscommandant heb ik alleen mijn Garand-geweer.(Een stengun was gemakkelijker geweest).
Op de bewuste dag van vertrek staat het hele bataljon opgesteld. De infanterie compagniën 4 stuks, zitten in grote 3-tonners van het merk DAF, achter elke auto hangt een grote aanhanger, waarin zich de tenten en plunjezakken bevinden. Voorop rijden de bataljonscommandant en de S2, elk met hun jeep en keine aanhanger. Ook de cie-commandanten hebben een jeep en rijden voor hun cie. De Stafcie sluit de rij met tien jeeps van het V en I en enkele 3 tonners met benzine- en watertanks, keukenmateriaal, voorraden, staftenten etc.. In de loop van de middag komen we aan in Sennelager. De stafcie slaat zijn tenten op in een bosperceel aan de rand van een grote heidevlakte.
Ik slaap in een tweepersoonstentje met een andere sergeant. Het is fris en ’s nachts zelfs koud, maar we hebben goede slaapzakken. De warme maaltijd bestaat uit warmgemaakte blikken met witte bonen in tomatensaus. De voorraden ingeblikt voedsel worden op deze manier aangesproken en ververst. De koks hebben een makkie.
De volgende dagen worden allerlei oefeningen in het veld gehouden. De V en I-groepen trekken er ook op uit. We rijden met onze jeeps dwars door het terrein. Op erg steile stukken hei wil mijn chauffeur graag een foto voor de thuisblijvers. Na een aantal dagen oefenen met de wagens en de radio’s, wordt tenslotte de grote oefening met het hele bataljon gehouden. Twee groepen zitten op de flanken van het bataljon en moeten daar de vijand zien op te sporen. Eén groep gaat te voet, met een kleine radio, in het midden van de formatie en probeert daar het bataljon voor te blijven. Dat valt niet mee, want er doen ook een paar tanks mee en die gaan ons links en rechts voorbij.
Onze groep voelt zich daar niet goed bij en al dat lopen zijn ze ook niet gewend. Het contact via de radio met onze commandant is ook niet optimaal. Het weer is gelukkig goed en we komen geen vijand tegen. Als laatsten komen we bij het grote doel aan. De rest van ons peloton heeft het kennelijk ook niet zo best gedaan en dat krijgt onze vaandrig op zijn brood. Hij krijgt zijn ster niet en zwaait als vaandrig af.
Na de oefening hervat ik mijn werkzaamheden als S2 toegevoegd. Het bataljon krijgt een nieuwe oorlogstaak. Dat betekent dat elk onderdeel van nieuwe stafkaarten moet woprden voorzien. Aan mij de taak om voor elk onderdeel een kist met kaarten samen te stellen. Daar ben ik wel een paar maanden mee bezig geweest. Ik draaide wat meer wacht dan de andere sergeanten en was natuurlijk ook om de paar maanden sergeant van de week. Als wachtcommandant ben je 24 uur in touw. De soldaten gaan 2 uur op en 2 uur af. Zij staan twee uur ergens op het kazerneterrein en kunnen dan twee uur in het wachtlokaal even wat slapen. ’s Avonds na het eten melden zich de soldaten met licht arrest, die moeten op de kazerne blijven. De mensen met zwaar arrest zitten de hele dag in de cel. Die moeten op tijd hun natje en droogje hebben. Gelukkig zijn de cellen meestal matig bezet.
Er is ook een officier van de wacht, maar die kan rustig gaan slapen. Hij moet wel op de kazerne aanwezig zijn, want hij moet wel een paar keer een rondje langs de wachten en de wachtcommandant maken. Hij is herkenbaar aan een grote zilveren plaat, die aan een ketting om zijn nek hangt. Dat is wel zo handig voor de soldaten die op wacht staan. Ze moeten hun consignes goed weten en niet in slaap vallen, anders worden ze op rapport geslingerd.

Sergeant van de week.

