Harry Snoek en herinneringen aan ontmoetingen met oud-dorpsgenoten.





snoek snoek


Brunssum, juni 1944.
Een aantal Sjilvenders zijn geslaagd voor het ”Middenstands Diploma”. De school was in een privé huis aan de Doorvaartstraat in Brunssum.
achterste rij: 2de van links is Canisius, de 5de van links is Joeën Stevelmans en tweede van rechts is Harry Snoek.
Harry Snoek geboren in 1922 in Tiel en anno 2012 wonend in
Breukelen. Hij heeft Sjilvend nooit uit zijn hart verloren, zoals deze korte verhalen vertellen.

Mia Benders (van de Eindstraat) als ”Persil-adviseuse”

Op zekere zonnige zomermorgen belt mijn collega Joost mij op. Joost was Hoofdinkoper bij het bedrijf waar ik werkte en met wie ik regelmatig zakenreizen diende te maken, tenminste als er advies nodig was op het gebied van mijn specialisatie. Nu was Joost ook een beetje een Bourgondisch type en dus konden de ”koopman” en de ”techneut” het goed met elkaar vinden.
”Harry,” zo begon zijn telefoontje: ”Ik heb hier een dame op bezoek, een beeldje van een vrouw, vol charme, die beweert jou te kennen en zij zou graag met jou spreken. Kun je dus even naar mijn kantoor komen en gezamelijk een kopje koffie drinken?”
Zo gevraagd zo gedaan, maar op mijn vraag wie die dame dan wel was, nee dat moest een verrassing zijn. Dus ik, zit mijn dasje goed, zit mijn jasje goed, naar het kantoor van Joost. Daar aangekomen, viel mijn mond van verbazing open. Daar zat in al haar charme en ranke verschijning ... Mia Benders van de fam.Benders aan de Eindstraat. Het eerste wat mij inviel: Hier heb je de Maria-Madonna met wie ik in 1943 met Kerstmis heb samengespeeld in het toneelstuk ”KERMISVOLK OP KERSTMIS”.
Ja, Mia die al in haar jeugd een toneeltalent was, speelde natuurlijk de vrouwelijke hoofdrol van Maria. Ja, daar zat zij dan weer en ... speelde haar rol weer voortreffekjk. Ja, zij was schoonmaakmiddelen adviseuse bij Persil en wel voor promotie bij grote bedrijven. Nu was in die branche natuurlijk ook volop concurrentie en om binnen te komen had de slimme Mia gebruik gemaakt van haar ter ore gekomen info, dat ik bij dat bedrijf werkte en een nogal goede functie had. Via de telefoon had zij Joost benaderd en zo losjes weg laten vallen dat zij de heer H.S. goed kende want zij had vroeger met hem samen toneel gespeeld (Just one time).
Joost, niet dom, ”wie weet ... die brave Harry !?”
Mia kreeg haar afspraak en het eerste wat Joost deed was niet praten over de fameuze Persil producten maar liet zijn collega komen. Nou, dat wist die Mia fantastisch uit te buiten. Jonge, jonge, die Harry uit Schinveld, was altijd in haar ogen een knappe kop geweest. Hoe het met mijn lieve vrouw en kinderen ging, (haar nichtje Hilda van de Benders-winkel op de Beekstraat had wel eens een oogje aan mij gewaagd, maar ... ik was natuurlijk niet voldoende standes-gemäsz. Of zij wist dat ik datzelfde oogje op Hilda had gehad, wie weet het? Natuurlijk werd mijn rol in dat stuk Kermisvolk op Kerstmis door Mia in alle geuren en kleuren uitgemeten,en om eerlijk te zijn, ik zat er kennelijk een beetje verlegen bij.
