Zuid-Limburg



Het land waar ik nog steeds met enige weemoed aan terugdenk

Ja, waarom specifiek Zuid-Limburg? Midden- en Noord-Limburg zijn toch ook beslist mooi en tot ver boven Venlo spreekt men toch ook dat kenmerkende Limburgse dialect. Ondanks dat ik die gebieden vrij goed ken, is het toch steeds een zekere weemoed gebleven naar dat Zuid-Limburg. Ja, waarom?
Ik denk om meer dan één reden. De eerste en voornaamste is, dat ik sinds mijn 4de jaar in dat land ben terecht gekomen. Door de crisis van de jaren 20 was mijn vader naar de mijnstreek afgedaald. In 1926 gingen wij in Brunssum wonen en wel op de EGGE, een der kolonieën (de klemtoon op de laatste lettergreep laten vallen) van Brunssum. Mijn vader was op de Staatsmijn Hendrik te werkgesteld en wel als ondergronder, dus als een ”echte kompel”. De Limburgers zeiden: ”Koempel” Geen wonder, ze waren in velerlei ogen halve Duitsers.
Mijn moeder zag de kolonie niet zo zitten, te veel vreemd volk (allochtonen zeggen wij tegenwoordig). Polen, Tsjechen, Joegoslaven met daarnaast toch ook wel Brabanders, Drenten, Friezen en zelfs Groningers. Nee, mijn moeder van origine een Zeeuws-Vlaamse, die voelde zich daar niet zo thuis. En ... mijn vader, die ging gewoon met moeder de vrouw mee.
In dat Brunssum ging ik eerst naar de kleuterschool hij de Zusters Vintianessen, met grote witte Bretonse kappen en kraag en verder in lang ”jeans” blauw. Met goed 5 jaar ging ik per 1 april (ja, per 1 april) naar de lagere school bij Meester Claessens, in de Doorvaartstraat. Ja,ik was een bijdehandje, enigst kind, die met alle regels der kunst door moeder én vader kennis werd bijgebracht. Kennis op twee gebieden; nl. godsdienst en schoolkennis. Toen ik hij de Rumpense nonnetjes kwam, jawel hoor, kruisteken, Onze Vader en Wees Gegroet, kon ik vlot in het ”Frans”. Mijn moeder was van verre Franse afkomst een ”du Souvain”. En in Zeeuws-Vlaanderen, nou ja, daar parlare ze meer Vlaams met de nodige Francofiele mengsels. Ja, mijn vader was, wat men voor die tijd zeker een goed geschoold man mocht noemen. Maar het was een bittere crisistijd, dus ... Zuid-Limburg!
In 1927, zo ongeveer augustus-september verhuisden wij naar Schinveld. Een grensdorp, zo’n 3 km. oostenljk van Brunssum. Mijn ouders hadden daar drie kamers gekregen bij een familie die net een groot, nieuw huis hadden gebouwd. De eigenaar en zijn vrouw waren typische Limburgers. De heer des huizes was het prototype van een gehuwd man, die naast zijn ”koelwerk” nog een beetje erbij boerde. Dit laatste was overigens een groot kenmerk van de Limburgse dorpen.die men tegenwoordig de ”ONDERBANKEN” noemt.
In dit dorp, ”SJILVEND” zou ik opgroeien, naar de lagere school gaan etc. lk bleef er tot mijn dertigste, trouwde met een Brunssumse schone en onze 3 kinderen zijn er geboren. In 1952 vertrok ik uit mijn dierbaar Schinveld om elders in den lande aan mijn carriere te gaan werken. Mijn ouders stierven jong, véél te jong, en na 1955 had ik slechts het graf van mijn ouders om er naar toe te gaan. Ik was acht jaren lang enigst kind, dus ik had alle aandacht van mijn ouders. Mijn vrouw zegt nog steeds (na 52 jaren huwelijk), dat kun je merken: ”Je bent nog steeds een beetje op verwennen gepoold.”
Mijn vader, die van historie en natuur hield was degene die mij in lange wandelingen eerst het dorp Schinveld leerde kennen en wel in alle hoeken en gaten. Ik kreeg van hem toelichtingen over grondsoorten, kenmerkende zaken aIs grachten etc.; maar vooral de sterk onderscheiden gebieden, die door de Rode (zwarte) Beek werden gescheiden. Deze wandelingen werden uitgebreid naar de nabij liggende dorpen Jabeek, Bingelrade, Merkelbeek, Douvergenhout. Brunssum was vanzelfsprekend !