Zoals de titel al zegt, is dat een taak, die inderdaad een volle week duurt. Alle huishoudelijke zaken worden door de diensdoende sergeant verricht. Hij slaapt op een kamer naast de slaapzaal. Hij wekt het peloton, laat ze buiten of binnen aantreden voor inspectie, marcheert het hele stel af naar de eetzaal. Hij organiseert het corvee (schoonhouden van de kamer, wasgelegenheid , WC’s, de gangen en de appèlplaats) en doet ’s avonds het licht uit. Tijdens zo’n periode heb ik mij eens gewapend met tekenpapier en waterverf en heb in het zeer rustige weekend een aantal gouaches gemaakt. Het grootste schilderij ”De Eenzame Patate Frite Eter” is hier ontstaan. Het is een nachtelijk tafereel van een Patate Frite-kraam aan de weg van Brunssum naar Hoensbroek, met op de achtergrond de cokesovenfabriek van de staatsmijn Emma. Er is zo laat op de avond nog maar één klant, die duidelijk behoefte heeft aan een praatje. Het is een herinnering aan de vele keren dat ik hier op de zaterdagavond langs kwam op weg van Schinveld naar mijn ouders in Hoensbroek.
gelissen

Twee kleinere schilderijtjes hebben als thema ” Afscheid”. Een matroos neemt afscheid van zijn lief op de kade. Zijn lief zwaait de vertrekkende boot uit. Dit is natuurlijk voer voor psychologen.
Het hebben van een rang heeft ook zijn voordelen. Als onderofficieren hebben we een eigen eetzaaltje en worden keurig door een soldaat van de mess (keurig in het wit) bediend. Bij het ontbijt kan een gebakken eitje besteld worden tegen een kleine vergoeding. Het eten is ook beter verzorgd en er zijn gedekte tafels met bestek. De legering heb ik al eerder besproken. De gage is ook een stuk ruimer. Na enkele maanden wordt ik sergeant effectief. Dat betekent, dat ik het salaris van een sergeant ga verdienen. Ik moet wel betalen voor legering en de maaltijden. Desondanks hou ik nog een aardig bedragje over.
Sectie 2, toegevoegd.
De klus van de stafkaarten heeft zijn beslag gekregen. Als bijzonderheid is te melden, dat er in december een flinke brand woedt op de kazerne. Een flink aantal houten garages en een barak met pioniermateriaal gaat in vlammen op. Mijn kapitein is de eerste tijd druk met het zoeken naar de oorzaak van de brand. Hij is nog steeds vaak uithuizig. In februari blijkt hij buitengewoon verlof te hebben aangevraagd. Het fijne daarvan kan ik me niet meer herinneren, maar ik blijf verweest achter.
Het V en I-peloton heeft al een tijdje een nieuwe commandant. Ook een Albert en hij komt uit Nijmegen. Ik kan goed met hem overweg. Bovendien zijn er weer een aantal nieuwe sergeanten bijgekomen. De komende maanden heb ik op de sectie stiekum het rijk alleen. Ik krijg de opdracht om een trainingskamp voor het V en I-peloton te organiseren ergens in de buurt van Budel. We gaan op zoek naar een geschikte plaats en vinden een boerderij in Middelbeers, die ons wel wil hebben. Samen met het V en I-kader stellen we een oefenplan op dat de goedkeuring van de bataljonskommandant krijgt. We verlaten de kazerne voor een week om de omgeving van Middelbeers en Budel met onze 10 jeeps onveilig te maken, op zoek naar de vijand. We hebben ook onze eigen koks mee. Ze hebben in de boerderij een plekje gevonden voor hun keuken. Op het erf van de boerderij staan ook onze jeeps geparkeerd. Onze tweepersoons tenten staan keurig naar rechts gericht in een aan de boerderij grenzend weiland.
Daar wordt elke avond het warme eten door de koks uitgedeeld onder grote belangstelling van de plaatselijke lagereschooljeugd. Na het eten krijgen ze van korporaal Mansvelders les in de tijgersluipgang en de robbengang. Voor onze eigen stoelgang is er in een hoek van het weiland een latrine gemaakt, die verdacht veel lijkt op de HUDO van de verkennerskampen. Het gemak dient de soldaat en de soldaat bedient het gemak. Dat moet wel goed uitgelegd worden, want ze zijn niet allemaal bij de verkennerij of padvinderij geweest.