Joost genoot in alle opzichten van dit geheel en zag onverwachte aspecten van zijn serieuze techneut-collega. Mia timede voortreffelijk en ging toen over op het eigenlijke doel van haar bezoek, de Persil-producten en hun afzet bij dit grote, moderne en voortreffelijke bedrijf. Ja, hoor de Maria-Madonna, tevens lid van het Zuid-Limburgs toneel, speelde haar rol voortreffelijk. Bij haar betoog en voorbeelden stond zij letterlijk en figuurlijk op de BÜHNE. Joost, de koele ravenzwarte inkoper versus de hoogblonde Madonna.
Ja, toen kon ik geamuseerd toekijken en zag mijn, overigens ook getrouwde, collega bezwijken onder haar charmes. Joost nodigde haar en mij uit voor een lunch in ons voortreffelijke gasten-restaurant en daarna zou hij haar introduceren bij het hoofd van onze huishoudelijke dienst: ene Mevrouw ... .
lk zag Mia even onthust kijken maar ze herwon haar houding weer direct. Dus wij naar de lunch en daar ging Mia weer over op haar charme-techniek. Dus al gauw vertelde Joost (ouwe jongens onder elkaar) wie die Mevrouw van de Huishouddienst zo'n beetje was. Het was n.l. een jonge Kenau van Mia's leeftijd, afgemeten, statig en vooral zelfbewust en voorzien van de beste opleiding op het gebied van industrie-huishouddîensten. Dus ahw het tegentype van de charmante toneelspeelster, Mia.
Enfin, na de lunch nam ik afscheid want bij het gesprek tussen deze twee dames was ik niet nodig, ik wist zelfs niet wat voor middelen mijn eigen vrouw in ons huishouden gebruikte. Wel kreeg ik een aantal Persil-proefmonsters voor mijn vrouw (met de allerliefste groeten) mee.
Aan het eind van de middag, tegen het naar huis gaan belde Joost: ”Heb je zin om nog een biertje te drinken ?”
”Vooruit, maar dan wel maar eentje, want ik moet vanavond met mijn vrouw naar de school van de kinderen.”
Kort en goed,het werden twee biertjes en toen vertelde Joost mij, hoe deze oh zo charmante Schinveldse dame haar toneelrol inderdaad buitengewoon goed kon spelen. Toen onze Huishouddienstdame ten tonele verscheen, speelde Mia op voortreffelijke wijze haar adviseuse rol, charme was zakelijkheid geworden en ... liet de deskundigheid van de Huishouddienst-dame volkomen intact, legde waarde op haar oordelen etc. etc. Joost sprak; ”Verdomme Harry ze speelde het klaar om onze dame reclame te laten maken voor haar Persil-producten. Als jij uit datzelfde dorp komt en les in toneelspelen van deze dame hebt gekregen, dan mag ik in het vervolg wel op mijn tellen passen bij jouw adviezen.
Wij lachten hartelijk en gingen naar huis (deze keer echt nuchter!)
Ca. 4 weken later kreeg ik een telefoontje van Mia en zij bedankte mij voor mijn bijdrage. Zij had een prachtige order kunnen boeken en dat bewees hoe Schinveldenaren toch prachtig konden samenwerken en dat wij onze rollen van Kermisvolk op Kerstmis weer voortreffelijk hadden vervuld.
Ik heb Mia nooit meer gezien en/of gesproken. Krantenberichten vertelden mij over de wonderlijke Limburgse vrijgezellenbeweging en kongressen en ... waarin Mia Benders uit Schinveld weer een prominente rol in speelde. Later vernam ik dat ze met een prominent lid van deze vnjgezellendub was getrouwd en in Grevenbicht woonde. Eind goed, al goed en het rollenspel was goed geeindigd. Zo bleef Schinveld weer in mijn gedachten latent en met enige weemoed aanwezig.

H.L.S.




Haarie en de jonge pul*.