Later werden het fietstochten en zodoende leerde ik heel veel van het oude Zuid-Limburg kennen. Daarbij uitgebreide toelichtingen van vader, die kennelijk boekjes had aangeschaft. Een eigenschap die ik geërfd heb. Ja, het was wel een typisch gedeelte dat ik heel jong en heel goed leerde kennen. Wie de kaart van Zuid-Limburg bekijkt zal zien, dat ik niet alleen in een typisch oostelijk gebied woonde maar ook een gebied dat nauwe banden onderhield met de Duitse kant, nl de ”SELFKANT”.
Maar zoals gezegd, de fietstochten omvatten ook het gebied ten Zuiden van Schinveld, Waubach etc. tot Rolduc, maar ook wel eens het Mergelland. Ik denk dat mijn vader het boekje van E. Heijmans, ”Uit ons Krijtland”, uit 1911 goed kende. Hij was tenslotte enige jaren Hoofdstedeling geweest (ik ben er geboren, ongeloofijk); en hij kwam tenslotte ook uit een heel mooie streek van ons land, nl. uit Oosterbeek aan de rand van de Veluwe. Ja, Heerlen was niet zo'n druk bezocht oord voor ons. De cultuurstad Maastricht werd later doel van mijn eigen tochtjes.
Ja, dit Zuid-Limburg tot einde 1944/45, dat was het land van mijn weemoed. Enerzijds het Mergelland met zijn bronsgroen eikenhout en de andere kant de oude mijnstreek en de nieuwere mijnstreek met als topper de Maurits en zijn Geleense omgeving.De DSM heeft een mooie overzicht tekening waar dit goed op naar voren komt. Alle steenkolenmijnen met een rand van bronsgroen en cultuur (Maastricht).
Voor mij begint Limburg met Sittard en alles wat daar ten Zuiden van ligt. Zij die bekend zijn met de Zuid-Duitse Frankenwijn, gevuld in de Bocksbeutel flessen kan mij begrijpen. Een smalle hals met een fraai buikgedeelte en ... daarin het kostelijke wijnvocht. Zo is voor mij Limburg, de smalle hals (soms maar ca.15 km. breed) en daaronder mijn Zuid- Limburg.
Het Zuid-Limburg van mijn jonge jaren was niet alleen wat natuur betreft twee gebieden maar ook industrieel en ook in sociaal opzicht. Bij dit laatste wellicht 3-4 gebieden. Industrieel kon men voor die tijd twee centra onderscheiden: nl. Maastricht met een uitloper naar Eijsden en de mijnstreek. Aan het kopeinde lag Stttard, meer handel etc. Sittard het oude centrum waar men van zegt: Karel de Grote is er geweest en die vroeg daar: ”Si Tarde” hoe laat is het?. In sociaal opzicht ja, hier wordt het enigzins moeilijk: men zat in een uiterst rooms-katholiek gebied. ln de Maastrichtse regio: het gouvernement met zijn ambtenaren, rechtbank etc. Met zijn fabrieken, in bezit van katholieke werkgevers; maar of deze de epistelen over naastenliefde etc. goed gelezen hadden en ... in praktijk brachten? Ik betwijfel het!
Maastricht, de oude Romeinse stad met veel cultuur was nogal Frans georienteerd. Op de lagere school was Frans verplicht, zeker hij die scholen waar de betere burgers hun kinderen bij voorkeur naar toe lieten gaan. Bovendîen, de gemiddelde Maastrichtenaar was een goede representant van de oude vestingsteden, mentaliteit graag chique en ... mondfiat en als het even kon, ietwat opstandig.