Het zal na een voortreffelijke maaltijd geweest zijn, dat een van de koks een van onze chauffeurs weet over te halen, om hem een ritje met zijn jeep te laten maken. Het eten moet hem wel heel goed gesmaakt hebben, want de man stemt toe tegen beter weten in. Even later wordt het kamp opgeschrikt door een flinke dreun bij de boerderij. Iedereen er naar toe en ziet een van de koks, de magere blonde, in een jeep die hij net onzacht tegen een muur van de booerderij heeft geparkeerd. Sergeant Jacobs bekijkt de schade en schudt zijn zwijgende hoofd. De kok staat er bedremmeld bij te kijken. Dan spreekt Jacobs het verlossende woord: ”Komt wel goed.” Er zit een onbehoorlijk grote deuk in het rechter spatbord. Diezelfde avond gaat onze goede Jacobs aan het werk om de deuk er uit te werken. Het is de bedoeling, dat het onzichtbaar hersteld wordt. Anders wordt het rekening man voor de kok en de chauffeur. Met wat plamuur en verf komt hij een heel eind. Iedereen opgelucht. De daders worden door iedereen flink gekapitteld, maar niet zonder leedvermaak.
Het zal niet het enige ongelukje met de jeeps blijven. Ook tijdens de oefeningen gaat er in het vuur van de oefening wel een iets mis. Een van de jeeps rijdt op een zandweg langs het hekwerk van de legerplaats Budel. De jeep slipt in het zand en raakt het gaas van de omheining. De stangen van het dak van de jeep haken in het gaas en staan opeens onder een hoek van negentig graden op de zijkant van de jeep. Dat is domme pech. Daar kun je als chauffeur niet zo veel aan doen. Ja, voorzichtiger rijden. Dat wordt een rapport opmaken in drievoud. De knik in die stangen is zelfs door Jacobs niet te repareren.
Het is een wonder, dat het bij die paar ongelukjes blijft. De chauffeurs moeten tijdens de oefeningen op die smalle wegen heel wat risico´s nemen. Ze moeten telkens van de weg af en de berm in. Dat hoort nu een maal zo, anders haal je in oorlogstijd de gemiddelde overlevingsduur van 3 minuten al helemaal niet. Ze komen ook hinderlagen tegen en dan is het vol gas achteruit, in dekking en vuur aanvragen via de radio en wachten op nadere orders. Daarvoor moeten ze wel goed kunnen werken met de stafkaarten. Ze moeten de coördinaten nauwkeurig kunnen doorgeven van de plaats waar de vijand zit.
We hebben goed weer daar in Middelbeers. De stemming is goed en de oefeningen verlopen naar wens. Op de vrijdag breken we het kamp weer op en worden de voertuigen weer beladen. We nemen afscheid van de boer en zijn vrouw en kinderen. De koks ruimen hun keuken weer op en beladen hun kwarttonner. Na een laatste inspectie van het terrein geef ik het sein om te vertrekken. Tegen drie uur zijn we weer in Grave. Alles moet weer uitgeladen en de chauffeurs moeten hun wagens gaan schoonmaken en aftanken. Daarna worden ze door de officier van het wagenpark geïnspecteerd. Hij doet het grondig en ontdekt ook de kleine reparaties. Er moet alsnog een rapport opgemaakt worden. Sergeant Jacobs natuurlijk balen. Weer een hoop papierwerk.
De oefening heeft het V en I- peloton goed gedaan. Er is een goede band ontstaan tussen het kader en de soldaten. Het kader bestaat nu uit luitenant Albert Cloosterman, mijn persoon, sgt Jacobs, sgt van Hoof en sgt Geenen. Van de soldaten kan ik noemen: korporaal Meyvis, Coehorst, Mansvelders, Haarhuis en Geerts. Sorry, maar de rest van de manschappen is helaas naamloos geworden.
Er was ook een wielrenner bij die een home-trainer bij zich had. Hij is geen groot wielrenner geworden, want ook zijn naam is mij ontglipt.