Haarie woonde met zijn ouders in een oude boerderij met een grote binnenplaats (zonder mesthoop) met aan twee zijden oude stallen. Nu waren de ouders van Haarie echte Hollanders, zijn vader was ooit op de mijn komen werken. Gezien de gewoonte in Schinveld, ging hij ook zijn tuin bewerken, kocht kippen en een haan en hield uit liefhebberij ook enige konijnen waaronder enige mooie grote Vlaamse reuzen. Haarie, nauwelijks enig plat sprekend, diende elke dag bij de overbuurman ... de grote boerderij de Haufe*, een of twee liter melk te halen. Zodoende kwam hij ook in aanraking met de familie Jacobs, die de Haufe hadden gepacht.
Sjeng, de zoon, was evenals zijn vader een nogal lollige figuur, daarbij altijd te vinden voor een grapje. Toen Haarie eens enthousiast sprak over de witte jonge leghorn pullen die zijn vader had gekocht zei die Sjeng: ”Haarie jij moet een brede witte streep op de grond maken, dan vang je zo’n jonge pul, leg je handen over haar ogen, daarna leg je de pul met een oog op die witte streep.”
”En dan ?” vroeg Haarie.
Sjeng deed heel gewichtig en ernstig en zei: ”Die pul blijft dan gans stil liggen, enne ... het is of ze dood is. Je laat ze stil liggen en als je moeder dat ziet denkt ze dat de pul dood is. Als ze dan de pul opraapt schrikt ze zich een hoedje, want dan is die pul toch springlevend !”
Haarie knikte ernstig en ging met zijn twee liter melk naar huis, maar de gedachte aan die truc met de pul liet hem niet los.
Enige dagen later, op een zonnige woensdagmiddag (wij hadden dan geen school) ging Haarie aan de slag. Met het restje kalk dat hij in een der stallen vond maakte hij een brede, witte streep op de binnensplaats. Met veel moeite ving hij een mooie witte leghorn, dat moest natuurlijk voorzichtig gebeuren want moeder was thuis. Enfin, toen Haarie zijn pul in de handen had, voorzichtig een hand over haar ogen hield, ging hij op weg naar zijn streep, stiekem loerend of zijn moeder niet keek.
Bij de streep aangekomen knielde Haarie voorzichtig neer en met een draai legde hij de pul met één oog op de witte streep en hield het andere oog, zoals Sjeng had gezegd, nog een minuutje met zijn hand bedekt.
Toen liet Haarie de pul voorzichtig los en tot zijn grote schrik bleef de pul inderdaad doodstil liggen, zo stil dat Haarie dacht dat ze dood was. Haarie werd lijkbleek en wilde net zijn moeder gaan roepen, maar deze was al onderweg. Toen zijn moeder de witte pul ”als dood” zag liggen onstak ze in woede want zij dacht dat haar fraaie Haarie weer een van zijn streken had uitgehaald.
Woedend kwam zij aan, stak haar hand uit naar de pul en toen zij deze opraapte begon deze luid kakelend te spartelen, wrong zich los en ging er als een witte tornado vandoor.
Haarie, van de schrik bekomen begon luidkeels te lachen en dat maakte zijn moeder natuurlijk nog bozer. Even later liep Haarie als een wervelwind over de binnenplaats met achter zich zijn moeder, die inmiddels haar mattenklopper had opgehaald.
Zlj kreeg haar Haarie natuurlijk te pakken en de rest mag geraden worden. Haarie heeft nooit meer naar de grappen van Sjeng van de Haufe geluisterd.

H.L.S.


* Een pul is een jonge kip, die nog geen eieren legt.
* De Haufe was een verbastering van de helft. ”De Haufe” was een pachtboerderij, waarvan de exploitant de helft van de oogst moest afdragen aan de eigenaar.




De vader van Haarie en de haan die geslacht moest worden.