De Mijnstreek, goed katholiek, maar op dit gebied géén diepgangers. Hoefde ook niet, want voor de meesten: de kleine en grote kathechismus en dan aan de slag. De Oude Mijnstreek, de mijnen, zoals men het uitdrukte. De particufiere mijnen; bezit van Belgische en Franse eigenaren. De Nieuwe Mijnstreek, de Staatsmijnen, bezit van het koningrijk der Nederlanden. In werkelijkheid liepen de mijn-nederzettingen door elkaar De Wilhelmina lag midden in het particuliere gebied. Ja, knalharde liberalistische leiding en regiem, daar was geen onderscheid tussen de ene en de andere bezittersgroep. De Hendrik was de meest oostelijke van de vier Staatsmijnen. De Onderbanken noemden het met nadruk ”OOS KOEEL”. Waarom? Dat is een ander verhaal. Het boek ”De boom en zijn vruchten 5O jaar Staatsmijnen in Limburg”, geeft naar mijn mening een nogal te romantische schildering van de mijnstreken. Wellicht komt dit omdat ik nooit een kompel of beambte van zo'n onderneming ben geweest. Maar ik denk eerder uit de verhalen van mijn vader en zijn buurmannen over de koeel. Daarbij, mijn vader stierf aan steenstoflongen op 59 jarige leeftijd ! Drie, vier maanden voor zijn dood, won hij het jarenlange touwtrekken om de erkenning dat het inderdaad ”stofiongen” waren! De degelijke arts van het rusthuis in Son (bij Eindhoven) had met hem meegeknokt en alle bewijzen van voordien op de tafel gekregen. Ja het heerschap dat zijn doctorscriptie had verdedigd met ”Longziekten bij de mijnarbeiders” en in een heel chique villa in Schuttersveld woonde; had bakzeil moeten halen en met hem het AMF. Mijn vader kreeg een nabetaling van fl.900,- Nee, mijnheer Bernard Bekman, uw romantische mijnstreek was niet zo romantisch. Die romantische zijde lag ergens anders, in de Zuid-Limburgers zelf.
Ik bezit, naast de mijnlamp van mijn vader (die ik via bemiddeling na zijn dood kreeg), een Staatsmijnen kalender ”Feest in de mijnstreek”, met tekst van Hans Berghuis. Voor al de mooie kleuren fotos (met uitzondering van het oogstfeest) hoefde ik nooit verder dan mijn SJILVEND en de omliggende dorpen. Alles wat deze kalender weergeeft heb ik jarenlang genoten. lk verbeeld mij nog steeds dat de tuba-blazer op het frontblad een bepaalde Joosten uit Schinveld is. Naast lid van onze harmonie (sorry, wij hadden ook een fanfare) was hij ook lid van het Staatsmijn Emma Muziekkorps. De levensvreugde van de Zuid-Limburgse Mijnstreek kon ik in alle facetten genieten in de directe omgeving van mijn ouderlijk huis en ... mijn dorp. Maar laat ik terugkeren naar de beschrijving van mijn weemoed.
Als men van Sittard komt (ik was er drie jaren op kostschool en ken de omgeving door Zondagswandelingen heel goed) dan via de Kolleberg op weg naar Leijenbroek, richting Doenrade-Oirsbeek, dan gaat Z-Limburg voor je open. Na Leijenbroek sta je al gauw voor de Wintrakerberg met links de Watersleij, met het klooster op een een heuvel. Ik heb de route vele malen gefietst. Het heuvelland aan de Oostelijke kant begint er. Lieflijk met bonte velden, zwaar fietsend met afstappen om in de vlek Wintraak te komen. Hier kun je ook rechts af, der berg aaf, naar Munstergeleen. Prachtige vergezichten, althans toen. Van Wintraak naar Doenrade is er een hoogplateau, links en rechts met graanvelden. Ja, de Limburgse löss. Bij Doenrade kun je weer twee kanten op, rechtdoor naar Oirsbeek, linksaf door Doenrade - Bingelrade - Jabeek - Schinveld. Ik heb beide mogelijkheden vaak moeten fietsen. Het was steeds een groot genoegen, tenminste als het weer meewerkte en de zon ook een beetje zijn best deed. Over Oirsbeek was machtiger. De berg met zijn mooie molen op de top, Amstenrade met zijn kasteel d'Amsenbourg, links af naar Treebeek met links mooie velden, Leeuwstuk (ook een kolonie) Oud-Brunssum door en dan tussen velden en weiden, langs twee watermolens, die maalden met zwart wasserij-water van de Hendrik en dan was ik op de Platz van Sjilvend.