Oefening Harskamp 1958.

Het hele bataljon gaat naar de Harskamp. Bekend en berucht vanwege de zgn.vuurdoop. Iedereen moet onder echt mitrailleurvuur en ontploffingen met uitrusting en geweer onder prikkeldraad vooruit sluipen. Van te voren wordt er natuurlijk een aantal keren droog geoefend. Alles verloopt prima, maar op het eind van de oefening krijg ik de opdracht om met een zestal koks van de verschillende compagniën met een kwarttonner af te reizen naar Den Helder. Daar gaan we .50 schieten.
De punt vijftig is een zware mitrailleur, waarmee op vliegtuigen geschoten kan worden. In geval van nood moeten ook de koks hiermee kunnen schieten. De cursus duurt een paar dagen. In Den Helder meld ik mij met mijn groepje bij de aangewezen kazerne. De legering is prettig. Elke dag rijden we naar een speciale plek buiten Den Helder, waar de mitrailleurs staan opgesteld. We gaan schieten op een zak van kopergaas achter een klein vliegtuigje. De zak hangt op een veilige afstand achter het vliegtuig. Om de beurt wordt er gepoogd de zak te raken. We schieten natuurlijk met scherp. Het vliegtuigje vliegt boven zee, zodat alleen de vissen een loodvergiftiging kunnen oplopen. Zonder ongelukken wordt de cursus beëindigd met de uitreiking van een diploma.
Daarna aanvaarden we de superlange terugreis van Den Helder naar Grave. Het weekend lokt. In termezzo.