De ouders van Haarie hadden een mooi toompje witte leghorns gekocht, met daarbij een mooie statige haan. Zlj hadden in hun oude boerderij plaats genoeg voor een goede kippenstal en de kippetjes konden op de binnenplaats heerlijk rondscharrelen. Na verloop van tijd bleek dat een der pullen toch een haan was. Dat ging een tijdje goed maar toen de pullen aan de leg gingen kregen de oudere en jongere haan natuurlijk de nodige problemen met elkaar. Het liep tegen de Kersttijd en toen zei Marie (de moeder van Haarie) tegen haar man: ”Johan, de jonge haan moet weg, slacht hem maar en dan hebben wij met de Kerstdagen een fijne ketel soep en een goed stukje vlees in de pan.”
Nu was die Johan geen held in het slachten van dieren. Van de konijnen die hij had moest er af en toe ook eentje in de pan maar dat slachten deed een buurman altijd en wel als Johan er niet bij was.
Johan keek eens een beetje om zich heen en zei; ”Moet dat nu persé? Die jonge haan kan best nog wat groeien.”
Nee. Marie was beslist en zei: ”Die twee hanen vechten te veel en dus moet er een de pan in, slacht die jonge haan maar, basta !”
Nou dat was iets voor mijn goede vader. Hij zei: "Ja.”
Maar van het slachten kwam de eerste dagen niets. Er ging een week voorbij en toen zei mijn moeder: ”Johan, vandaag wordt die haan gesiacht.”
Tegenstribbelen hielp niet meer. Er werd een houtblok geplaatst, er werd gekeken of de ”hiep” nog scherp genoeg was en ... de haan werd met veel moeite gevangen. De slachtceremonie nam zijn aanvang. Moeder maakte een grote ketel heet water klaar om de geslachte haan in onder te dompelen zodat de veren makkelijker geplukt konden worden.Toen alle voorbereidingen getroffen waren gingen wij in optocht (vader, moeder en ik) naar de slachtbok. Vader had de grootste tegenzin om het mooie dier zijn kop af te slaan en probeerde of hij moeder niet kon overhalen de haan te koppen. ”Nee, hoor dat is mannenwerk !” zei mijn moeder. Zij zei er nog wat bij: ”Johan doe niet zo flauw, het is maar een haan en met de Kerst hebben wij dan een fijne ketel soep en een lekker stukje vlees.”
Daar ging dan de optocht naar het slachtbok. Mijn vader bekeek de hiep nog een goed, legde de tegenspartelende haan op het blok en met afgewende blik sloeg hij het beest de kop af. Van afschuw liet hij het goede beest te vroeg los en ... daar liep de haan zonder kop een rondje op de binnenplaats, een duidelijk bloedspoor achterlatend.
Johan vloekte eens flink en liep meer dan lijkbleek naar binnen. De moeder van Haarie stond verbaasd te kijken en Haarie deed van schrik bijna in zijn broek.
Marie stelde toen de historische vraag: ”Zijn dat nou kerels ?”
De haan had zijn twee rondjes, zonder kop, gelopen en viel neer. Mijn moeder pakte hem op en begon aan haar actie. Hup, in het hete water en daarna veren plukken. Wat zij ook probeerde en zei; mijn vader stak geen hand meer uit om de haan open te snijden en inwendig te ontdoen van de niet bruikbare organen.
”Mannen,” zo sprak mijn moeder: ”Zijn in wezen allemaal slapswansen !”
Het werd Kerstmis, mijn moeder maakte een heerlijke kippensoep en de haan werd goudbruin gebakken (want bakken en braden verstond mijn moeder als de beste). Maar het Kerstmaal werd een fiasco. Mijn moeder en ik smulden heerlijk van de soep en de haan. Mijn arme vader zat erbij, kreeg geen lepel soep door zijn keel en at zelfs niet het kleinste stukje van de gebraden haan. Voor hem alleen aardappelen en groente en ... pudding na.
Ondanks dat wij later nog wel eens een eigen slachtkip aten, heeft mijn moeder nooit meer aan haar Johan gevraagd om een kip of haan te slachten, maar als er zo’n beest op het menu stond zag ik mijn vader steeds met enig afgrijzen terugdenken aan zijn haan, dle zonder kop ronddoolde op onze binnenplaats.
Ja, en mijn moeder ...? Zij plaagde haar Johan dan nog wel eens met zijn haan zonder kop.


H.L.S.