De andere route was lieflijker en iets romantischer. Door Doenrade met zijn caduque kasteeltje (thans een gerenomeerd hotel, mijn buurman won laatst een driedaags verblijf in dat kasteel, ik was verdraaid jaloers), de Doonderberg af, tussen aan weerzijden oplopend kreupelhout en wat bomen op de top (wij noemden dat ”de gracht” en dan kwam Jabeek in zicht. Nagenoeg één lange straat, met een mooi kerkje en enige grote boerderijen, van daar een heuveltje op en je kwam in Ietselder, in keurig ABN ”Etzenrade”. Ik denk ca 10-12 huizen, waaronder twee kapitale boerderijen, Ritzen en Spiertz. Richting Schinveld zag je links sappige weiden met op de achtergrond de dennenbossen van Mindergangelt-Susterseel en in de verte op een heuvel het karakteristieke kerkje van Gangelt. Heel vroeger was de parochie Schinveld een dependance van dit Selfkant plaatsje. Gangelt, mijn vader had er vroeger kompels, die ook op de Hendrik werkten en mijn ouders gingen er wel eens naar de tandarts. Langs het Peikhuuske (Pekhuisje) en het kerkhof via de Halstraat kwam ik weer op de Platz.
Er is nog een leuke route; ik noemde hem de industrieële route; met de tram, eindpunt Ties Muues in Brunssum, naar Heerlen. Van Ties Muues via de Prins Hendnklaan (ja, ja, Oranje boven), naar Rumpen - Bodemplein, links een fraai gezicht op "Oos Koeel”, de Haansberg op (in de winter was het wel uitstappen, te zware last en doorglijden), via Treebeek met links de cokesfabriek Emma, de bocht links om en dan stond de tram recht voor de majestueuze Emma-fronten; vandaar zakte je af naar Heerlerheide, met rechts de O.N. III (ja,ja, Oranje Nassau) was niet zo groot en ook niet zo goed te zien; verder naar Schrieversheide, weer een berg af, rechts de hoek om en je kwam in de uitlopers van Heerlen. De tram stopte prachtig voor een uistekend uitzicht op de Oranje Nassau I. Deze kreeg later zijn masjesteitelijke hoge schoorstenen. Onder het viaduct door links af en je stond voor het station Heerlen. Toen ik in Heerlen werkte, diende per pedes-apostolorum naar de MTS (tegenwoordig de Hoge School Limburg), daar werkte én studeerde ik gelijktijdig. ln de Saroleastraat rechts het hoofdbureau der Staatsmijnen. Ben er om diverse redenen wel eens heen gemoeten. Nou hoor, het creme de la creme der Staatsmijnen werkte er. Allemaal ”beambten!” en wat voor beambten. De portiers en vooral de Hoofdportier, ja dat waren kleine ”Majesteiten”. Eenmaal binnen, dan kwam het verschil: trof je een Limburgse beambte (vooral technici) dan werd het meestal gemoedelijk en kon er soms wat dialect vanaf. Maar ik moest ook een enkele keer bij wat hogere heren zijn (van boven de grote rivieren, gezegend met indrukkwekkende titels). Ja hoor, uw nederige dienaar HLS. van de MTS. Minzaam, werd ik afgehandeld. Maar ja, de status geschiedenis van de steenkolen mijnen is een apart verhaal waard. 's Avonds met de tram weer huiswaart, zodoende kreeg je een heel goed overzicht over mijn industrieële route, links en rechts geflankeerd met kolonie's, en vooral in Treebeek voor de Emma-winkels en -tjes. Ja, Heerien dat was de CITY.
Ik was er enige jaren geleden met mijn vrouw eens goed voor gaan parkeren en wij maar wandelen en wandelen, wij kenden en vonden niets meer. Op een gegeven moment vroeg ik aan een oudere dame, en wel in mijn beste Limburgs: ”Kunt U mij zeggen waar ik de Saroleastraat kan vinden?” Antwoord: ”Menier, gier stoat op de Sarolea!” Ja, de Heerlense ”Winjtbuule” hebben nu echt hun ClTY. Wij zijn spoorslag vetrokken, zonder koffie te drinken!
De fietsroute langs de Heksenberg, de Oranje Nassau IV kun je dan nauwelijks zien, maar het café van ?, die met paard en wagen de limonade met het merk ”KOMOL” rondbracht, ook in Sjilvend.
Met de fiets naar Maastricht via Amstenrade - Vaesrade - Nuth - Aalbeek - Klein en Groot Haasdal - Meersen etc. Een juweeltje destijds, vooral de imposante watertoren van Schimmert. Moet ik de fietstocht, Platz-Boeberg, via de Brunssummerheide naar Abdissenbosch naar Waubach nog beschrijven? Nee, het boek van Bekman hoeft mij mijn Zuid-Limburg niet te leren kennen.