Wereldtentoonstelling in Brussel 1958.

In het voorjaar van 1958 ga ik met mijn vader in een weekend op de scooter naar de Wereldtentoonstelling in Brussel. Het Atomium is al vanuit de verte zichtbaar en wijst ons naar het park waar alle paviljoens van de deelnemende landen zijn gebouwd. Het ziet er allemaal prachtig uit. In de borders bloeien veel tulpen. In een van de paviljoens staan een aantal electronenmicroscopen. Dat maakt een grote indruk op me en versterkt ook de wens om biologie te gaan studeren.
Van klasgenoot Harry Marel hoor ik dat enkele klasgenoten in Nijmegen medicijnen studeren. Verder is men in Nijmegen in 1957 met een Biologie-opleiding begonnen. Dat brengt voor mij het studeren aan een Universiteit letterlijk en figuurlijk dichterbij. Ik zwaai eind augustus af en kan dan in september met mijn studie beginnen.

Laatste grote oefening met het hele bataljon van de Stoottroepen. Augustus 1958.

In juli wordt het weer erg druk op de sectie 2 en 3. Het bataljon gaat een grote oefening houden in de Duitse Eiffel. We worden gelegerd in het kazernecomplex van Vogelensang. Hier had Hitler ook een afdeling, waar soldaten, uitgezocht op Arische kenmerken, ”Blond und gut gewachsen”, het mochten doen met eveneens uitgezochte Duitse vrouwen. Althans zo werd het ons, enigszins besmuikt, verteld.
Elke compagnie kruigt een gebouw toegewezen en het kazerneleven gaat weer verder. Kapitein Heiligers heeft een oefening voor alle chauffeurs en bijrijders van de Stafcie uitgezet in de Eiffel. Een aantal sergeanten gaan met hem op pad om als controleposten te fungeren. Gehuld in een stevige regenjas wordt ik in het plaatje Heimbach geposteerd. Op een andere dag fungeer ik ergens in de Eiffel als vijand voor een compagnie op oefening. Als S2-toegevoegd krijg ik hier de kans om met een verkenningsvliegtuigje de lucht in te gaan. De laatste keer dat ik gevlogen had was in 1948, in een DC-3. Dat was nog in ons Nederlands-Indië. Dat was een heel andere beleving dan nu in deze 2-zitter. De piloot vliegt continu cirkels boven de beboste hellingen van de Eiffel. Tussen neus en lippen door verklaart hij zijn vlieggedrag met de mededeling, dat hij op zoek is naar het vliegtuig van een neergestorte collega.
Ondertussen begint mijn maag zich te roeren en de misselijkheid naar mijn slokdarm te stijgen. Dan wordt het opeens heel rustig om ons heen. De piloot heeft de motor afgezet. We zweven nu tussen twee heuvelruggen naar beneden het dal in. Ik knijp hem als een oude dief, maar laat niets merken. Dan start de piloot de motor weer en die slaat, God zij dank, weer aan. Vijf minuten later staan we weer aan de grond en mag de volgende sergeant mee de lucht in, op voorwaarde, dat hij niet in het vliegtuigje overgeeft. Een geplande helicoptervlucht gaat helaas niet door. Dat had ik graag nog willen meemaken voor mijn afzwaaien over enkele weken.
Dan is er eindelijk de grote oefening met het hele bataljon. Het krijgt daarbij ondersteuning van een aantal centuriontanks. Zelf doe ik nu met het V en I-peloton mee. Mijn groep zit op de linkerflank van het bataljon. We rijden over bouwland naar beneden. Het heeft geregend en in het dal hebben zich kleine en grotere beekjes gevormd. Daar moeten we doorheen, maar helaas ook een jeep heeft zijn grenzen. De voorste jeep blijft steken en zakt tot boven de treeplank in de modder. Mijn twee andere jeeps proberen een andere weg te vinden. Met mijn radio geef ik een bericht door aan onze luit met de goede coördinaten. De drie man van de jeep gaan in dekking en moeten wachten op de dingen die al of niet gaan gebeuren. Met de andere twee jeeps ga ik verder maar erg veel opschieten doen we niet. Van de rest van het bataljon is in geen velden of wegen meer iets te zien. Plotseling hebben we weer verbinding. Er is een tank onderweg om de achtergebleven jeep uit de modder te trekken. Verdekt opgesteld wachten we af. Van vijandige troepen gelukkig geen spoor.
Inderdaad verschijnt er op enig moment een grote tank en sleurt de jeep van chauffeur Haarhuis uit de modder. Ondertussen heeft het bataljon het gestelde doel bereikt. Mijn groep moet zich zo snel mogelijk bij de Stafcie vervoegen. Zonder al te veel moeite bereiken we de locatie. In een bosrand is men bezig de staftent op te zetten. De andere groepen van het V en I zijn er al. Sgt. Geenen heeft opdracht voor de beveiliging van de staf te zorgen. Zonder paswoord komt niemand naar binnen; zelfs de scheidsrechters moeten er aan geloven. Dat maakt indruk en collega Geenen krijgt een pluim op zijn baret. Trots als een pauw zien we hem bedrijvig rondstappen. Zelf wordt ik weer in de staftent verwacht.
Het einde van een oefening wordt meestal bepaald door de mededeling dat er op een bepaalde plaats een atoombom is gevallen. Uit de meegeleverde gegevens kan ik dan berekenen of het bataljon deze aanval al of niet overleefd heeft. Meestal is de uitkomst negatief en is het einde oefening.
Nu komt weer de verplaatsing naar de kazerne in Vogelensang. Alles en iedereen is aan een schoonmaakbeurt toe. De chauffeurs maken hun voertuigen weer toonbaar en daarna zichzelf. De soldaten maken eerst hun wapens weer schoon, want ook losse flodders maken de loop onbehoorlijk vuil. Daarna mogen zij als eersten ondere de douche. Als infanterist hebben ze heel wat afgelopen tijdens de oefening. Een warme en voedzame maaltijd is zeer welkom en inderdaad aanwezig. Alles uit blik natuurlijk, maar dat hoeven we nu niet mee op te eten. Nog een dag om op verhaal te komen en dan worden de wagens weer gepakt en bevolkt voor de terugtocht.
In de kazerne gaat het leven weer zijn gewone goede gang. Geen ontberingen meer. Ik mag naar de open dag van de Katholieke Universiteit Nijmegen om mij te orienteren op de studie Biologie. De voorlichting heeft plaats in de aula van de Universiteit. Tot mijn grote verbazing zit daar mijn oude leraar biologie, Dr.Van Nieuwenhoven, die nu professor in de Zoologie geworden is. En ondanks mijn 1e grijs herkent hij me nog. Hij trekt me over de streep en mijn aarzelingen zijn verdwenen. Helemaal zonder eigen belang is zijn advies natuurlijk niet. Het spreekt dat ik met een goed gevoel weer afreis naar Grave.
Nog een paar weken scheiden mij van het studentenleven. Mijn eerste zorg is om in Nijmegen een kamer te vinden. Mijn vader stelt voor om eens bij mevr. de Bemt aan de Voorstadslaan te informeren. Zij heeft een kamer over en ik kan bij haar terecht. (We kennen mevr.van de Bemt nog uit Balikpapan).
De dag van afscheid van de Generaal de Bonskazerne komt naderbij. De uitrusting wordt bij de fourier gecontroleerd en verdwijnt weer voor het grootste deel in de plunjezak. Alleen het geweer moet ingeleverd worden. De plunjezak wordt met van Gend en Loos naar mijn ouderlijk huis verstuurd, van Rijkswege natuurlijk. De volgende dag sta ik met Albert Cloosterman en sergeant Jacobs op de bus naar Nijmegen te wachten. Jacobs gaat met mij naar het Zuiden. Hij woont in Heerlen. Ik neem in Sittard de bus naar Hoensbroek. We zullen elkaar weer ontmoeten als we op herhaling moeten, ware het niet dat ik geen herhaling zal meemaken met mijn Stoottroepen.

Hoofdstuk 5. Studeren in Nijmegen.