Der Toni Dohmen van het café ”Im weissem Rössl”

Het café Dohmen gaat in mijn herinnering terug tot mijn schooljaren en vooral die jaren dat ik met mijn ouders en broer en zusters aan de Broekstraat woonde. Ik kwam er wel eens met mijn vader. Nu was mijn vader absoluut géén type wat men een café-loper zou kunnen noemen. Maar zo af en toe ging hij er wel eens heen. Dit gebeurde vooral in de wintertijd als er wel eens een haas of wild konijn werd uitgetoept. Toepen is eens typisch Limburgs kaartspel (ook wel eenendertigen genoemd). Bij dit haas of wild konijn uittoepen werd door iemand zo'n beestje ingezet en om het beestje te kunnen winnen werden een aantal potjes toepen gespeeld en de spelers dienden dan een bepaalde entree per potje toepen te betalen, zodat de bezitter van de haas of konijn ”zijn gedachte prijs” kon innen. Aangezien het meestal ging om wilde hazen en konijnen, die uitermate lekker smaakten was de belangstelling veelal groot. Het werd dan ook van tevoren in het café Dohmen aangeplakt. Ja,dan ging mijn vader ook wel eens. Mijn moeder zag dat niet zo graag, want zij kende mijn vaders hartstocht voor het kaartspel.
Dit uittoepen gebeurde vaak direct na de hoogmis.Vele mannen en jongelui hadden in die jaren de gewoonte na de hoogmis enige drankjes te gaan nuttigen en dat werden soms wel meer dan enige en werd het feit dat er om ca. 12.30 uur werd gegeten, wel eens dik vergeten. Ja,als vader zijn ”haas ging toepen”, dan werd ik door moeder meegestuurd met de strikte opdracht vader met etentijds te bewegen thuis te zijn. Dit lukte mij meestal niet en ging vader ijverig door tot iemand zei: ”Snoek doa kummt dien vrouw aan.” De haas of konijn was dan nog niet uitgetoept, maar vader wilde met zijn Marie geen woorden hebben en stond dan op, rekende af en ging trouw naar huis.
Het café Dohmen was een nette zaak, in de week was het meestal niet open, wel op zaterdag en zondag. Naast hun zaak hadden de ouders Dohmen er ook nog zon beetje boerderij bij, ik meen meen twee koeien en enige varkens, verder een grote moestuin en diverse stukken land. Het café was gelegen aan de kant van de Gaatstraat en was één grote zaal met in het midden een grote tapkast. Middenop stond de grote aardenwerken tapkraan met een mooie weergave van een jagerstafereel met o.a. een groot hert met een prachtig gewei. Verder had men een groot biljart alsook een biljartclub, die nogal goede spelers had. De oude Dohmen was een niet al te grote maar stevige man met een mooie grijze snor. Op mij kwam hij nogal streng over en hij duldde in zijn zaak geen flauwekul en zeker geen ruzies. Moeder Dohmen was groter en een stillere vrouw, die de indruk maakte dat ze nogal ziekelijk was. Zij hadden nog twee kinderen thuis, een wat oudere ongehuwde dochter en der Toni, die een nakomer was en daarbij een fantastisch goede biljarter.
Eén winternamiddag herinner ik mij nog heel goed. Er werden op een zondagmiddag drie hazen uitgetoept en daar wilde vader bij zijn. Aanvang na het lof van 3 uur. Toen ik uit het lof thuis kwam (ik was misdienaar moest er dus heen) zei mijn moeder: ”Ga jij naar Dohmen, want je vader zit daar weer eens een haas uit te toepen en zorg dat hij om 6 uur thuis is voor het avondbrood.”
lk ging met vreugde want ik vond het best gezellig. lk kreeg van vader dan een glas limonade en ook later een stukje chocolade en ik had de kans om ook wel eens het biljarten te proberen, waarbij dan der Toni de nodige richtlijnen gaf. lk moet erkennen dat ik het biljarten nooit goed geleerd heb.