In Schinveld bracht ik mijn lagere schooljaren door. Vijf heerlijke jaren achter elkaar bij mijn meester Peeters, veel plezier maar ook, veel, heel veel geleerd. lk werd van Hollesche jong getransformeerd naar Sjilvender. Maar dat worden hopenlijk nog enige aparte verhalen. Een ding slechts, Sjang (dat was de dorpse naam voor mijn meester) leerde ons wel een ding, en wel via het Sjlivender plat. n.l. wanneer je een lange of korte (ij-ei) moest schrijven. Hoe? Dat is een latere story.
Na bijna 50 jaar uit Sjilvend weg, spreken mijn Brunssumse vrouw (uit Brabantse ouders) en ik onder elkaar nog steeds ”PLAT”. Angezien ik uit Sjilvend kom, verbeeld ik mij, dat ik het beter kan en ken. Ja, die Sjilvenders hadden toch wel hun beetje verwaandheid.
Ik hoop dat ik met mijn lofzang op de door mij zo geliefde streek, de andere zeer mooie gebieden van Z-Limburg niet tekort heb gedaan. De gebieden van Vaals tot Eijsden, rondom Valkenburg, Eijs-Wittem zijn ook schitterend.lk vergeet nooit de tocht met de meester naar de Benedictijner Abij Mamelis bij Vaals, of de tocht met kapelaan Kisters met de misdienaars (ja dat was ik ook nog) naar Schweijkhuizen of Spaubeek. Nee, in de laatste plaats ben ik nooit op ”retraite” geweest. Nu ik wellicht zou willen, denk ik dat ze mijn vele zonden niet meer kunnen vergeven. Maar ik denk dat, net als bij ons, er geen meer zijn. Misdienaar en kapelaan Kisters zijn ook een verhaaltje waard. Ja, ongeveer een jaar voor ons trouwen (52 jaren geleden!) maakten mijn Brunssumse schone en ik, te voet een ”beeijweg” (bidweg) naar Gerardus in Wittem. Schinveld - Brunssum - Heksenberg - Heerlen - Heerlerbaan, daar bij de Vroedvrouwenschool scherp rechts af, bij Imstenrade en vandaar door landelijk dreven, bergje op en bergje af, naar Wittem.
Ja, eerst de H. Mis, ter communie, nee biechten hoefde niet, wij waren braaf en dan in het café om de hoek onze boterhammen eten met koffie. Eerst nog wat rondkijken en toen terug, schrik niet via landelijke wegen naar Valkenburg, etc naar Nuth - Vaesrade - Treebeek - Brunssum. Ja, het was een tochtje, ik was al om 4 uur uit Sjilvend naar Brunssum gewandeld en toen samen (nee, niet biddend) naar Gerardus en de terugtocht naar Brunssum, het was laat in de avond! Maar wij hadden de plicht gedaan, die toch wel min of meer van ons verwacht werd. Maar wij hadden ook een mooi stuk Z.Limburg gezien.
Van de Paters van Wittem werd verteld, dat zij aan het einde van het pelgrimsseizoen met een ”panschup” de zakken met geld vulden. Briefjes met smeekbeden waren er ook genoeg, maar briefjes van geld?. Hoe zouden wij er die tijd aan kunnen komen?
Ik hoop, dat mogelijke lezers iets van mijn weemoed naar mijn Sjilvend en omstreken - tegenwoordig Gemeente Onderbanken - ietwat kunnen en willen begrijpen. Mijn vrouw en ik spreken thuis (zonder visite) nog steeds ”PLAT” met elkaar, en dat na bijna 50 jaar, na onze emigratie naar noordertijke gebieden. Ja, de taal der jonge liefde gaat nooit verloren.
Ik bezit nog twee oude 45-toeren singeltjes: Frits Rademacher met 't Huikske en Limburg. In het eerste ken ik mijzelf nog goed terug! Als ik thans door dat Zuid-Limburg mij voortbeweeg met onze moderne vierwieler dan ontdek je dat dit mooie Z.Limburg thans dichter bevolkt is dan de Randstad; aan de grens waarvan het mooie Breukelen ligt, en ... daar wonen wij !
Ik ga er vanuit dat ik nog enige vervolgverhalen kan maken, maar die zullen dan uitsluitend over ”MIJN SJILVEND” gaan

H.L. Snoek

Januari 2000






email me
mailbus van Sjilvends
home
Begin van Sjilvends