Mijn verblijf bij mijn ouders in Hoensbroek is maar kort van duur. Ik moet wat kleren kopen en mijn koffers weer pakken, want de Introductiedagen gaan al snel van start. Alle nieuwe studenten komen in een centrum net buiten Nijmegen bij elkaar. Iedereen is na inschrijving automatisch lid van het Nijmeegs Studenten Corps Carolus Magnus. Binnen het Corps bestaan 2 studenten-gezelligheisverenigingen, Diogenes en Roland, voor jongens. De meisjes hebben een eigen vereniging, de Meisjesclub. De introductiecommissie doet heel goed zijn best om ons in de structuur van de Universiteit in te wijden. Ze hebben een goed programma en we hebben er goed weer bij. De jongens zijn ondergebracht in een groot logeergebouw van de Cantecleer; de meisjes logeren in de huisjes op het terrein. De jongens zijn ver in de meerderheid. De scheiding van de sexen wordt nog gerespecteerd. Mij zijn geen verhalen bekend over heimelijke ontmoetingen bekend; ook niet van horen zeggen.
Aldus geintroduceerd in het studentenleven gaan we eerst weer een weekend naar huis om vervolgens ons op te geven bij een gezelligheidsvereniging op de maandag daaropvolgend. Ik koos voor Roland. Betaalde 35 gulden voor de ontgroeningsweek en werd vervolgens door de ingehuurde kapper kaalgeschoren, zoals dat een feut betaamde.
De societeit van Roland bestond uit een houten noodgebouw. Naast de grote zaal, de kroeg, is er nog een kleinere zaal. Daar worden we met zijn allen op elkaar gepropt, terwijl de ontgroeningscommissieleden, met een glas bier in de hand, vanalles lopen te brallen. Het lange staan wordt afgewisseld met op de grond zitten. Ontgroenen is vernederen tot op zekere hoogte.
Op een bepaald moment worden we de grote zaal ingedreven, waar we met overrijp fruit overgoten worden, tijdens het nemen van hindernissen. Daar heb ik niet mee gerekend, want ik heb geen oude spullen aangetrokken (ik heb ze gewoonweg niet), maar mijn enige nieuwe jasje en dito broek.
Ik herinner me nog mijn bezoek aan een of ander dispuut, de kleinste eenheid binnen de vereniging. Voor een dispuut wordt je uitgenodigd. De leden er van maken een keuze uit de eerstejaars feuten. Het loopt niet allemaal naar wens. Op het eind van de week krijgen we de mededeling, dat we weer opnieuw moeten inschrijven en ook weer opnieuw moeten betalen.
Met een aantal biologen besluiten we dat niet meer te doen. Een enkeling van ons jaar wordt nog overgehaald om te blijven en een paar anderen schrijven later in bij Diogenes. De meesten gaan echter niet bij een gezelligheidsvereniging. Hun vereniging wordt de faculteitsvereniging: De Nijmeegse Biologen Vereniging (NBV).
Ik wordt ook nog lid van de roeivereniging Phocas, samen met mijn jaargenoot Herman Nieste. Bij het inschrijven bij de faculteit Wis- en Natuurkunde, afd.Biologie, moeten we 25 pasfoto’s meebrengen. Voor elke prof en docent één foto, en natuurlijk een foto voor mijn collegekaart. Ik sta er nog op in mijn militaire ”eerste grijs”.
Nu kan de wekelijkse zesdaagse beginnen. De biologen hebben een zwaar programma. De vakcolleges en practica lopen we samen met de tweedejaars biologen. De andere vakken, zoals fysica, organische chemie, fysische chemie en wiskunde hebben zij al in hun eerste jaar gelopen. Onze practica zijn op de ochtenden geroosterd, omdat we gebruik maken van de practicumzalen van de medische faculteit. Dientengevolge zijn onze colleges meestal in de middag geroosterd. We lopen 16 colleges per week en hebben 6 practica van 3,5 uur. Ook op zaterdag hebben we nog een practicum. De vrijdagmiddag is voor excursies in de omgeving gereserveerd.
Tot januari hebben we 2 practica botanie en 1 practicum zoölogie. Voor de botanie bekijken we de lagere planten; voor de zoölogie bestuderen we de evertebraten (de ongewervelde dieren). Na januari krijgt zoölogie 2 practica en botanie één.
Ook het roeien gaat fanatiek van start. Herman en ik maken deel uit van de Phocas acht. We zitten met een aantal rechten- en medicijnenstudenten in die acht. ’s Morgens om 7 uur zitten we al op het Maas- Waalkanaal, want de 2 biologen moeten om half negen op het practicum zijn. We trainen 2 ochtenden in de week. Het roeien in een acht is een heel aparte ervaring. De coach fiets langs het kanaal en geeft met een toeter aanwijzingen aan stuurman en roeiers. Er is gelukkig heel weinig scheepvaart in het kanaal.
Ook in de winter oefenen we door, als er tenminste geen ijs ligt. Onze boot heet de van Ogtrop, genoemd naar een van de studentenpastores, die tevens medeoprichter van de vereniging is.
Mijn verblijf bij de familie van de Bemt in de Voorstadslaan is wel gezellig, maar heeft ook zijn nadelen. Moeder van de Bemt houdt van een praatje, want ze is overdag ook maar alleen. Ik ga op zoek naar een kamer in de buurt van Heyendael, waar ik mijn practica en colleges heb. Na drie maanden verhuis ik naar de Kastanjelaan, pal tegenover het kasteeltje van Heyendael.