Met drie hazen uittoepen was het natuurlijk een hele drukte en zoals gebruikelijk werden naast het kaarten óók de nodige drankjes gebruikt. lets wat de algemene stemming alleen maar beter én luidruchtiger maakte. Mijn vader was in zijn element en toepte er vrolijk op los. Maar een haas winnen was er voorlopig niet bij. De tweede had hij bijna maar hij had zich kennelijk vergist in zijn berekening wat de tegenpartij voor kaarten had. Want zo was mijn vader, hij berekende zijn kansen zeer zorgvuldig en voor hij begon te bieden zag je hem diep nadenken over wat hijzelf aan kaarten in zijn handen had en wat de mogelijkheden van de andere spelers zouden kunnen zijn. Aangezien het uittoepen over meerdere spellletjes ging stond hij bij de tweede haas op kop, maar in het laatste toepspel had hij zich kennelijk vergist en verloor. lntussen was de tijd al aardig opgeschoten en ik waarschuwde mijn vader dat het tegen 6 uur liep. Nee, hij zou de derde haas winnen. lk kreeg nog een glas Komol-limonade en daar ging vader weer. Het werd een verwoed gevecht en vader dronk, tegen zijn gewoonte in, enige ”elskes”.
Het werd half zeven en de haas zat nog steeds in de pot. Ja, moeder die dacht dat wordt weer een late en begaf zich op weg naar café Dohmen dat maar enige honderden meters van ons huis lag. Zij keek door de gordijnen en zag haar Johan met verhit gezicht toepen. O, dacht ze, dat gaat te ver, ik zal maar naar binnen gaan. Toen zij de deur open deed, riep er natuurlijk een: ”Snoek, doa kumpt dieen vrow dich hoale !”
”Verdomme,” sprak vader: ”Ik ben aan de laatste ronde en ik sta weer op kop. Even wachten Marie,” zei hij: ”Direct heb ik de haas!”
Verdraaid, hij won hem inderdaad. Triomfantelijk toonde hij de haas aan moeder en gaf hem haar met de woorden: ”Marie, dat wordt een lekker potje.” Hij dronk nog een ”elske”, betaalde en ging in de arm van zijn Marie naar huis. Dat in de arm was na de diverse elskes wel nodig. Moeder mopperde zachtjes voor zich heen, maar zij hield de gewonnen haas stevig vast en in die week hadden wij een lekker hazeboutje in de pot.
Ja, der Toni, hij was een nakomer, had een goed kopje en ging na de lagere school naar de Mulo, die hij vlot afmaakte. Na de Mulo werd het toch de mijn, waar Toni hoopte het met zijn Mulo-diploma verder te brengen. Maar na enige jaartjes zag hij de ”koel” niet meer zo zitten en kwam thuis in de zaak, want de ouders werd het toch te veel.
Der Toni kreeg verkering met Gertud van Zillen (onze slager), trouwde met haar en ging met haar bij zijn ouders wonen, want daar had hij tenslotte zijn broodwinning. Zo af en toe kwam ik later nog wel eens bij der Toni in het café, echter niet veel want ik had geen tijd en geen geld voor deze zaken. lk trouwde, woonde op de Emmastraat maar als ik naar mijn ouders ging dan dronk ik wel nog eens een pilsje bij der Toni. De boerderij was intussen verleden tijd en men had verbouwd, er was een zaaltje bijgekomen voor familiefeestjes en het café had een naam gekregen: ”Im weissem Rössl”. Ik zie nog het mooie uithangbord voor mijn ogen.
Voordat ik in 1952 naar Daf in Eindhoven vertrok ging ik nog eens bij der Toni langs en vertelde hem dat ik bij Daf in Eindhoven een goede baan had gekregen en veel meer ging verdienen. Ja, met bijna drie kinderen (Jac was op komst) was dat wel nodig. Ja, Toni en Getrud hadden intussen ook al de nodige kinderen en der Toni begreep het wel, maar weg uit Schinveld en Limburg, nee dat was niets voor hem. Maar zei hij: ”Jij bent tenslottte een Hollander, dus dat wennen zal wel gaan, maar denk eraan dat men daar wel een heel andere mentaliteit heeft en ten slotte ben jij toch een Sjilvender geworden.”