De familie Vos heeft nog een klein kamertje over van drie bij twee meter. De huur is f 32,50. Ik ga op zoek naar een opklapbed en een Haller-petroleumkacheltje om de boel warm te krijgen. Een stoel en een klein tafeltje maken het meubilair compleet. Ik zal er niet veel zijn. Overdag ben ik continu op Heyendael. Tegen vijf uur gaan we met zijn allen naar de mensa aan de Oranjesingel 42, waar de warme maaltijd 90 ct en een toetje 10 ct kost en waar ook het Nijmeegs Studentencorps ”Carolus Magnus” zijn zetel heeft. Door inschrijving aan de Katholieke Universiteit Nijmegen was elke student of studente automatisch lid van ”Carolus Magnus”. Het Corps wordt bestuurd door de Senaat, bestaande uit 5 leden en bijgestaan door een moderator. De senaat heeft zeggenschap over de mensa academica (= eetgelegenheid voor studenten) en vele andere commissies. De studentenverenigingen De Meisjesclub, Roland en Diogenes ; de sportverenigingen Studenten Roeivereniging Phocas, Studenten Rijvereniging, Studenten Voetbalvereniging en de Studenten Schermvereniging: de Wetenschappelijke Verenigingen of Faculteitsverenigingen, allemaal maken ze deel uit van het Nijmeegs Studentencorps ”Carolus Magnus”.
Zo ook de in 1957 opgerichte Nijmeegse Biologen Vereniging. De eerste praeses is Lou Smets. In november 1958 geeft hij het stokje over aan mijn jaargenoot en Jezuit Ab Thiadens. Hij komt op het lumineuse idee om nog in 1958 het nulde lustrum te vieren.
Het curriculum biologie heeft 2 hoofdrichtingen, nl. Botanie en Zoölogie. In ons eerste jaar omvat de stof voor de botanie de cormophyta of lagere planten. Voor de zoölogie zijn dat de ongewervelden of lagere dieren. Voor elke hoofdrichting zijn 2 uur college en 4,5 uur practicum per week beschikbaar. Voor de onderdelen Genetica en Chemische Cytologie krijgen we 2 uur college pper week. Voor Physische Chemie, Organische Chemie en Physica is 1 college en 1 practicum van 3 uur per week per vak beschikbaar. Voor de vakken: Statistiek, Geologie, Palaeontologie (Fossielen) en Wijsbegeerte, is 1 college per week uitgetrokken.
We beginnen de studie met ongeveer 30 man/vrouw, maar na enkele maanden zijn er nog maar 20 over. Hieronder bevinden zich 2 priesters: Tiny van de Kant (Klooster Brakkestein) en Ab Thiadens s.j.. Verder de dames Kätchen Olthof, Laura Stoffers, Marijke van Duijse en Stan Kruse. Dan nog de heren Piet van der Lee, Herman Nieste, Koos Teppema, Gijs Vrensen, Constant Wijffels, Hugo de Vries, Ton Ederveen, Sjeng Gardeniers, Peter Houwen, Paul Holterman, Dion Joppe, Carl Elassais en mijn persoon: Albert Gelissen.
Wie zijn onze professoren? Prof botanie is Hans Ferdinand Linskens. Afkomstig uit Keulen, maar spreekt na 1 jaar al voortreffelijk Duits. Zeer energiek en geeft goed en boeiend college.
Prof zoölogie is mijn vroegere leraar biologie Dr. L. van Nieuwenhoven s.j..Hij is gepromoveerd op de sluitspier van de mossel (Mytilus edulis L.). Zijn colleges zijn goed verzorgd.
Voor Genetica hebben we Prof. Dr. Geerts en voor Chemische Cytologie Prof .Dr. Kuyper.
Fysika probeert ons Prof. Vendrik bij te brengen en organische chemie Dr.van Oss. Dr.Theunissen geeft Geologie en zijn collega Dr. Kruizinga uit Utrecht laat ons kennismaken met Trilobieten, Ammonieten, Brachiopoden etc., kortom de Palaeontologie. Hun colleges worden besloten met een excursie van enkele dagen naar Winterswijk en Bentheim en een excursie naar Gerolstein in de Eifel met het Buchenloch en de vele Maren.
Het meeste plezier beleef ik echter aan de colleges Inleiding in de Wijsbegeerte van Professor van Melsen. Zijn colleges worden door vele studierichtingen gevolgd en de collegezaal zit altijd goed vol.
De plaatselijke excursies op de vrijdagmiddag worden o.a.besteed aan de flora. Goed bijgebleven is de mossenexcursie onder leiding van de auteur van de mossentabel, afkomstig uit Utrecht, de heer Margadant. Hij ging met ons naar het Philosophendal in de buurt van de Duivelsberg in Berg en Dal. (Ik bewaar nog steeds tientallen mossen, die we toen gevonden hebben, in papieren zakjes, anno 2011).
Onder leiding van dr. Gé van den Ende werden in de herfst en in het voorjaar paddestoelenexcursies gehouden. Jo Mertens wist een groep biologen, waaronder ik, enthousiast te maken voor het bestuderen van de vogeltrek bovenop de stuwwal. Dat was vroeg opstaan om allerlei vogels te tellen. Hoewel van oorsprong botanicus, ontpopte Dr. Oomen zich als een echte vogelaar. Hij was nu ook lector in de Zoölogie. Samen met Dr. Hannie Geelen en Dr. Becht, verzorgde hij ook het practicum ”Ongewervelde Dieren”.
Met hen gaan we eind mei een week naar Den Helder voor een kennismaking met de Wadden en met wat daarin leeft. We logeren in de Walvis, een logeergebouw voor studenten. Den Helder heeft ook een groot zeeaquarium. Er is gelegenheid om plankton uit zee te bekijken.