Ik ging, zat in een pension, het wilde met de woning, die men mij had toegezegd niet te best lukken. Vertraging en toen Jac was geboren (op Witte Donderdag) ging ik op 2e Paasdag na de hoogmis toch even bij der Toni een biertje drinken en gedag zeggen. Ten slotte, één dochter en twee zonen dat was toch ook niet niks. lk bestelde mijn biertje en bleef aan de teek staan. Toen der Toni even tijd had maakte hij een babbeltje met mij. Hoe het ging in Eindhoven etc. lk vertelde zo het een en ander, en opeens zei: ”Harry, het valt mij op dat jij veranderd bent, je ogen hebben een andere uitdrukking, harder, zakelijker en ook je spreken is veranderd. Je bent geen Sjilvender meer, maar een echte zakelijke Hollander geworden.” Ik schrok even en lachte vrolijk. ”Ja Toni, het is er inderdaad anders dan hier, maar een mens moet zich aanpassen want anders red je het niet. Ik ben er natuurlijk heen gegaan om er beter van te worden.” ” Ja, ja, zei der Toni, geef mij toch maar het gemoedelijke Zuiden.”
Enige jaren later, wij woonden al diverse jaren in Eindhoven, ik was de zelfbewuste chef van het Laboratorium en Harderij geworden, reisde voor Daf heel Europa door en zag de wereld niet alleen breder dan Limburg, nee, zelfs veel breder dan Nederland.
Wij waren in Brunssum, met de kinderen bij de ouders van Corry. lk mocht er dan altijd een uurtje tussenuit om naar mijn Schinveld te gaan kijken. Ja, een bezoekje bij der Toni was er natuurlijk bij. Het was niet druk en hij kon de tijd nemen om met mij even een drankje te genieten en te babbelen. Zijn vrouw Gertrud nam de bediening even over.
Al pratende viel mij op dat ook der Toni veel zakelijker was geworden en niet alleen in zijn doen en laten maar ook in zijn praten. Toen ik hem met een glimlach eraan herinnerde dat hij mij vroeger daar ook eens opgewezen had sprak hij: ”Ja Harry, de tijden zijn toch ook hier aan het veranderen, ik heb intussen een groot gezin, (ik dacht dat zij vijf kinderen hadden) en er dient dus brood op de plank te komen. Naast het café doe ik er nog iets bij (fijn dat de Mulo heb gehad) en zodoende dient een mens wel wat zakelijker te worden. Wij spraken vervolgens nog over mijn doen en laten en mijn gezin en het feit dat er géén enkele Snoek (mannelijk noch vrouwelijk) meer in Schinveld woonde.
Enige jaren later was ik er nog eens, gedurende een Carnavalsmaandag. lk dronk mijn biertje, maar der Toni had het te druk, wel een hartelijk ”Hallo Haar !”
Gedurende de reunie van mijn Meester Peeters klas, in 1962 en 1972, heb ik der Toni ook nog wel eens bezocht. Het was altijd prettig hem doende te zien én dat hij evenals ik toch ouder werd. Enige jaren geleden (ik denk 1994/95) toen ik nog een langs wilde gaan, bleek dat der Toni zijn weissen Rössl verlaten had en dat ook geen van zijn kinderen het had overgenomen. Der Toni was evenals ik ”in ruste gegaan”.
Een paar maanden geleden belde Jan Kampstra op. Hij was en is met Anneke Scholl getrouwd en die was een goede vriendin van Getrud geweest én gebleven. Jan deelde mede, dat ik de groeten van Gertud Dohmen-Zillen moest hebben. Zij, hij en Anneke, waren in Schinveld op de begrafenis van der Toni geweest.
Ja, op zo’n manier wordt je eraan herinnerd dat de tijden voorbij vliegen en dat je tot een generatie behoort waar de een na de ander afscheid dient te nemen. Naast de hennnering aan der Toni, kwam natuurlijk ook mijn vaders liefhebberij ”het toepen om een wilde haas of konijn” weer boven drijven.

Breukelen, augustus 2000

Harry L. Snoek







email me
mailbus van Sjilvends
home
Begin van Sjilvends