Met de Acht van Phocas gaan we met een aantal roeiwedstrijden in den lande meedoen. Daar gaat altijd een heel weekend mee gepaard.
Heel goed bijgebleven is mij de wedstrijd in Zaandam. We werden bij Zaanse gezinnen ondergebracht. Die nacht heb ik bijna geen oog dichtgedaan. Het gekwaak van de kikkers was zo heftig dat er niet bij te slapen viel. Daarbij kwam dan nog de spanning van de wedstrijd op zondagmiddag. Ik maakte ook nog een misslag, een zogenaamde ”snoek”.
Eerste zijn we niet geworden. We roeiden nog ergens een wedstrijd, maar toen was het ook afgelopen.
De vele excursies die we als biologen aan het eind van het collegejaar maakten waren niet te combineren met het roeien. Herman Nieste bleef wel lid van Phocas en maakte carriere binnen de roeivereniging.
In februari 1959 gaan we ook naar artis. We krijgen een speciale rondleiding door Han Rensenbrink, bekend van de TV. Ook directeur Jacobi, met hoed, geeft acte de presence.Hij vertelt ons alles over de wasberen.
Met van den Ende van botanie gaan we op een middag naar de Bavaria brouwerij in Lieshout,Noord-Brabant. Hier kunnen we het hele proces van begin tot eind volgen. Het kiemen van de gerst, het kweken van de gist, het maken van de mout en uiteindelijk het omzetten van het zetmeel in suikers en deze laatsten door de gist in alcohol. Dan wordt het mengsel met een flinke hoeveelheid hop in grote koperen ketels gekookt. Het resultaat mochten we volop proeven in een klein zaaltje. De stemming in de bus terug, was zeer goed te noemen.
Begin juni gaan we met Linskens en Stoffers op excursie naar Zuid-Limburg. Op zoek naar het zinkviooltje in het Geuldal. Ook de Heimansgroeve wordt aangedaan. Hier zijn dunne steenkoollagen te zien. We doen ook een klein winkeltje aan om wat drinken en snoep te kopen. Een oudere vrouw helpt ons, samen met haar dochter. Ze hoort dat we biologen zijn en vraagt vervolgens aan haar dochter:”Biologen, wat sind dat vuur luuj?”
”Ach, mam, biologen, dat sind luuj, die wete wie het onkroet heesj”. Biologen zijn dus mensen ,die weten hoe het onkruid heet.
Ook het onderste en het bovendste bos worden bezocht. Ik ben weer op bekend terrein, want hier was ik ook al eens in mijn militaire diensttijd.

wordt vervolg





html hit counter




email me
mailbus van Sjilvends
home
Begin van Sjilvends